Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201008335/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Onthaalpoort Visdonk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008335/1/R3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Roosendaal, en anderen,

en

de raad van de gemeente Roosendaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Onthaalpoort Visdonk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2010, beroep ingesteld.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2011, waar [appellant] en anderen, bij monde van mr. J.J.C.M. Willemen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen en ing. R.E.S.S. Vliex, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan beoogt een aantal ontwikkelingen in het gebied rondom Visdonk mogelijk te maken, waaronder de oprichting van een horecavoorziening en de aanleg van een parkeerterrein ten zuiden van de woningen van [appellant] en anderen.

2.2. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Horeca - 4" heeft vastgesteld, nu dit plandeel in strijd is met het provinciale en gemeentelijke beleid.

Zij voeren aan dat in strijd is gehandeld met het provinciale beleid uit het Uitwerkingsplan "Brabantse buitensteden en Woensdrecht" (hierna: Uitwerkingsplan). Hiertoe voeren zij aan dat door opname van de bestemming "Horeca - 4" geen verbetering van het landschappelijke raamwerk plaatsvindt.

Verder voeren zij aan dat de bestemming "Horeca - 4" in strijd is met het intergemeentelijke beleid uit de "StructuurvisiePlus Bergen op Zoom-Roosendaal" (hierna: Structuurvisie), nu deze alleen bebouwing toestaat die bijdraagt aan het functioneren van de hoofdfuncties natuur en landbouw.

De raad miskent naar de mening van [appellant] en anderen voorts dat de door de raad beoogde horecavoorziening wat betreft aard en omvang niet binnen de omgeving past.

2.2.1. Het gebied kenmerkt zich volgens het Uitwerkingsplan door gemengd gebruik. Het is een kleinschalig, relatief open landschap waar beperkte ontwikkelingsruimte is voor landbouw. Het Uitwerkingsplan staat verweving voor waarbij gedacht wordt aan een stedelijk uitloopgebied en versterking van natuur en landschap. Door middel van landschappelijke, ecologische en recreatieve ontwikkelingen is het de bedoeling om een geleidelijke overgang naar het stedelijk gebied mogelijk te maken. Voor zover hier van belang, is toevoeging van enige bebouwing toegestaan, mits dit leidt tot een verbetering van het landschappelijk raamwerk.

De Structuurvisie vormt een ruimtelijk beleidskader waarmee sturing wordt gegeven aan de regionale ruimtelijke ontwikkelingen. In de Structuurvisie wordt bebouwing in lage dichtheden voor hoogwaardige bedrijvigheid mogelijk gemaakt, mits het bijdraagt aan het functioneren van de hoofdfuncties natuur en landbouw. Omdat verdere intensivering van de landbouwproductie en schaalvergroting niet mogelijk zijn zonder de natuurwaarden aan te tasten, is de landbouw nevengeschikt aan de landschappelijke, ecologische en recreatieve potenties, aldus de Structuurvisie.

2.2.2. Ten aanzien van het door [appellant] en anderen ter zitting gestelde dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 11.8 van de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011, waarin een specifieke regeling voor horecavoorzieningen buiten bestaand stedelijk gebied is gegeven, overweegt de Afdeling dat aan dit betoog voorbij moet worden gegaan omdat deze regeling op 1 maart 2011, na de vaststelling van het thans voorliggende plan, in werking is getreden. Het beroep op deze bepaling kan niet slagen, nu de raad daarmee bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat in strijd met het Uitwerkingsplan is gehandeld, wordt overwogen dat de raad niet gebonden is aan het provinciale beleid. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

Het plangebied ligt in het gebied Visdonk ten zuiden van de stad Roosendaal. Binnen het plan wordt de ontwikkeling van een gedenkbos, een speelbos, een bezoekersvoorziening, een parkeerterrein en een horecavoorziening mogelijk gemaakt. Nu de in het plan mogelijk gemaakte horecavoorziening bij de entree van het gebied Visdonk zowel in de nabijheid van het stedelijk gebied als van het speelbos en het gedenkbos is gesitueerd, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt gesteld dat een geleidelijke overgang en een verbetering van het landschappelijk raamwerk als bedoeld in het provinciale beleid zich hier voordoet.

Gegeven voorts de rol die in de Structuurvisie is toebedacht aan recreatieve potenties, de situering van het bedrijf bij de ingang van het gebied alsmede de omvang van dat gebied ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met de Structuurvisie heeft gehandeld.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in de door [appellant] en anderen aangevoerde gronden geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de besluitvorming, voor zover het betreft de bestemming "Horeca - 4", onvoldoende rekening heeft gehouden met het provinciale beleid, noch dat de raad in strijd met het gemeentelijke beleid heeft gehandeld.

2.3. [appellant] en anderen betogen voorts dat de beoogde horecavoorziening volgens de Staat van Horeca-activiteiten een zogenoemde categorie 3 voorziening is. Hiertoe voeren zij aan dat de horecavoorziening ook 's nachts open zal zijn en een groot aantal bezoekers zal aantrekken. Onduidelijk is met welke intensiteit gebruik zal worden gemaakt van de feestzaal als onderdeel van de horecavoorziening, maar aangenomen kan worden dat de feestzaal vaker dan incidenteel zal worden gebruikt. Daarbij hebben zij er op gewezen dat het gaat om de verplaatsing van een bestaand horecabedrijf dat zich ook nu al profileert als een partycentrum.

2.3.1. Ten behoeve van de toelaatbaarheid van de horecavoorziening is een Staat van Horeca-activiteiten gehanteerd. Hierin is onderscheid gemaakt in lichte, middelzware en zware horeca.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Horeca - 4" aangewezen gronden bestemd voor horecabedrijven voor zover deze voorkomen in categorie 1a, 1b, 1c en 2 van de Staat van Horecabedrijven (bedoeld is Staat van Horeca-activiteiten).

Blijkens de Staat van Horeca-activiteiten, als opgenomen in artikel 16 van de planregels, dient onder categorie 2 middelzware horeca te worden verstaan; hierbij gaat het om horecabedrijven die ook delen van de nacht geopend zijn en daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken. Onder meer zalenverhuur, zonder regulier gebruik ten behoeve van feesten, muziek- en dansevenementen, is onder deze categorie opgenomen.

Onder categorie 3 dient op grond van deze Staat zware horeca te worden verstaan; hierbij gaat het om horecabedrijven die voor een goed functioneren ook 's nachts geopend zijn en die tevens een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich kunnen brengen. Een partycentrum, met regulier gebruik ten behoeve van feesten, muziek- en dansevenementen, voor zover hier van belang, is onder deze categorie opgenomen.

2.3.2. Niet in geschil is dat horecabedrijven uit categorie 3 zich niet mogen vestigen op de gronden met de bestemming "Horeca - 4". In de bij het bestreden besluit behorende zienswijzenbehandeling Onthaalpoort Visdonk stelt de raad zich op het standpunt dat de beoogde horecavoorziening Catszand, met onder andere een buitenrestaurant en -terras, een wezenlijk andere functie zal vervullen dan het thans bestaande Catszand als partycentrum. Zalenverhuur ten behoeve van recepties, feesten, partijen en bruiloften is slechts incidenteel toegestaan, waarbij de raad ter zitting tevens heeft gesteld dat de exploitant ervan op de hoogte is dat alleen categorie 2 activiteiten zijn toegestaan. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling geweest de verplaatsing van Catszand "1 op 1" te laten verlopen. Beoogd is een wezenlijk andere functie. In hetgeen [appellant] en anderen op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding hieraan te twijfelen. Voor zover [appellant] en anderen menen dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan de feitelijk uit te oefenen activiteiten van de horecavoorziening niet toestaat, zal, zoals de raad ook ter zitting heeft gesteld, onder die omstandigheden een verzoek om handhaving kunnen worden ingediend. Het betoog faalt.

2.4. Naar stellen van [appellant] en anderen is bij de beoordeling van de geluidsituatie rond de horecavoorziening ten onrechte niet uitgegaan van richtwaarden voor een landelijke omgeving. Hiertoe was aanleiding, omdat de beoogde horecavoorziening in het buitengebied wordt gevestigd en de woningen van [appellant] en anderen zich in de directe nabijheid van deze horecavoorziening bevinden.

2.4.1. De raad heeft bij de beantwoording van de vraag of met de komst van de inrichting ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat aansluiting gezocht bij de "Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening 1998" en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit). Blijkens de stukken heeft de raad een grenswaarde van 45 dB(A), 40 dB(A) onderscheidenlijk 35 dB(A) voor het equivalente geluidniveau voor de dag-, avond- en onderscheidenlijk nachtperiode aangehouden, nu naar zijn mening de omgeving van de inrichting moet worden gekarakteriseerd als een rustige woonwijk met weinig verkeer.

Gelet op de aanwezigheid van een woonwijk ten noorden van de inrichting, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de aard van de in aanmerking te nemen omgeving onjuist heeft gekwalificeerd. Het betoog faalt.

2.4.2. Voorts betogen [appellant] en anderen dat het plan, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Horeca - 4" en de daaraan grenzende bestemming "Verkeer", in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zijn vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat de raad ten aanzien van de akoestische gevolgen van de komst van de horecavoorziening zijn oordeel heeft gebaseerd op een ondeugdelijk en onvolledig akoestisch onderzoek. Ter onderbouwing van dit betoog hebben [appellant] en anderen een rapport, opgesteld door Wematech Milieu Adviseurs B.V. (hierna: rapport Wematech) van 24 augustus 2010, overgelegd.

2.4.2.1. In het kader van de vaststelling van het plan is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Greten Raadgevende Ingenieurs. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Nieuwbouw landhuis Visdonk te Roosendaal" (hierna: rapport Greten) van november 2009. Verder is door de Regionale Milieudienst West-Brabant een akoestisch onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Onthaalpoort Visdonk te Roosendaal" (hierna: rapport Milieudienst) van januari 2010.

Uit het rapport Greten komt naar voren dat wanneer de geadviseerde akoestische maatregelen, namelijk het sluiten van alle ramen en deuren en het aanbrengen van geluiddempers op de luchtbehandelings- en ventilatievoorzieningen, worden toegepast, de exploitabele binnenniveaus in de feestzaal aan de normen van het Activiteitenbesluit voldoen.

Bij het opstellen van het rapport Greten is geen rekening gehouden met de geluidsoverlast ten gevolge van het parkeerterrein en de verkeersaantrekkende werking van het plan "Onthaalpoort Visdonk". Deze geluidsoverlast is in het rapport Milieudienst apart aan de orde gekomen.

Uit het rapport Milieudienst komt naar voren dat de geluidbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking met maximaal 1 dB toeneemt ter plaatse van bestaande woningen in de directe nabijheid van het plangebied, maar dat de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde blijft.

2.4.2.2. In het door [appellant] en anderen aangehaalde rapport Wematech wordt allereerst aangegeven dat niet kan worden vastgesteld of de geluidbelasting van de installaties verwaarloosbaar is, nu onduidelijk is in hoeverre de luchtbehandelings- en/of ventilatievoorzieningen tijdens warm weer ook gedurende de avond- en nachtperiode draaien.

2.4.2.3. In het rapport Greten is de uitkomst gegeven van geluidbelasting op de omgeving ten gevolge van geluidproducerende activiteiten in de nieuw te realiseren horecavoorziening. Uit de berekeningen volgt dat, uitgaande van het representatieve binnenniveau, niet aan de normen van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Om deze reden dienen de luchtbehandelings en/of de ventilatievoorzieningen zodanig te worden voorzien van geluiddempers, dat de bijdrage van deze installaties op de totale geluiduitstraling verwaarloosbaar wordt. De Afdeling acht niet aannemelijk dat deze geluiddempers niet binnen de horecavoorziening kunnen worden geplaatst dan wel dat de aan te brengen geluiddempers niet tot resultaat hebben dat de bijdrage van de luchtbehandelings en/of de ventilatievoorzieningen op de totale geluiduitstraling verwaarloosbaar wordt.

2.4.2.4. Verder dienen volgens het door [appellant] en anderen aangehaalde rapport Wematech de berekende geluidniveaus als gevolg van de activiteiten op het parkeerterrein en vanwege de feesten en partijen in de horecavoorziening gecumuleerd te worden, nu het parkeerterrein deel uitmaakt van de horecavoorziening, met als gevolg dat de strafcorrectie van 10 dB(A) dient te worden toegepast op de equivalente geluidbelasting van de gehele inrichting, derhalve inclusief het parkeerterrein. Tevens dient volgens het rapport Wematech geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting op grond van de circulaire van de toenmalige minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de circulaire) te worden meegerekend.

2.4.2.5. Uit de stukken en het gestelde ter zitting is gebleken dat het parkeerterrein niet alleen bedoeld is voor de bezoekers van de horecavoorziening Catszand, maar ook fungeert als geconcentreerd parkeerterrein voor de bezoekers van het gebied Visdonk om van daaruit het natuurgebied in te trekken. Gelet hierop maakt het parkeerterrein geen deel uit van de horecavoorziening, met als gevolg dat de geluidbelasting ten gevolge van de horecavoorziening, neergelegd in het rapport Greten, ingevolge het Activiteitenbesluit niet gecumuleerd hoefde te worden met de geluidbelasting ten gevolge van het parkeerterrein, neergelegd in het rapport Milieudienst. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid overwogen dat een toeslag van 10 dB ingevolge de "Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999" op het gecumuleerde langtijdgemiddeld deelgeluidsniveau vanwege zowel de horecavoorziening als het parkeerterrein niet in rekening hoefde te worden gebracht.

De aan de orde gestelde circulaire heeft betrekking op vergunningsplichtige inrichtingen, waarvan hier geen sprake is. Het wel van toepassing zijnde Activiteitenbesluit bevat geen verplichting om geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting bij de geluidbelasting van de inrichting mee te nemen. Het betoog faalt.

2.4.3. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport Greten en het rapport Milieudienst op onjuiste wijze tot stand zijn gekomen dan wel anderszins ondeugdelijk zijn. Evenmin geeft het door hen aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat de raad aan het besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Horeca - 4" en de daaraan grenzende bestemming "Verkeer" onjuiste maatstaven heeft gelegd.

Dit neemt echter niet weg dat het plan zich wel moet verdragen met een goede ruimtelijke ordening. In het kader daarvan dient te worden nagegaan of en in hoeverre het woon- en leefklimaat ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen ten noorden van het plangebied door geluidhinder vanwege de horecavoorziening en indirecte geluidhinder van en naar deze inrichting kan worden beïnvloed. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op onder meer de uitkomsten van het rapport Greten en het rapport Milieudienst, de geluidbelasting vanwege de horecavoorziening ter plaatse van de hierboven genoemde woningen dusdanig van aard is dat dit geluid gemaskeerd wordt ten gevolge van verkeersbewegingen op het parkeerterrein. Door [appellant] en anderen is niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Nu ter zitting tevens door de raad is aangegeven dat er aan de noordzijde van het parkeerterrein een geluidwerende voorziening wordt aangebracht in de vorm van een scherm, acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat het woon- en leefklimaat door geluidhinder vanwege de horecavoorziening en indirecte geluidhinder van en naar deze inrichting niet zodanig zal worden beïnvloed dat het plan zich daarom niet verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] en anderen hebben zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.6. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Horeca - 4" en de daaraan grenzende bestemming "Verkeer", strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

45-709.