Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6894

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
201109486/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 26 augustus 2011 hebben Greenpeace en SNM het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bouw van een kolengestookte elektriciteitscentrale in de Eemshaven, zonder een vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:13
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/176 met annotatie van H.E. Woldendorp
BA 2011/195
JB 2011/229
JOM 2012/79
JOM 2011/742
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109486/2/R2.

Datum uitspraak: 2 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:

de stichting Stichting Greenpeace Nederland en de stichting SNM, gevestigd te Amsterdam onderscheidenlijk Utrecht,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 26 augustus 2011 hebben Greenpeace en SNM het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bouw van een kolengestookte elektriciteitscentrale in de Eemshaven, zonder een vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998.

Bij brief van 30 augustus 2011 hebben Greenpeace en SNM bij het college bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van 26 augustus 2011. Bij brief van 31 augustus 2011 heeft het college dit bezwaarschrift doorgezonden aan de Afdeling ter behandeling als beroepschrift.

Greenpeace en SNM, het college en RWE hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van artikel 6:2, eerste lid, van de Awb wordt met een besluit gelijkgesteld: het niet tijdig nemen van een besluit.

2.2. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

2.3. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede artikellid is de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb heeft gedaan.

2.4. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge het derde artikellid kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt.

2.5. Greenpeace en SNM hebben het college in hun brief van 26 augustus 2011 verzocht om uiterlijk voor 30 augustus 2011 een beslissing te nemen op het handhavingsverzoek. Greenpeace en SNM betogen dat spoed bestaat bij dit verzoek, omdat de bouwwerkzaamheden aan de centrale als gevolg van de uitspraak van 24 augustus 2011 met zaak nrs. 200900425/1/R2 en 200902744/1/R2 worden uitgevoerd zonder een vergunning ingevolge de Nbw 1998. Zij stellen dat de bouwwerkzaamheden onmiddellijk stilgelegd dienen te worden, omdat het project nog niet passend is beoordeeld en potentieel verstorende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Daarbij wijzen zij erop dat zeezoogdieren verstoord kunnen worden door de aanleg van de koelwateruitlaat en de heiwerkzaamheden. Omdat op dit moment geen concreet zicht bestaat op legalisatie, dient het college handhavend op te treden, zo stellen Greenpeace en SNM.

2.6. Het college brengt naar voren dat hij, om een zorgvuldige afweging te kunnen maken, meer tijd nodig heeft dan de door Greenpeace en SNM voorgestelde termijn.

2.7. De Afdeling overweegt dat de vraag of het college handhavend dient op te treden in deze procedure niet aan de orde gesteld kan worden, aangezien het college tot op heden geen besluit heeft genomen over het verzoek om handhavend optreden.

2.8. Het door Greenpeace en SNM ingediende handhavingsverzoek van 26 augustus 2011 is op diezelfde datum bij het college binnengekomen. Greenpeace en SNM hebben het college daarin verzocht om uiterlijk voor 30 augustus 2011 een beslissing te nemen op hun verzoek. Een termijn van drie dagen kan naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet worden aangemerkt als een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Awb. Verder is de Afdeling van oordeel dat Greenpeace en SNM onvoldoende gemotiveerd hebben waarom in dit geval, gelet op de voorgeschiedenis en de complexiteit van de zaak, een kortere termijn van toepassing is, dan de in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb genoemde termijn van acht weken. De stelling van Greenpeace en SNM dat verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd die mogelijk effecten hebben op de zeezoogdieren is daartoe niet toereikend. Daarbij wordt van belang geacht dat RWE schriftelijk heeft meegedeeld dat in afwachting van het besluit van het college geen werkzaamheden aan de koelwateruitlaat of heiwerkzaamheden worden uitgevoerd.

Voorts wijst de Afdeling erop dat Greenpeace en SNM, nu zij van mening zijn dat de beslistermijn is verstreken, daargelaten dat dit nog niet het geval is, het college op grond van artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb in gebreke hadden moeten stellen alvorens beroep in te stellen. Uit de stukken is niet gebleken dat Greenpeace en SNM het college in gebreke heeft gesteld. Greenpeace en SNM hebben in het beroepschrift niet gemotiveerd waarom niet van hen kon worden gevergd dat zij het college niet in gebreke hebben gesteld.

Uit het vorenstaande volgt dat Greenpeace en SNM voor het einde van de redelijke termijn beroep hebben ingesteld, waardoor niet is voldaan aan het vereiste van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

2.9. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2011

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.

- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.

- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.

586.