Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201100003/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft het college [appellant A] onder oplegging van een dwangsom gelast om alle voertuigen ten behoeve van zijn [bedrijf A] op het perceel [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel), als weergegeven op het bijgevoegde kaartje als locaties A. en B., te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100003/1/H1.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), wonend te Kapel-Avezaath, gemeente Tiel,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 14 december 2010 in zaak nrs. 10/3514 en 10/3817 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft het college [appellant A] onder oplegging van een dwangsom gelast om alle voertuigen ten behoeve van zijn [bedrijf A] op het perceel [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel), als weergegeven op het bijgevoegde kaartje als locaties A. en B., te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de last om alle aanhangwagens en trailers te verwijderen en het besluit van 22 oktober 2009 herroepen, in die zin dat het is toegestaan om maximaal 10 aanhangwagens en/of trailers als handelsvoorraad op te slaan op locatie B.

Bij uitspraak van 14 december 2010, verzonden op 20 december 2010, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 3 augustus 2010 vernietigd, voor zover daarin is nagelaten aan [appellant] een vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar toe te kennen. De voorzieningenrechter heeft deze proceskostenvergoeding alsnog toegekend en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De voorzieningenrechter heeft het besluit voor het overige in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2011, waar [appellant], bijgestaan door A.M. van Laar, werkzaam bij Vanel Advies te Hoogland, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Geleijnse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom heeft betrekking op de opslag van aanhangwagens op het perceel, ten behoeve van het aldaar gevestigde detailhandelsbedrijf [bedrijf A].

2.2. Ingevolge het ten tijde van belang ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1983" rust op het perceel de bestemming "Handel en nijverheid klasse A".

Artikel 1, aanhef en onder t, van de planvoorschriften luidt:

In deze voorschriften en regelen wordt verstaan onder "detailhandel" het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan de uiteindelijke gebruiker of verbruiker.

Artikel 24, eerste lid, luidt:

De op de kaart voor "Handel en nijverheid klasse A" aangewezen grond is bestemd voor:

a. gebouwen ten dienste van handel en nijverheid, voor zover deze niet ten dienste zijn van detailhandel, met uitzondering van detailhandel - als ondergeschikte activiteit - in produkten welke ter plaatse geheel of gedeeltelijk geproduceerd dan wel bewerkt worden, niet zijnde detailhandel in textiel, schoeisel en lederwaren, voedings- en genotmiddelen en huishoudelijke artikelen;

b. bewoning middels een daartoe dienende dienstwoning, noodzakelijk voor toezicht en/of beheer, met daartoe behorende garage, hobbyruimten en bergruimten;

c. overheids- en nutsbedrijven;

d. opslag-, los- en laadplaatsen, parkeergelegenheid, verhardingen ten dienste van interne verkeersdoeleinden, erven, tuinen, groenaanleg, andere bouwwerken en andere werken.

Artikel 55, eerste lid, luidt:

Het is verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het gebruik van het perceel voor de opslag van aanhangwagens niet in strijd is met de op het perceel rustende bestemming "Handel en nijverheid klasse A". Hij voert daartoe aan dat hij voor het gebruik van het perceel voor detailhandel in 1995 schriftelijk toestemming heeft gekregen van het college. Voorts voert hij aan dat artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften niet bepaalt dat opslag niet is toegestaan voor zover dit opslag ten behoeve van detailhandel betreft.

2.3.1. [appellant] draagt terecht voor dat op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, opslag als zodanig op het perceel is toegestaan. Het gaat hier echter niet om opslag als zodanig, maar om detailhandel die wordt uitgevoerd op het perceel, ten behoeve waarvan die opslag plaatsvindt.

Nu detailhandel niet onder opslag kan worden begrepen, was het college bevoegd om handhavend op te treden zoals het heeft gedaan met het besluit van 3 augustus 2010. Dat, zoals [appellant] betoogt, hij voor het uitvoeren van detailhandel in 1995 schriftelijke toestemming heeft gekregen van het college, maakt niet dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden, nu deze toestemming was beperkt tot het uitstallen ten voorraad van 10 aanhangwagens en het college bij het besluit van 3 augustus 2010 deze schriftelijke toestemming heeft gerespecteerd.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college met het besluit tot het opleggen van de dwangsom in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Hij voert daartoe aan dat hij er, gelet op de lange tijd dat het college het gebruik van het perceel heeft toegestaan, op mocht vertrouwen dat niet handhavend zou worden opgetreden. Daarnaast wijst [appellant] op enkele brieven van ambtenaren van het college, waaruit naar zijn mening volgt dat is toegezegd dat in afwachting van het nieuwe bestemmingsplan niet zou worden opgetreden.

[appellant] betoogt voorts dat het college in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft daartoe een aantal naar zijn mening vergelijkbare gevallen in de gemeente naar voren gebracht waarin het college volgens hem, in tegenstelling tot in zijn geval, niet optreedt.

2.4.1. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 8 oktober 2008 in zaak nr. 200800761/1), nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

De door [appellant] genoemde brief van 25 april 2005 en het e-mailbericht van 29 juni 2007 van ambtenaren van het college, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. In deze stukken valt niet te lezen dat is toegezegd dat handhaving mogelijk eerst zou plaatsvinden nadat het nieuwe bestemmingsplan "Kleine kernen Bergakker" zou zijn vastgesteld. Deze brieven houden ook geenszins een expliciete toezegging in voor legalisering van het gebruik in dit nieuwe bestemmingsplan. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling vormt verder het enkele tijdsverloop, ongeacht de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien.

2.4.2. Wat betreft de door [appellant] genoemde, naar zijn mening vergelijkbare gevallen, heeft het college met betrekking tot het caravanbedrijf op het perceel Provincialeweg 12, onweersproken gesteld dat dit bedrijf de bestemmingsplanvoorschriften niet overtreedt, nu het gebruik door dit bedrijf eerder door middel van een verleende vrijstelling was toegestaan en inmiddels in het nieuwe bestemmingsplan is gelegaliseerd. Onweersproken is voorts de stelling van het college dat het gebruik dat de autobedrijven C & T Cars B.V., [bedrijf B] en [autobedrijf] maken van de percelen Kwelkade 61, [locatie 2] en [locatie 3], evenmin overtredingen inhouden, nu dit gebruik niet in strijd is met de daar geldende bestemmingen en de benodigde vergunningen zijn verleend. Ten aanzien van het door [appellant] in hoger beroep naar voren gebrachte autobedrijf op het perceel Zoelensestraat 39, heeft het college, eveneens onweersproken, gesteld dat het strijdige gebruik aldaar van recente datum is en dat daar inmiddels tegen wordt opgetreden.

De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze gevallen niet vergelijkbaar zijn met de situatie van [appellant], dan wel onvoldoende vergelijkbaar zijn om tot het oordeel te leiden dat het college in dit geval van de handhaving had moeten afzien.

De betogen falen.

2.5. [appellant] betoogt tenslotte tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Dat, naar [appellant] stelt, de handhaving hem en zijn gezin in hun financiële belangen raakt, leidt niet tot dat oordeel. Het college heeft in redelijkheid aan dit financiële, zakelijke belang van [appellant] geen doorslaggevend gewicht toegekend. Het betoog van [appellant] dat het belang van de handhaving beperkt is, nu het college slechts kan optreden tegen het meerdere aan gestalde aanhangwagens dan hem in 1995 is toegestaan en de ruimtelijke uitstraling daarvan gering is, wordt evenmin gevolgd. Uit foto's in het dossier van de situatie ter plaatse blijkt dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat de ruimtelijke uitstraling van de deels gestapelde opslag van aanhangwagens op het perceel aanzienlijk is.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

414-641.