Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
200909137/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reusel-De Mierden bij besluit van 13 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Kleine Hoeven".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909137/1/R3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente

Reusel-De Mierden,

2. [appellant sub 1a] en [appellant sub 2b] (hierna in enkelvoud:

[appellant sub 2]), beiden wonend te [woonplaats], gemeente

Reusel-De Mierden,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reusel-De Mierden bij besluit van 13 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Kleine Hoeven".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2009, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de raad hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, werkzaam bij adviesbureau Het Groene Schild en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad vertegenwoordigd door mr. J.K.J. Boon, C.A.H. Stolwijk, beide werkzaam bij de gemeente, en ing. F.Th. Büchel van Steenbergen, ir. A.A. Michiels en J.J. van den Borne, allen werkzaam bij de SRE Milieudienst, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan ziet voornamelijk op het realiseren van een bedrijventerrein aan de zuidoostelijke kant van Reusel. Het bedrijventerrein zal via de Hamelendijk worden ontsloten naar de Wilhelminalaan, De Hoeven en de Randweg-Oost. Het bedrijventerrein is ongeveer 20 hectare groot, en zal in twee fasen worden gerealiseerd. De zogeheten fase I is 10 hectare groot en omvat percelen met de bestemming "Bedrijven (B)" en "Verkeersdoeleinden (V)". Op dit deel van het bedrijventerrein zullen kavels van minimaal 1.000 en maximaal 5.000 m2 worden uitgegeven. Het andere deel van het bedrijventerrein, de zogeheten fase II, heeft de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)". Bij besluit van 3 juli 2007 is dit plan door het college gedeeltelijk goedgekeurd. Bij uitspraak van 31 december 2008, in zaak nr. 200706492/1, heeft de Afdeling de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen "Bedrijven (B)" en "Verkeersdoeleinden (V)" en "Bedrijven uit te werken (BU)" vernietigd, en goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU). Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat het bestreden besluit wat betreft de aspecten luchtkwaliteit en geluid niet berust op een deugdelijke motivering. Bij het besluit van 6 oktober 2009 heeft het college opnieuw goedkeuring verleend aan de bestemmingen "Bedrijven (B)" en de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)", en goedkeuring onthouden aan de bestemming "Bedrijven (B)" voor zover die ligt binnen de geurcontour overeenkomstig de bij het besluit behorende gewaarmerkte kaart.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat opnieuw onderzoek had moeten worden gedaan naar de behoefte aan het bedrijventerrein. Volgens hem zijn er sinds de uitspraak van 31 december 2008 nieuwe feiten en omstandigheden opgetreden, zoals de economische crisis en nieuwe groeiscenario's van het CPB, die nopen tot een nieuw onderzoek door het college op dit punt. Tot slot betoogt hij dat de behoeftevraag is opgehoogd, door de bedrijven Cotax en Van Cranenbroek, die een ruimtebehoefte van meer dan 5.000 m2 hebben en dus niet thuishoren op het bedrijventerrein, kavels toe te zeggen.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de Afdeling in de uitspraak van 31 december 2008 heeft overwogen dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de behoefte aan bedrijven in het voorliggende bestemmingsplan onvoldoende is aangetoond. Het college heeft geen aanleiding gezien om hierover thans anders te oordelen.

In het deskundigenbericht is vermeld dat uit een gemeentelijke inventarisatie is gebleken dat op 1 april 2009 nog steeds een behoefte aan bedrijfsvloeroppervlakte van ruim 110.000 m2 was. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitkomsten van deze inventarisatie onjuist zijn. De door [appellant sub 1] bedoelde bedrijven staan voorts ofwel niet op de inventarisatielijst, ofwel zijn opgenomen voor maximaal 5.000 m2. Verder is niet aannemelijk dat de economische crisis tot gevolg heeft dat gedurende de planperiode van 10 jaar geen behoefte zal bestaan aan het bedrijventerrein. Gelet hierop, en gezien de betrekkelijk korte periode tussen de uitspraak van de Afdeling en het voorliggende goedkeuringsbesluit, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college zich in niet redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voldoende behoefte is aan het bedrijventerrein.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat onduidelijk is of aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en de geluidgrenswaarden die in de Wet geluidhinder zijn gesteld kan worden voldaan. Zij voeren in dit kader aan dat het geluidonderzoek van 17 juni 2009 en het luchtkwaliteitsonderzoek van 9 juni 2009 niet aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd, aangezien in die rapporten er voor de verkeersintensiteiten op de wegen rond het plangebied van is uitgegaan dat fase I en II in ontwikkeling worden gebracht. In de rapporten is geen inzicht gegeven in de verkeersintensiteiten die enkel fase I van het bedrijventerrein met zich zal brengen. Voorts is geen rekening gehouden met het vrachtverkeer dat als gevolg van de afsluiting van de kom van Arendonk (België) voor vrachtverkeer zwaarder dan 7,5 ton, over De Hoeven zal rijden. Verder is van een onrealistische verdeling van de voertuigen over de wegen rond het plangebied uitgegaan. Voorts betogen zij dat uit het luchtkwaliteitsrapport niet duidelijk blijkt waar de beoordelingspunten 1 tot en met 10 liggen en dat voor beoordelingspunt 11 niet duidelijk is of dit voor alle beschouwde wegen op maximaal 10 meter uit de wegrand is berekend. Met betrekking tot het geluidrapport hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betoogd dat niet inzichtelijk is of alle bestaande woningen in het geluidrapport zijn betrokken en dat uit het rapport niet blijkt welke hogere waarde voor de woning De Hoeven 1a had moeten worden vastgesteld en of maatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelasting op de gevel van die woning te verminderen. Tot slot menen zij dat bij het bepalen van de luchtkwaliteit en de geluidbelasting geen rekening is gehouden met de bedrijven die reeds aanwezig zijn op het bedrijventerrein, zoals een busremise en enkele transportbedrijven.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben verder betoogd dat het luchtkwaliteitsrapport en het geluidrapport ondeugdelijk zijn omdat van een onjuiste typering van het bedrijventerrein en van een onjuiste wegtypering en van onjuiste maximale toegestane snelheden op de wegen De Hoeven en Randweg-Oost is uitgegaan, dat het berekeningsmodel CAR II niet had mogen worden gebruikt, dat niet alle relevante wegen zijn meegenomen, dat geen rekening is gehouden met de vervoersbewegingen die het Kempisch Bedrijvenpark en de afsluiting van de illegale op- en afrit naar de A67 met zich zullen brengen, dat niet alle in de omgeving van het plangebied gelegen veehouderijen zijn meegenomen bij het luchtkwaliteitsonderzoek, en dat de Kleine Hoeven een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder zal moeten ondergaan.

2.4.1. In het deskundigenbericht is vermeld dat in de rapporten van de juiste typering van het bedrijventerrein is uitgegaan en dat ook de juiste toegestane wegsnelheden zijn ingevoerd in de rekenmodellen. Voorts is vermeld dat terecht CAR II is gebruikt als rekenmodel voor de luchtkwaliteit en dat alle relevante veehouderijen en wegen en de extra vervoersbewegingen die het Kempisch Bedrijvenpark en de afsluiting van de illegale op- en afrit naar de A67 zullen genereren, zijn meegenomen in de onderzoeksrapporten. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben deze conclusies niet voldoende gemotiveerd bestreden. Tot slot is in het deskundigenrapport vermeld dat nu het plan niet voorziet in woningen binnen de eventuele geluidzone die langs de Kleine Hoeven ligt geen onderzoek op grond van de Wet geluidhinder behoefde te worden uitgevoerd. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is, en evenmin aannemelijk gemaakt dat een aanvullende toets in het kader van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk was.

2.4.2. Ten aanzien van de overige gronden overweegt de Afdeling als volgt. In de rapporten is er van uitgegaan dat zowel fase I als fase II zullen worden gerealiseerd en dat als gevolg hiervan 6.860 voertuigbewegingen per etmaal extra te verwachten zijn op de wegen rond het plangebied. Bij het besluit van 6 oktober 2009 is evenwel door het college uitsluitend fase I goedgekeurd. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt welke verkeersintensiteiten zullen optreden bij het realiseren van enkel fase I en welke gevolgen dit heeft voor de luchtkwaliteit en de geluidbelasting langs de wegen nabij het plangebied, waaronder de woning De Hoeven 1a. Voorts is in het luchtkwaliteitsrapport en het akoestisch rapport bij de weergave van het plangebied een groot deel van de bestaande bedrijven ten zuiden van De Hoeven niet als onderdeel van het plangebied weergegeven, terwijl deze blijkens de plankaart daar wel deel van uitmaken. Hierdoor is niet inzichtelijk of de verkeersbewegingen van en naar deze bedrijven zijn meegenomen in de berekeningen van de luchtkwaliteit en de geluidbelasting langs de wegen rond het plangebied. Voorts geeft het bestreden besluit er geen blijk van dat is onderzocht in hoeverre de geluidbelasting en de bijdrage aan de concentraties aan zwevende deeltjes (PM10) vanwege de bestaande bedrijven, waaronder een busremise, is meegenomen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen rond het plangebied. Het bestreden besluit is derhalve in zoverre niet met de bij de voorbereiding daarvan te betrachten zorgvuldigheid tot stand gekomen.

2.4.3. Met betrekking tot de afsluiting van de kom van Arendonk voor vrachtverkeer heeft de raad gesteld dat de verkeersprognoses in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitsonderzoek zijn gebaseerd op de uitgangspunten vermeld in het onderzoek "Actualisatie Integraal onderzoek luchtkwaliteit Kempisch Bedrijvenpark en wegomlegging N284" van 26 juni 2008. De raad heeft er op gewezen dat de prognoses voor de verkeersintensiteiten op De Hoeven in dat rapport veel hoger liggen dan de daadwerkelijke jaarlijkse tellingen van de provincie uit 2009. Dit betekent dat in het rapport van 26 juni 2008 de afsluiting van de kom van Arendonk is meegenomen. Verder wijst de raad er op dat de kom van Arendonk sinds begin 2007 is afgesloten, zodat duidelijk is dat in het rapport uit 2008 is gerekend met de extra vrachtwagenbewegingen. Verder stelt de raad dat in paragraaf 3.1.3 van het rapport van 16 juni 2009 is vermeld dat in de gegevens van de Regionale VerkeersMilieuKaart de gevolgen van de afsluiting van de kom Arendonk zijn meegenomen.

De Afdeling overweegt evenwel dat uit het rapport van 16 juni 2009, noch uit het rapport van 26 juni 2008 duidelijk is gebleken dat met de extra vrachtwagenbewegingen rekening is gehouden. Dat de prognoses voor De Hoeven hoger liggen dan de daadwerkelijke tellingen in 2009, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat vast is komen te staan dat de vrachtwagenbewegingen zijn meegenomen. Ook anderszins is door het college niet inzichtelijk gemaakt of de vrachtwagenbewegingen zijn meegenomen, en in hoeverre de aantallen verschillen van de situatie voordat het verbod voor vrachtverkeer voor de kom Arendonk was vastgesteld. Ook in zoverre is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

2.4.4. Met betrekking tot de verdeling van de voertuigen over de wegen De Hoeven, Randweg-Oost en de Wilhelminalaan, overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht is vermeld dat de in het rapport gehanteerde verdeling van 17% via De Hoeven, 56% via de Wilhelminalaan en 27% via de Randweg-Oost niet reëel is, gelet op de omstandigheid dat de meeste bedrijven op het bedrijventerrein ook Bladel als verzorgingsgebied zullen hebben en van De Hoeven gebruik zullen maken om die gemeente te bereiken. In het deskundigenbericht is aangegeven dat daarom een gelijkmatige verdeling van de verkeersintensiteiten over die wegen aannemelijker is. Voorts is vermeld dat de wegen De Hoeven en Randweg Oost onjuist zijn getypeerd ten behoeve van de berekeningen overeenkomstig het CAR II-model. Deze conclusie is niet gemotiveerd bestreden. Nu niet is onderzocht welke gevolgen deze gelijkmatige verdeling voor de geluidbelasting op de woningen en de luchtkwaliteit langs De Hoeven heeft, is het bestreden besluit in zoverre niet zorgvuldig voorbereid.

2.4.5. Met betrekking tot de beoordelingspunten in het luchtkwaliteitsonderzoek overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 de concentraties van onder meer zwevende deeltjes (PM10) worden bepaald op niet meer dan 10 meter van de wegrand. In het luchtkwaliteitsrapport is niet vermeld waar de beoordelingspunten liggen dan wel welke afstanden zijn aangehouden. Het betoog van de raad ter zitting dat het beoordelingspunt 11 in ieder geval op 10 meter van de weg ligt en dit punt dus maatgevend moet worden geacht, kan de Afdeling niet volgen, nu uit het rapport niet blijkt waar precies langs de vier wegen rond het plangebied beoordelingspunt 11 ligt, en waarom de ligging van dit beoordelingspunt als maatgevend moet worden beschouwd. Nu niet duidelijk uit het luchtkwaliteitsonderzoek blijkt waar de gekozen beoordelingspunten liggen, en waarom die maatgevend moeten worden geacht, is naar het oordeel van de Afdeling evenmin duidelijk of de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) zullen worden nageleefd. Het bestreden besluit is daarom in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu de raad inmiddels bij besluit van 20 juli 2010 een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld voor de plandelen waaraan het college goedkeuring heeft verleend, ziet de Afdeling aanleiding om zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan de plandelen met de bestemming "Bedrijven (B)" en "Verkeer (V)". Nu aan het besluit van 20 juli 2010 voorts een andere geurnorm ten grondslag heeft gelegen dan aan het thans ter beoordeling staande plan, ziet de Afdeling geen aanleiding om de gronden die [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd met betrekking tot de geurbelasting op het bedrijventerrein in de onderhavige zaak te bespreken.

2.6. Het college op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 6 oktober 2009, kenmerk 1246430/1586653, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Bedrijven (B)" en de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)";

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II genoemde plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

- bij [appellant sub 1] tot een bedrag van € 1.275,81 (zegge: twaalfhonderdvijfenzeventig euro en eenentachtig cent), waarvan € 1.092,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- bij [appellant sub 1a] en [appellant sub 2] tot een bedrag van € 1.275,81 (zegge: twaalfhonderdvijfenzeventig euro en eenentachtig cent), waarvan € 1.092,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1a] en [appellant sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Helvoort

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

361.