Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201104613/2/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Hoop Mengvoeders B.V. (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie, opslag en verkoop van diervoeders aan de Hummeloseweg 85 te Zelhem. Dit besluit is op 17 maart 2011 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104613/2/H4.

Datum uitspraak: 25 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging Vereniging Leefbaar Wittebrink en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: de Vereniging), gevestigd te Zelhem, gemeente Bronckhorst,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Hoop Mengvoeders B.V. (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie, opslag en verkoop van diervoeders aan de Hummeloseweg 85 te Zelhem. Dit besluit is op 17 maart 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de Vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2011, heeft de Vereniging de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 augustus 2011, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot en mr. D.P.M. Buiysrogge, beiden advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk en J.L. Marcus, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.W. van Noordt Wieringa, [gemachtigden], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.3. De Vereniging betoogt dat het college niet het bevoegd gezag is. Volgens haar moet de inrichting worden aangemerkt als een inrichting als bedoeld in categorie 28, onderdeel 28.4, onder c, sub 1o, van bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb).

2.3.1. Ingevolge categorie 28, onderdeel 28.4, aanhef en onder c, sub 1, van bijlage I behorende bij het Ivb zijn gedeputeerde staten het bevoegde gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het mechanisch, fysisch of chemisch scheiden van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.106 kg per jaar of meer.

2.3.2. Uit de aanvraag is niet eenduidig op te maken dat voornoemde grens van 15.106 kg per jaar niet wordt overschreden. Alvorens de aanvraag in behandeling te nemen, heeft het college navraag gedaan bij vergunninghoudster met betrekking tot de hoeveelheid van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen die binnen de inrichting worden verwerkt. Vergunninghoudster heeft bevestigd dat zij heeft beoogd een inrichting aan te vragen die de grens van 15.106 kg per jaar niet overschrijdt. Gelet hierop mocht het college er naar het oordeel van de voorzitter van uitgaan dat hij het bevoegd gezag is om het bestreden besluit te nemen. De voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. De Vereniging stelt dat de woningen [locaties] ten onrechte zijn aangemerkt als bedrijfswoningen en daarom ten onrechte niet zijn meegenomen in de geluidbeoordeling. Volgens haar zijn deze woningen in het bestemmingsplan bestemd als burgerwoningen.

2.4.1. Voor het antwoord op de vraag of een woning bescherming toekomt tegen geluidhinder, is de planologische situatie niet bepalend. Uit het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport blijkt dat de woningen [locaties] zijn aangevraagd als bedrijfswoningen bij de inrichting. Gelet hierop komen deze woningen geen bescherming toe tegen geluidhinder. Het college heeft de woningen derhalve terecht buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van geluid. De voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. De Vereniging stelt dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden in met name de nachtperiode niet toereikend zijn. Volgens haar is het referentieniveau lager dan de richtwaarden die de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) geeft voor de omgeving van de inrichting en kon het college derhalve geen hogere geluidgrenswaarden stellen op grond van een bestuurlijke afweging.

2.5.1. Het college heeft ter invulling van de aan hem toekomende beoordelingsvrijheid voor de beoordeling van de vanwege de inrichting te duchten geluidhinder hoofdstuk 4 van de Handreiking tot uitgangspunt genomen. In dit hoofdstuk zijn voor een omgeving die moet worden aangemerkt als rustige woonwijk, weinig verkeer, zoals hier aan de orde, richtwaarden voor het geluidniveau opgenomen van 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Overschrijding van deze richtwaarden is, volgens de Handreiking, mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen.

2.5.2. Uit een rapport van Adviesburo Van der Boom van 13 maart 2002 blijkt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid in de nachtperiode tussen 36 dB(A) en 42 dB(A) bedraagt. De in voorschrift 8.1.2 opgenomen geluidgrenswaarden voor de nachtperiode bedragen tussen 27 dB(A) en 40 dB(A) en zijn op geen van de immissiepunten hoger dan het voor die immissiepunten berekende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Gelet hierop heeft het college zich naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 8.1.2 toereikend is om geluidhinder vanwege de inrichting te voorkomen dan wel voldoende te beperken. De voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. De Vereniging stelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor bepaalde woningen in de omgeving van de inrichting van de geurnorm van 1,4 odourunits/m3 als 98-percentiel is afgeweken.

2.6.1. Uit de Nederlandse emissie Richtlijn (hierna: de NeR) volgt voor bestaande situaties een acceptabel hinderniveau voor geurhinder van 1,4 odourunits/m3 als 98-percentiel. Op basis van de lokale situatie kan op grond van paragraaf 2.9.2 van de NeR worden afgeweken van deze geurnorm tot 1,4 odourunits/m3 als 95-percentiel. Voor een aantal woningen heeft het college laatstgenoemde geurnorm aan de vergunning verbonden. Daarbij heeft het college in overweging genomen dat de aangevraagde situatie een verbetering is ten opzichte van de thans vergunde situatie en dat de desbetreffende woningen verspreid liggende woningen in het buitengebied zijn. De voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat het college hiermee onvoldoende gemotiveerd heeft afgeweken van de geurnorm voor bestaande situaties. Het college heeft zich naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde geurnormen toereikend zijn om geurhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. De voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. De Vereniging stelt dat in voorschrift 4.2.3 ten onrechte een termijn van zes maanden is gesteld voor het realiseren van de schoorsteen. Zij vreest dat de productiecapaciteit zal worden uitgebreid vóór het realiseren van de schoorsteen, hetgeen extra geurhinder met zich zal brengen.

2.7.1. Op grond van voorschrift 4.2.3 moet de schoorsteen van de perslijnen 1, 2, 3 en 4 minimaal een hoogte van 31 meter boven maaiveld hebben en een diameter van 1,1 meter. De schoorsteen moet binnen zes maanden na het in werking treden van de vergunning zijn gerealiseerd.

Op grond van voorschrift 4.2.4 mag de productiecapaciteit niet hoger zijn dan 120.00 ton geperste diervoeders totdat de in voorschrift 4.2.3 genoemde maatregelen zijn uitgevoerd.

2.7.2. Uit voornoemde voorschriften volgt dat de productiecapaciteit niet hoger mag zijn dan de op grond van de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor de inrichting geldende vergunning totdat de schoorsteen is gerealiseerd. Hieruit volgt dat gedurende de bouw van de schoorsteen van een toename van de productiecapaciteit geen sprake mag zijn. Voor zover de productiecapaciteit toch toeneemt voor de schoorsteen is gerealiseerd, kan het college op grond van voornoemde voorschriften handhavend optreden. De voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2011

492.