Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
201010769/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] te Haulerwijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010769/1/R3.

Datum uitspraak: 7 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Haulerwijk, gemeente Ooststellingwerf,

en

de raad van de gemeente Ooststellingwerf,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] te Haulerwijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2010, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door T. Wuite, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De raad heeft met het vaststellen van het plan beoogd ter plaatse van de [locatie] te Haulerwijk de vestiging van een productiegerichte paardenhouderij mogelijk te maken.

2.2. [appellant] betoogt dat het plan onduidelijk is over het soort paardenhouderij dat in het plangebied is toegestaan. Er zijn volgens hem ten onrechte verschillen in de definities van het bestemmingsplan in vergelijking met het bestemmingsplan "Buitengebied 2006", het bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve en partiële herziening 2009" en de VNG-handreiking "Paardenhouderij en ruimtelijke ordening. Handreiking voor de praktijk" (hierna: de Handreiking).

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plangebied slechts een productiegerichte paardenhouderij is toegestaan en dat de verbeelding en planregels geen ruimte laten voor een andere interpretatie. De begripsbepalingen in het bestemmingsplan sluiten volgens de raad naadloos aan bij het bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve en partiële herziening 2009", waarin onderscheid wordt gemaakt tussen grondgebonden, productiegerichte en gebruiksgerichte paardenhouderijen. Volgens de raad zijn grondgebonden paardenhouderijen zuivere fokbedrijven die wat ruimtelijke uitstraling betreft gelijk te stellen zijn aan agrarische bedrijven. Gebruiksgerichte paardenhouderijen zijn bedrijven als maneges en productiegerichte paardenhouderijen zijn bedrijven met een combinatie van fokken en gebruiksgerichte activiteiten. Gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderijen zijn wat ruimtelijke uitstraling betreft niet als grondgebonden agrarische bedrijven aan te merken, aldus de raad. Ten slotte zijn volgens de raad de begrippen zoals die zijn gebruikt in de VNG-handreiking waarnaar [appellant] verwijst niet van doorslaggevend belang.

2.2.2. Blijkens de verbeelding is aan de gronden in het plangebied de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "paardenhouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn deze gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor de uitoefening van een productiegerichte paardenhouderij.

Ingevolgde artikel 1, aanhef en onder dd, wordt onder paardenhouderij-productiegericht verstaan een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair zijn gericht op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden.

2.2.3. Uit de verbeelding, in samenhang bezien met de aangehaalde planregels, volgt dat de gronden in het plangebied zijn bestemd voor een productiegerichte paardenhouderij. De definitiebepalingen in de planregels zijn bepalend voor de uitleg van de in de planregels gebruikte begrippen en de in het plan neergelegde definitie van een productiegerichte paardenhouderij is duidelijk. Eventuele afwijkingen van hetgeen in de Handreiking of in andere bestemmingsplannen is neergelegd, leiden niet tot het oordeel dat de in het plan neergelegde definitie rechtsonzeker is. Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de wijzigingsregel in artikel 6.1, aanhef en onder c, van de planregels onduidelijk is, omdat hierin verwezen wordt naar een grondgebonden agrarisch bedrijf en niet naar een productiegerichte paardenhouderij.

2.3.1. Artikel 6.1 van de planregels luidt, voor zover hier van belang:

"Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat:

[…]

c. nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven (ten minste één volwaardige arbeidskracht) en nevenberoepsbedrijven (minder dan 0,5 volwaardige arbeidskracht) mogen worden gevestigd op de locatie van een agrarisch bedrijf dat is of wordt beëindigd, met dien verstande dat:

- uitsluitend de bestaande bedrijfswoning is toegestaan;

- om te kunnen beoordelen of sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, dan wel een nevenberoepsbedrijf een bedrijfsplan dient te worden ingediend. Bij de beoordeling zullen de uitgangspunten en criteria welke worden verstrekt door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden gebruikt;

[…]".

2.3.2. Aan de wijzigingsbevoegdheid van artikel 6.1, aanhef en onder c, van de planregels kan toepassing worden gegeven indien een ander agrarisch bedrijf dan een productiegerichte paardenhouderij zich in het plangebied wil vestigen. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsbepaling onduidelijk is. Het betoog faalt.

2.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Gerkema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2011

472-717.