Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6902

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
201101421/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college de aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats aan de [locatie] ten behoeve van de verkoop van oliebollen op 30 en 31 december 2008 afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van 19 december 2008 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom preventief gelast om binnen de gemeente Heerhugowaard in de periode van 29 december 2008 tot 2 januari 2009 geen standplaats in te nemen zonder vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101421/1/H3.

Datum uitspraak: 7 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Heerhugowaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 december 2010 in zaken nrs. 09/1527 en 09/1198 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college de aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats aan de [locatie] ten behoeve van de verkoop van oliebollen op 30 en 31 december 2008 afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van 19 december 2008 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom preventief gelast om binnen de gemeente Heerhugowaard in de periode van 29 december 2008 tot 2 januari 2009 geen standplaats in te nemen zonder vergunning.

Bij afzonderlijke besluiten van 3 maart 2009 heeft het college de door [appellante] tegen de besluiten van 19 december 2008 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 februari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [directeur], en het college vertegenwoordigd door mr. M.N. Slagter, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Standplaatsenverordening Heerhugowaard 2008 (hierna: de Standplaatsenverordening), wordt in deze verordening onder een standplaats verstaan een ruimte op of aan de weg, door burgemeester en wethouders aangewezen voor het te koop aanbieden, verkopen of verstrekken van goederen, waren of diensten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het verboden zonder, of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een standplaats in te nemen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een vergunning bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden geweigerd:

(…);

b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

(…).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, stellen burgemeester en wethouders een maal per drie jaar - in december - het aantal locaties en het aantal uit te geven standplaatsen vast voor de gemeente, met dien verstande dat vaststelling eerder plaatsvindt wanneer omstandigheden of ontwikkelingen hiertoe nopen. Per locatie kan maximaal één standplaats worden uitgegeven.

In de "Actualisatie Standplaatsenbeleid" (hierna: Standplaatsenbeleid) zijn het aantal locaties en het aantal uit te geven standplaatsen voor de gemeente Heerhugowaard vastgesteld, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Standplaatsenverordening.

2.2. [appellante] heeft een aanvraag ingediend voor een standplaatsvergunning teneinde met een oliebollenkraam standplaats in te nemen naast de bakkerij op de stoep in de straat gelegen tussen [locaties]. In het in bezwaar gehandhaafde besluit tot afwijzing van die aanvraag heeft het college overwogen dat volgens een advies van de brandweer niet wordt voldaan aan het brandveiligheidsvoorschrift, opgenomen in de "voorwaarden voor bakinrichtingen / kramen" van de brandweer, dat een bakkraam moet zijn opgesteld op een afstand van ten minste vijf meter vanaf enig bouwwerk buiten het eigen perceel, tenzij in de aangrenzende gevel van dat bouwwerk geen ramen zijn aangebracht (hierna: het brandveiligheidsvoorschrift). De straat, alwaar [appellante] standplaats wenst in te nemen, heeft een breedte van 5,80 meter en de aangrenzende gevel bevat ramen. Omdat de bakkraam een diepte van meer dan 0,80 meter heeft, wordt niet voldaan aan het brandveiligheidsvoorschrift, aldus het college.

In het in bezwaar gehandhaafde besluit tot oplegging van een last onder dwangsom heeft het college overwogen dat namens [appellante] tijdens een gesprek met [directeur] door deze te kennen is gegeven dat [appellante] slechts standplaats wilde innemen in de steeg gelegen tussen [locaties] en dat zij deze standplaats desnoods zonder de benodigde vergunning zal innemen.

2.3. De rechtbank heeft in de eerste plaats geoordeeld dat de aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats met een oliebollenkraam, zoals door [appellante] beoogd, aan de Standplaatsenverordening dient te worden getoetst. Vervolgens heeft zij geoordeeld dat het college de verzochte standplaatsvergunning onder verwijzing naar het brandveiligheidsvoorschrift in redelijkheid heeft kunnen weigeren in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. Zij heeft daarbij overwogen dat het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel faalt. Verder heeft zij geoordeeld dat het college bevoegd is een preventieve last onder dwangsom op te leggen. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op hetgeen namens [appellante] is verklaard, het gevaar van een overtreding klaarblijkelijk dreigt. De rechtbank heeft ten slotte het betoog van [appellante] dat de opgelegde dwangsom van € 10.000,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 20.000,00 disproportioneel is, niet gevolgd.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de demontabele skihut, waarin de oliebollen worden gebakken en vervolgens worden verkocht, niet is te vergelijken met de mobiele bakkramen die op grond van de Standplaatsenverordening een vaste standplaats krijgen toegewezen. Zij voert aan dat hoewel niet wordt voldaan aan het brandveiligheidsvoorschrift, de demontabele bakkraam, die zij gebruikt voor het bakken van oliebollen, voldoet aan de veiligheidsvoorschriften van een mobiele bakinrichting. De overschrijding van de afstand van de bakkraam tot het belendende perceel is daarom niet van dien aard dat de vergunning daarom mocht worden geweigerd. De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Zij heeft gewezen op de omstandigheid dat met een mobiele bakkraam tegen de gevel van bouwmarkt Multimate in Heerhugowaard standplaats wordt ingenomen. In dit verband heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte geoordeeld dat dit geen gelijk geval betreft, omdat de standplaats bij bouwmarkt Multimate een locatie is, die is aangewezen op grond van het Standplaatsenbeleid. Het brandveiligheidsvoorschrift geldt immers ook voor in het Standplaatsenbeleid aangewezen locaties, aldus [appellante] .

2.4.1. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, dient de aanvraag van [appellante] te worden getoetst aan de Standplaatsenverordening, nu de aanvraag ziet op het innemen van een standplaats met een mobiele bakkraam, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Standplaatsenverordening. Verder is de bevoegdheid van het college tot verlening van standplaatsvergunningen een discretionaire bevoegdheid.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college de verzochte standplaatsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren in het belang van het voorkomen of beperken van overlast, omdat volgens een advies van de brandweer niet aan het brandveiligheidsvoorschrift wordt voldaan. Dat de bakinrichting voldoet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen, betekent niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, dat het college om die reden de vergunning niet heeft mogen weigeren onder verwijzing naar het brandveiligheidsvoorschrift. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het brandveiligheidsvoorschrift is opgenomen in de "voorwaarden voor bakinrichtingen / kramen" en dat deze voorwaarden afkomstig zijn van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord en dat deze voorwaarden zijn gebaseerd op het Handboek Preventie van de Veiligheidsregio waarin regels zijn opgenomen ter voorkoming van brandoverslag.

De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Dat, zoals [appellante] stelt, met een mobiele bakkraam tegen de gevel van bouwmarkt Multimate in Heerhugowaard standplaats wordt ingenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft zich in dit verband gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de locatie bij bouwmarkt Multimate, in tegenstelling tot de door [appellante] beoogde locatie om standplaats in te nemen, is aangewezen in het Standplaatsenbeleid en dat deze standplaats zodanig is gesitueerd dat aan het brandveiligheidsvoorschrift kan en ook moet worden voldaan. Zo de vergunninghouder niet aan het brandveiligheidsvoorschrift voldoet, zal het handhavend optreden, aldus het college. De door [appellante] ter zitting van de Afdeling getoonde foto's waaruit naar haar stelling blijkt dat het college het brandveiligheidsvoorschrift in gelijke gevallen niet toepast, leiden evenmin tot een ander oordeel. Het college heeft in dit verband ter zitting gemotiveerd uiteengezet dat voor zover de betreffende vergunninghouder standplaats inneemt in strijd met het brandveiligheidsvoorschrift, deze is aangeschreven en verder uit de door [appellante] getoonde foto's niet valt op te maken of in de ruimte waarmee standplaats wordt ingenomen, wordt gebakken.

Het betoog faalt.

2.5. [appellante] voert ten slotte aan dat de rechtbank haar betoog dat de opgelegde dwangsom van € 10.000,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 20.000,00 disproportioneel is ten onrechte niet heeft gevolgd. Zij heeft het merendeel van de opbrengst van de oliebollenactie in voorgaande jaren afgestaan aan goede doelen. Volgens [appellante] bedroeg de beoogde winst slechts € 1.000,00.

2.5.1. Geen grond bestaat voor het oordeel, alsook de rechtbank heeft overwogen, dat de door het college vastgestelde dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. De rechtbank heeft bij haar oordeel terecht in aanmerking genomen dat het opleggen van een last onder dwangsom mede ten doel heeft de overtreder te bewegen de voor hem geldende regels na te leven. De rechtbank heeft voorts op goede gronden overwogen dat het college bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom rekening mocht houden met het te verwachten financiële voordeel bij het innemen van de standplaats met de oliebollenkraam. Dat de beoogde winst slechts € 1000,00 bedroeg, zoals [appellante] stelt, omdat het merendeel van de opbrengst aan goede doelen wordt afgestaan, maakt niet dat het college het te behalen financiële voordeel voor [appellante] niet mocht betrekken bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. De besteding van de winst staat immers ter vrije wil van [appellante]. Tot slot heeft de rechtbank op goede gronden bij haar oordeel betrokken dat de opgelegde dwangsom in overeenstemming is met hetgeen is vermeld in de Uitvoeringsnota afdeling Handhaving en Vastgoed.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Grimbergen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2011

581.