Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
201012361/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 november 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een paardenfokkerij aan de [locatie] te [plaats], gemeente Maasdriel. Dit besluit is op 12 november 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/324
JOM 2011/763
JM 2012/7 met annotatie van P.B. Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012361/1/M2.

Datum uitspraak: 7 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te[woonplaats], gemeente Maasdriel,

2. J. [appellant sub 2], wonend te Alem, gemeente Maasdriel,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een paardenfokkerij aan de [locatie] te [plaats], gemeente Maasdriel. Dit besluit is op 12 november 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2011, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. R.T.M. Lagerweij, en het college, vertegenwoordigd door J.J.W.G. van den Oetelaar en ing. S.C.C. van Dongen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 1] heeft zijn beroepsgrond dat in deze situatie in plaats van een revisievergunning een oprichtingsvergunning had moeten worden aangevraagd, ter zitting ingetrokken. Eveneens heeft hij ter zitting de beroepsgrond dat onvoldoende is gemotiveerd waarom geen

milieu-effectrapportage hoeft te worden gemaakt en de beroepsgrond die inhoudt dat de bij de vergunning behorende voorschriften de geuroverlast onvoldoende beperken, ingetrokken.

2.2. De bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet op het houden van 92 paarden, de verbouwing van een varkensstal tot een paardenstal, de realisatie van een nieuwe rijhal met daarbij een stapmolen en de realisatie van acht paddocks.

2.3. [appellant sub 2] voert aan dat voor zijn woning aan [locatie sub 2], gelegen binnen de bebouwde kom, niet wordt voldaan aan de afstandseis van 100 meter als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv). [appellant sub 2] betoogt dat de ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: de Rgv) aan te houden afstand tussen de veehouderij en woningen moet worden gemeten vanaf de begrenzing van de paddocks en dat deze paddocks op een te korte afstand van zijn woning liggen. Verder betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat de woning van [appellant sub 1] aan [locatie sub 1] is gelegen buiten de bebouwde kom en derhalve ten onrechte is uitgegaan van een minimale afstand van 50 meter als bedoeld in artikel 4 van de Wgv tussen de veehouderij en het geurgevoelig object.

2.3.1. Niet in geschil is dat het hier gaat om een inrichting waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Gelet hierop zijn de afstandsnormen van artikel 4, eerste lid, van de Wgv van toepassing. Ingevolge dit artikellid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object ten minste 100 meter wanneer het object binnen de bebouwde kom is gelegen, of 50 meter wanneer dit object buiten de bebouwde kom is gelegen. Gelet op artikel 1 en artikel 4 van de Rgv wordt deze afstand gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van een dierenverblijf, dan wel - indien het dierenverblijf niet overdekt is - tot het punt van de begrenzing van het onoverdekte dierenverblijf dat het dichtst bij het desbetreffende geurgevoelig object is gelegen. Een dierenverblijf is ingevolge artikel 1 van de Wgv een al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden.

2.3.2. Blijkens aanvullende informatie die vergunninghouder in het kader van de aanvraag om de vergunning aan het college heeft verstrekt, dienen de paddocks als een speelplaats waar de paarden hun benen kunnen strekken. De paddocks worden in de zomer nauwelijks gebruikt omdat de paarden dan in de wei staan. In de wintermaanden zullen de paddocks gemiddeld rond de twee uur per dag in gebruik zijn. Gelet hierop heeft het college terecht geoordeeld dat de paddocks niet kunnen worden aangemerkt als een dierenverblijf in de zin van de Wgv.

Gezien het voorgaande is het college er terecht van uitgegaan dat alleen de stallen van de inrichting dierenverblijven zijn in de zin van de Wgv. De afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt - de mechanische ontluchting - van de stallen tot de woningen aan [locatie sub 1] en 13 bedraagt 85 meter respectievelijk meer dan 100 meter.

2.3.3. De woning aan [locatie sub 2] ligt in de bebouwde kom. Gezien het voorgaande wordt ten aanzien van die woning aan de aan te houden afstand van ten minste 100 meter voldaan. In zoverre is het bestreden besluit niet in strijd met de Wgv. Het beroep faalt in zoverre.

2.3.4. Volgens het college is de woning aan [locatie sub 1] gelegen buiten de bebouwde kom, zodat een afstand van ten minste 50 meter moet worden aangehouden. Hierover overweegt de Afdeling dat de bebouwde kom volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wgv (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, p. 17-18) een gebied is dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur.

Zowel de woning aan [locatie sub 1] als de woning aan [locatie sub 2] is gelegen aan de rand van het dorp [plaats]. Aan de voorzijde van beide woningen bevindt zich aaneengesloten bebouwing. Aan de achterzijde van beide woningen bevindt zich weiland. Gelet op de aard van de omgeving heeft het college de woning aan [locatie sub 1] ten onrechte niet aangemerkt als een woning gelegen binnen de bebouwde kom. Vergunninghouder heeft ter zitting gesteld dat hetgeen de Afdeling in haar tussenuitspraak van 26 januari 2011 (in zaak nr. 201000560/1/T1/R3) heeft geoordeeld ten aanzien van een volgens vergunninghouder vergelijkbare situatie, moet meebrengen dat de woning aan [locatie sub 1] buiten de bebouwde kom is gelegen. Die stelling faalt nu beide situaties niet vergelijkbaar zijn: in de uitspraak van 26 januari 2011 stond ter beoordeling of een plangebied als geheel al dan niet als bebouwde kom moest worden aangemerkt, en niet - zoals hier - of een specifieke woning binnen of buiten de bebouwde kom is gelegen.

Nu de afstand tussen het emissiepunt en de binnen de bebouwde kom gelegen woning aan [locatie sub 1] minder dan de vereiste afstand van 100 meter bedraagt wordt de afstandsnorm uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgv overschreden. In zoverre verzet de Wgv zich tegen verlening van de vergunning.

Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] slaagt in zoverre.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben zich in hun beroepschriften voor het overige beperkt tot het herhalen en het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is het college ingegaan op deze bedenkingen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

De beroepsgronden falen.

2.5. De beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 4 van de Wgv in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van de vernietiging met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand kunnen worden gelaten. Daartoe overweegt zij het volgende.

2.6. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze afstand ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object is gelegen binnen de bebouwde kom. Op 16 december 2010 heeft de raad van de gemeente Maasdriel een gemeentelijke geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv vastgesteld. Deze verordening bepaalt dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom in afwijking van artikel 4, eerste lid, van de Wgv ten minste 50 meter moet bedragen. Nu hieraan wordt voldaan, staat bij het opnieuw beslissen op de aanvraag de Wgv niet meer aan verlening van de vergunning in de weg.

Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zijn geheel in stand blijven.

2.7. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 5 november 2010,

kenmerk Wm-013-2009;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel tot vergoeding van bij [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2011

262-684.