Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6884

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
201103358/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BP6068, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103358/1/H3.

Datum uitspraak: 7 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 februari 2011 in zaak nr. 10/3322 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Haarlem respectievelijk Amsterdam (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 juni 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 april 2011.

[appellant] heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft aan de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, en [appellant], vertegenwoordigd door mr. A. Maandag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

Ingevolge het tweede lid blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. (…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. (…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2. Bij brief van 21 januari 2010 heeft [appellant] het college verzocht om inzage in alle bij het college berustende stukken die betrekking hebben op alle onderzochte meldingen bij het Meldpunt Integriteit van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: het meldpunt).

Naar aanleiding van dit verzoek heeft het college een overzicht opgesteld van de meldingen gedaan bij het meldpunt in de periode van 2006 tot de eerste helft van 2009 en daarbij de aard van de melding en de wijze van afdoening vermeld. Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het college [appellant] dit overzicht verstrekt en inzage in de onderliggende documenten van de meldingen met een beroep op de artikelen 10, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob geweigerd. In het besluit van 22 juni 2010 heeft het college zich ten aanzien van de weigeringsgrond, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, op het standpunt gesteld dat verstrekking van de onderliggende documenten neerkomt op verstrekking van persoonsgegevens omdat de informatie herleidbaar is tot personen. Het is volgens het college niet mogelijk om de documenten zodanig te anonimiseren dat de hierin opgenomen informatie niet meer herleidbaar is tot personen. Ten aanzien van de weigeringsgronden, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat inzage in de onderliggende documenten een onevenredige benadeling betekent van de personen die een melding hebben gedaan bij het meldpunt. Deze personen hebben dit immers gedaan in het vertrouwen dat de melding anoniem zou blijven. Hun persoonlijke levenssfeer wordt volgens het college ontoelaatbaar geschonden bij openbaarmaking van de documenten. Voorts zou het college onevenredig worden benadeeld bij het uitvoeren van het integriteitsbeleid indien inzage in de documenten zou worden gegeven, omdat dit mogelijke melders van misstanden ervan zou weerhouden een melding te doen.

2.3. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2000 in zaak nr. 200000651/01 (www.rechtspraak.nl) overwogen dat het college het besluit van 22 juni 2010 ondeugdelijk heeft gemotiveerd, omdat het heeft nagelaten per document dan wel per categorie documenten te motiveren waarom het document dan wel de categorie documenten niet openbaar kan worden gemaakt. Ten onrechte heeft het college naar het oordeel van de rechtbank slechts in zijn algemeenheid gemotiveerd waarom openbaarmaking van de documenten geheel dan wel gedeeltelijk achterwege mag blijven.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het individueel benoemen van de documenten en het vermelden welke weigeringsgrond of -gronden zich voordoet of voordoen tot de mogelijkheid leidt om de identiteit van de melder en/of de kring waaruit die melder afkomstig is, te bepalen. Het college wenst de aan de melder gegarandeerde anonimiteit te waarborgen. Het heeft gemotiveerd aangegeven waarom geen enkel document wordt verstrekt, aldus het college.

2.4.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2009 (zaak nr. 200902518/1/H3) volgt dat een bestuursorgaan in beginsel per document of onderdeel daarvan dient te motiveren dat aan de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten doorslaggevend gewicht toekomt. Indien dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen, kan daarvan onder omstandigheden worden afgezien.

2.4.2. In het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 februari 2010 heeft het college de belangen genoemd in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob aan de weigering ten grondslag gelegd. Het college heeft slechts in algemene bewoordingen ten aanzien van alle documenten toegelicht waarom de door hem ingeroepen weigeringsgronden zich voordoen. Het heeft nagelaten te vermelden welke weigeringsgrond of -gronden zich ten aanzien van een bepaald document of categorie documenten voordoet of voordoen. Hiermee staat vast dat het college geen van de door hem ingeroepen weigeringsgronden heeft gerelateerd aan afzonderlijke documenten waarvan openbaarmaking is verzocht.

De Afdeling heeft kennis genomen van de documenten. Het betreft een groot aantal documenten van verschillende aard, betrekking hebbend op verschillende meldingen over mogelijke integriteitsschendingen van ambtenaren werkzaam binnen de gemeente Haarlemmermeer.

Voorop wordt gesteld dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob geen grond biedt voor een principiële weigering van de documenten waarvan openbaarmaking is gevraagd om de enkele reden dat de documenten betrekking hebben op meldingen die gedaan zijn bij het meldpunt. Indien het college documenten met een beroep op dit artikel wil weigeren, dient het te motiveren waarom volgens hem deze weigeringsgrond zich voordoet en het belang daarvan dient te prevaleren boven het publieke belang van openbaarmaking.

De Afdeling is van oordeel dat, mede gelet op de aard en de inhoud van de documenten, niet valt in te zien dat het college niet per melding kan motiveren op welke grond openbaarmaking van de melding en tot die melding behorende documenten, geheel dan wel gedeeltelijk achterwege dient te worden gelaten. De ongemotiveerde stelling van het college dat dit leidt tot de mogelijkheid om de identiteit van de melder te achterhalen, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling wijst hierbij op de mogelijkheid voor het college de meldingen met de daarbij behorende documenten samen te voegen, die meldingen te nummeren, per genummerde melding de weigeringsgrond of -gronden te vermelden en te motiveren waarom volgens hem deze weigeringsgronden zich voordoen en het belang daarvan dient te prevaleren boven het publieke belang van openbaarmaking.

Het betoog faalt.

2.4.3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook met juistheid tot de conclusie gekomen dat het besluit van 22 juni 2010 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Het college dient ten aanzien van [appellant] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer tot vergoeding van de bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2011

176-591.