Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
05-09-2011
Zaaknummer
201102036/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat de Eritrese autoriteiten tot op heden aan de DT&V geen laissez passer hebben verstrekt. Het ligt daarom op de weg van de minister voortvarendheid te betrachten bij het intensiveren van de samenwerking met de Eritrese autoriteiten. Uit de in 2.2.1 weergegeven, door de minister verstrekte, informatie, waarvan de feitelijke juistheid niet door de vreemdeling is bestreden, volgt dat in 2010 en 2011 op diplomatiek niveau inspanningen zijn en worden verricht, dat er overleg plaatsvindt met de Eritrese autoriteiten met betrekking tot de afgifte van laissez passer, dat er thans circa 30 aanvragen om afgifte van laissez passer in behandeling zijn en dat de Eritrese autoriteiten in gevallen van nationaliteitsvaststelling zich bereid hebben verklaard tot het houden van een tweede presentatie. Voorts is, naar de minister – eveneens onbestreden – heeft aangevoerd, door de Eritrese autoriteiten niet te kennen gegeven dat zij geen laissez passer zullen verstrekken ten behoeve van gedwongen vertrek. Bij deze stand van zaken bestaat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, thans geen grond voor het oordeel dat het redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Eritrea ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102036/1/V3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 9 februari 2011 in zaak nr. 11/2559 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 mei 2011 heeft de Afdeling de minister vragen gesteld. De minister heeft hierop bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 juni 2011, geantwoord. Hierop heeft de vreemdeling bij brief van 9 juni 2011 gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2011, waar de minister, vertegenwoordigd door D.A. Riezebos, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Desgevraagd heeft de minister bij brief van 26 juli 2011 een nader stuk ingediend. Hierop heeft de vreemdeling bij brief van 9 augustus 2011 gereageerd. Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere behandeling ter zitting.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen als eerste grief is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.2. De vreemdeling klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat zicht op uitzetting naar Eritrea ontbreekt, nu hij heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 28 juni 2010 in zaak nr. 10/8575 (LJN: BN2731), waaruit volgt dat de Eritrese autoriteiten in de periode 2006 tot 2009 geen laissez passer hebben verstrekt en hij voorts heeft betoogd dat ook ten aanzien van de periode nadien niet bekend is dat de Eritrese autoriteiten laissez passer hebben verstrekt.

2.2.1. In de brieven van 6 juni 2011 en 26 juli 2011 en ter zitting bij de Afdeling heeft de minister, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, toegelicht dat de Eritrese autoriteiten tot op heden geen laissez passer aan de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) hebben verstrekt.

In 2010 en 2011 zijn in totaal circa 65 aanvragen om afgifte van laissez passer bij de Eritrese autoriteiten ingediend. In een vijftal zaken zijn nationaliteitsvaststellingen ontvangen, doch voordat de Eritrese autoriteiten tot afgifte van een laissez passer overgaan, dient een tweede presentatie plaats te vinden. In de zaken waarin een nationaliteitsvaststelling had plaatsgevonden, was de bewaring echter reeds opgeheven. In deze zaken heeft derhalve geen tweede presentatie plaatsgevonden. Thans zijn circa 30 aanvragen om afgifte van laissez passer in behandeling bij de Eritrese autoriteiten.

Verder heeft de minister verklaard dat in juli 2010 een vreemdeling vanuit vreemdelingenbewaring is uitgezet naar Eritrea met gebruikmaking van de laissez passer waarmee hij was aangetroffen.

De minister heeft tevens uiteengezet dat in juli 2010 een missie naar Eritrea heeft plaatsgevonden, waarbij onder meer is gesproken over de mogelijkheden voor terugkeer naar Eritrea en over verbeteringen met betrekking tot het proces ten aanzien van de afgifte van laissez passer. In november 2010 heeft de DT&V verslag van deze missie gedaan aan de Eritrese ambassade. Op 20 januari 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen medewerkers van de Nederlandse ambassade en de Eritrese autoriteiten, waarbij de Eritrese autoriteiten hebben bevestigd mee te werken aan vrijwillige terugkeer van Eritrese onderdanen. Op 5 april 2011 is gedurende een gesprek tussen medewerkers van de Nederlandse ambassade en medewerkers van het Eritrese ministerie van Buitenlandse Zaken gesproken over het laissez passertraject, waarbij tevens aandacht is gevraagd voor de lopende aanvragen om afgifte van laissez passer.

2.2.2. De minister is van oordeel dat het algemene gegeven dat tot op heden geen laissez passer aan de DT&V zijn afgegeven niet zonder meer betekent dat ten aanzien van de vreemdeling vanaf de aanvang van de bewaring geen zicht op uitzetting naar Eritrea bestaat. De minister acht daarbij onder meer van belang dat de Eritrese autoriteiten niet te kennen hebben gegeven dat er ten behoeve van gedwongen vertrek geen laissez passer zullen worden verstrekt, dat aanvragen daartoe in behandeling worden genomen en dat de Eritrese autoriteiten in een aantal gevallen aanvragen om afgifte van laissez passer hebben afgewezen, omdat de nationaliteit van de betreffende vreemdelingen niet was komen vast te staan. De minister heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Eritrese autoriteiten geen laissez passer zullen verstrekken indien de vreemdeling juiste en verifieerbare informatie verstrekt. De minister heeft voorts aangevoerd dat niet uit het oog mag worden verloren dat de afgifte van een laissez passer mede afhankelijk is van medewerking van de in bewaring gestelde vreemdeling. Nu de vreemdeling gedurende zijn bewaring niet heeft ingestemd met zijn terugkeer en medewerking aan het invullen van een aanvraag om afgifte van een laissez passer heeft geweigerd, heeft dit volgens de minister niet tot gevolg dat ten aanzien van de vreemdeling geen zich op uitzetting bestond.

2.2.3. Niet in geschil is dat de Eritrese autoriteiten tot op heden aan de DT&V geen laissez passer hebben verstrekt. Het ligt daarom op de weg van de minister voortvarendheid te betrachten bij het intensiveren van de samenwerking met de Eritrese autoriteiten. Uit de in 2.2.1 weergegeven, door de minister verstrekte, informatie, waarvan de feitelijke juistheid niet door de vreemdeling is bestreden, volgt dat in 2010 en 2011 op diplomatiek niveau inspanningen zijn en worden verricht, dat er overleg plaatsvindt met de Eritrese autoriteiten met betrekking tot de afgifte van laissez passer, dat er thans circa 30 aanvragen om afgifte van laissez passer in behandeling zijn en dat de Eritrese autoriteiten in gevallen van nationaliteitsvaststelling zich bereid hebben verklaard tot het houden van een tweede presentatie. Voorts is, naar de minister – eveneens onbestreden – heeft aangevoerd, door de Eritrese autoriteiten niet te kennen gegeven dat zij geen laissez passer zullen verstrekken ten behoeve van gedwongen vertrek. Bij deze stand van zaken bestaat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, thans geen grond voor het oordeel dat het redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Eritrea ontbreekt.

De grief faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Van Leeuwen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

373-699.

Verzonden: 31 augustus 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser