Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201008057/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Vughterpoort" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Besluit externe veiligheid inrichtingen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/5617
JOM 2012/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008057/1/R3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend onderscheidenlijk gevestigd te 's-Hertogenbosch (hierna in enkelvoud: [appellant]),

en

de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Vughterpoort" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2011, waar [appellanten], van wie [appellant] in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door G.A.M. van der Doelen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

De aanduiding "wro-zone-wijzigingsbevoegdheid 4"

2.1. Het beroep van [appellant] richt zich in de eerste plaats tegen de in het plan opgenomen aanduiding "wro-zone-wijzigingsbevoegdheid 4", waarmee wordt voorzien in de mogelijkheid de bestemming "Bedrijf" en "Groen" te wijzigen in, voor zover hier van belang, de bestemming "Wonen". Hij voert hiertoe aan dat er geen akoestisch onderzoek is verricht, terwijl deze wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid biedt om geluidsgevoelige objecten te bouwen binnen de bestaande geluidszone langs de spoorweg.

2.1.1. De raad betoogt dat ter plaatse van de gebiedsaanduiding "wro-zone-wijzigingsbevoegdheid 4" op de gronden waar nu de bestemmingen "Bedrijven" en "Groen" rusten, geen hoofdbebouwingsvlakken mogelijk worden gemaakt. De gronden zijn bedoeld voor tuin waarop alleen bebouwing op basis van de erfbebouwingsregeling is toegestaan.

2.1.2. Ingevolge artikel 15, onder b, van de planregels, kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming van het gebied, ter plaatse van de aanduiding "wro-zone-wijzigingsbevoegdheid 4", wijzigen in de bestemming "Wonen", zoals is opgenomen in artikel 11 van de planregels, met inachtneming van de volgende regels:

1. er mogen in dit gebied geen hoofdbebouwingsvlakken worden gesitueerd.

2. op deze gronden is alleen de bij de bestemming "Wonen" behorende erfbebouwingsregeling van toepassing.

Ingevolge artikel 11, lid 11.2, onder 11.2.3, voor zover hier van belang, mogen op het erf bouwwerken geen gebouwen zijnde en bijgebouwen in de vorm van aan- en uitbouwen van het hoofdgebouw of in de vorm van vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd, ten dienste van de bestemming.

2.1.3. Voor het plandeel waaraan de aanduiding "wro-zone-wijzigingsbevoegdheid 4" is toegekend, is geen onderzoek gedaan naar de akoestische situatie. Gelet op de afstand van het hoofdbebouwingsvlak tot aan de gronden die op de verbeelding zijn aangeduid met "wro-zone-wijzigingsbevoegdheid 4", zijn bijgebouwen in de vorm van aan- en uitbouwen van het hoofdgebouw feitelijk niet mogelijk. Alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde en bijgebouwen in de vorm van vrijstaande bijgebouwen ten dienste van de bestemming "Wonen" worden door gebruikmaking van deze wijzigingsbevoegdheid feitelijk mogelijk gemaakt. Derhalve wordt geen woning als waarvoor op grond van artikel 4.3 van het Besluit geluidhinder een akoestisch onderzoek ingesteld dient te worden, op het bestreden plandeel mogelijk gemaakt. Het betoog faalt.

De aanduiding "brug (br)"

2.2. [appellant] kan zich voorts niet verenigen met de aanduiding "brug (br)" ter plaatse van de bestemmingen "Verkeer" en "Verkeer - Railverkeer". Hij voert hiertoe aan dat geen onderzoek is gedaan naar mogelijke alternatieven voor een brug, zoals een tunnel onder het spoor. Tevens voert hij aan dat de brug het ruimtelijk aanzicht van de Isabellalaan en de omgeving zal verstoren en dat het gebruik van de brug zal leiden tot een aantasting van de privacy van omwonenden. Bovendien diende de raad het vastgestelde plan na de wijziging van de maximale hoogte van de brug van 12 m naar 10 m opnieuw ter inzage te leggen. Voorts betoogt [appellant] dat in het bestemmingsplan ten onrechte geen nadere beperkingen aan de omvang en andere uitvoeringsaspecten van de brug zijn gesteld. Ter zitting heeft [appellant] hieraan toegevoegd dat geen lamellen worden aangebracht op de zijkant van de inmiddels gebouwde brug, ter voorkoming van de inkijk in de woningen.

2.2.1. De raad betoogt dat bij de beoordeling van de ingediende zienswijzen gemotiveerd is ingegaan op de bezwaren tegen de brug. De mogelijkheid van een tunnel is ter advisering voorgelegd aan de commissie Ruimtelijke Ordening en Beheer. Vanwege de sociale veiligheid en vanuit financieel oogpunt heeft de raad, conform het advies van de commissie, gekozen voor een brug. De raad heeft mede naar aanleiding van de door [appellant] ingediende zienswijze besloten de maximale hoogte van de brug van 12 m terug te brengen naar 10 m. De consequentie hiervan was echter dat geen lamellen op de brug konden worden aangebracht. Ter zitting heeft de raad nog aangegeven dat de maximale hoogte van 10 m bij de vaststelling van het plan abusievelijk niet ook in artikel 8 van de planregels is opgenomen.

2.2.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder g, van de planregels, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor een brug ter plaatse van de aanduiding "brug (br)" in de bestemming.

Ingevolge lid 8.2, onder 8.2.2, onder c, mag binnen deze bestemming ter plaatse van de aanduiding "brug (br)" een brug voor langzaam verkeer over de spoorweg en randweg worden gebouwd met een maximale hoogte van 12 m.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Verkeer - Railverkeer" aangewezen gronden bestemd voor een brug ter plaatse van de aanduiding "brug (br)" in de bestemming.

Ingevolge lid 9.2, onder 9.2.2, onder d, mag binnen deze bestemming ter plaatse van de aanduiding "brug (br)" een brug voor langzaam verkeer over de spoorweg en randweg worden gebouwd die maximaal 10 m hoog is, gemeten ten opzichte van de bovenkant van de spoorstaaf.

2.2.3. De Afdeling overweegt ten aanzien van het betoog dat het plan opnieuw ter inzage diende te worden gelegd, dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. De wijziging van de maximale hoogte van de brug van 12 m naar 10 m is naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt.

Verder overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De raad heeft in de Nota zienswijzen verwezen naar het door het college van burgemeester en wethouders op 6 juni 2006 genomen wegonttrekkingsbesluit, waarin varianten, waaronder de voetgangerstunnel, zijn onderzocht naar aanleiding van de wegonttrekking van de Isabellalaan. Gelet op de hogere kosten die verbonden zijn aan de bouw van een tunnel alsmede de grotere sociale onveiligheid van een tunnel, acht de Afdeling het besluit van de raad tot de bouw van een voetgangersbrug ter plaatse van de Isabellalaan niet onredelijk.

De raad heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de privacy niet ernstig wordt aangetast, nu de afstand tussen het begin van de oprit naar de brug en de meest nabijgelegen woning op de Willem van Oranjelaan ongeveer 20 m is en tussen de brug en de woningen een groenstrook is gelegen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, voor zover al mogelijk, nadere voorwaarden had moeten stellen aan de brug. De keuze om de hoogte van de brug terug te brengen naar 10 m ten koste van de mogelijkheid lamellen aan te brengen, is evenmin onredelijk te achten.

In de omstandigheid dat in artikel 8, lid 8.2, onder 8.2.2, van de planregels ten onrechte 12 m in plaats van 10 m is blijven staan, ziet de Afdeling, waar de feitelijke hoogte van de brug door de hoogteaanduiding op andere punten wordt ingeperkt tot 10 m, geen aanleiding het bestemmingsplan in zoverre te vernietigen. Het betoog faalt.

De bestemming "Verkeer - Railverkeer"

2.3. Het beroep van [appellant] is tenslotte gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer - Railverkeer". Dit beroep betreft een plandeel dat, in tegenstelling tot wat de raad heeft betoogd, in een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze is bestreden.

2.3.1. [appellant] betoogt dat de raad het plan, voor zover het betreft de bestemming "Verkeer - Railverkeer", onzorgvuldig heeft vastgesteld. Hij voert hiertoe aan dat de raad ten onrechte geen oog heeft gehad voor de toekomstige ontwikkelingen op het spoor. Daarnaast voert hij aan dat niet is voldaan aan de verantwoordingsplicht met betrekking tot het groepsrisico en dat de raad bij zijn beoordeling van het plaatsgebonden risico ten aanzien van gevaarlijke stoffen die over het spoor worden vervoerd ten onrechte de resultaten van een berekening die is gemaakt in het kader van een andere planontwikkeling, heeft betrokken bij het bestreden besluit.

2.3.2. Anders dan [appellant] stelt, maakt het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer - Railverkeer", geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Verder heeft dat besluit in zoverre geen betrekking op een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet milieubeheer, nu het een doorgaand spoor betreft. Voor zover [appellant] betoogt dat op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) de gevolgen van het plan voor de externe veiligheid hadden moeten worden beoordeeld met betrekking tot het nabijgelegen spoor, wijst de Afdeling er op dat uit artikel 2, eerste lid, van het Bevi volgt dat een doorgaand spoor niet onder het toepassingsbereik van dat besluit valt. Het Bevi en de daarin vervatte bepalingen met betrekking tot de verantwoording van het groepsrisico en de berekening van het plaatsgebonden risico van een inrichting, zijn derhalve niet van toepassing.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Wro, elk bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening. Niet aannemelijk is gemaakt dat de raad de situatie ter plaatse vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar had moeten achten. In dit verband is mede in aanmerking genomen dat het plan ter plaatse geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt en de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat in het kader van het ontwerp Basisnet Spoor door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is aangegeven dat ter plaatse binnen de veiligheidszone van het spoor geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en er geen overschrijdingen van de oriënterende waarde van het groepsrisico zijn. Het betoog faalt.

Conclusie

2.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

45-709.