Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6337

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201010207/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2008 heeft het CBR [appellante] verplicht mee te werken aan een Educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010207/1/H3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te IJsselstein,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 augustus 2010 in zaken nrs. 08/3129 en 09/3078 in het geding tussen:

[appellante]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2008 heeft het CBR [appellante] verplicht mee te werken aan een Educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA).

Bij besluit van 18 september 2008 (hierna: besluit I) heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en deels ongegrond, het besluit van 28 maart 2008 herzien en [appellante] verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid.

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het CBR het rijbewijs van [appellante] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 21 september 2009 (hierna: besluit II) heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakt bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 augustus 2010, verzonden op 10 september 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] tegen besluit I ingestelde beroep ongegrond verklaard, het door [appellante] tegen besluit II ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het CBR opgedragen om binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak een nieuw besluit op het door [appellante] tegen het besluit van 7 juli 2009 gemaakte bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 7 december 2010.

De rechtbank heeft de uitspraak van 31 augustus 2010 op 15 november 2010 gerectificeerd.

Bij besluit van 25 november 2010 (hierna: besluit III) heeft het CBR, uitvoering gevend aan de uitspraak van de rechtbank, het door [appellante] tegen het besluit van 7 juli 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, dat besluit ambtshalve herroepen en geweigerd de door [appellante] gemaakte kosten in bezwaar te vergoeden.

Tegen besluit III heeft [appellante] bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 5 januari 2011, beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep bij brief van 27 mei 2011 doorgezonden aan de Afdeling.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2011, waar [appellante], bijgestaan door mr. L. Demmer, advocaat te IJsselstein, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) is het een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, eerste volzin, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge het vierde lid, eerste volzin, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, eerste volzin, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling maatregelen rijvaardigheid) wordt een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw indien betrokkene op grond van artikel 8, tweede lid, niet in aanmerking komt voor een EMA.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, besluit het CBR tot oplegging van een EMA indien betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de Wvw.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, komt betrokkene niet in aanmerking voor de EMA indien hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt.

In bijlage 1 zijn feiten dan wel omstandigheden opgenomen, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid dan wel lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, waarbij onder paragraaf B, onder I, onder h, is vermeld: betrokkene verklaart geneesmiddelen te hebben ingenomen die, al dan niet in combinatie met alcohol, de rijvaardigheid beïnvloeden.

Ingevolge artikel 2 van Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling eisen geschiktheid) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In de bijlage is in paragraaf 10.5 vermeld: Personen die behandeld worden met barbituraten zijn ongeschikt. Personen die benzodiazepinen gebruiken met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid (categorie III) zijn ongeschikt. Personen die - in een therapeutische dosis - benzodiazepinen gebruiken die geen tot matig negatieve invloed hebben op de rijvaardigheid (categorie I en II), kunnen geschikt worden verklaard. Voor middelen uit categorie II geldt dat er bij chronisch gebruik een week na de start van de behandeling ongeschiktheid is.

2.2. Het CBR heeft [appellante] verplicht mee te werken aan een EMA, omdat het op 6 februari 2008 een melding heeft ontvangen van de regiopolitie Brabant-Noord, waaruit volgt dat [appellante] heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wvw. Het CBR heeft in besluit I het door [appellante] gemaakte bezwaar krachtens artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, gelezen in verbinding met artikel 8, tweede lid, aanhef en onder d, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid, gegrond verklaard voor zover de bezwaren zijn gericht tegen die verplichting, omdat [appellante] op de hoorzitting van 7 augustus 2008 te kennen heeft gegeven medicatie te gebruiken, te weten 10 mg morfine, 20 mg oxazepam, 75 mg lyrica, 20 mg pariet en artratek. Het CBR heeft [appellante] bij besluit I tevens vanwege het medicijngebruik verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid.

Bij besluit II heeft het CBR het door [appellante]gemaakte bezwaar, gericht tegen het ongeldig verklaren van haar rijbewijs, kennelijk ongegrond verklaard. Volgens dat besluit volgt uit het verslag van het onderzoek naar de geschiktheid van 10 februari 2009 dat [appellante] alcohol misbruikte ten tijde van haar aanhouding door de politie, maar was aannemelijk dat zij ten tijde van het onderzoek langer dan een jaar gestopt was met dat misbuik. Het CBR heeft evenwel het door [appellante] tegen het besluit van 7 juli 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard omdat uit het verslag van het onderzoek naar de geschiktheid volgt dat [appellante] (onder meer) twee maal daags 10 mg oxazepam gebruikt. Voor dat geneesmiddel geldt volgens het CBR dat geen auto mag worden gereden bij chronisch gebruik tot en met 50 mg overdag en dat bij gebruik tot en met 50 mg voor de nacht tot 16 uur daarna geen auto mag worden gereden.

Nadat de rechtbank besluit II had vernietigd, heeft het CBR bij besluit III het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2009 opnieuw ongegrond verklaard, omdat zij ten tijde van het nemen van het besluit van 7 juli 2009 twee maal daags 10 mg oxazepam gebruikte, waarbij zij geen auto mocht rijden. Dit is volgens het CBR ook duidelijk in dat besluit vermeld. Het CBR heeft het besluit van 7 juli 2009 evenwel bij besluit III ambtshalve herroepen omdat [appellante] op 8 november 2010 een verklaring van haar huisarts heeft overgelegd waaruit volgt dat zij geen oxazepam meer gebruikte maar temazepam.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] niet heeft betwist dat zij op het moment dat zij door de politie werd aangehouden onder invloed van alcohol verkeerde en dat niet in geschil is dat bij haar een langdurige chronische lichamelijke stoornis bestaat, waarin op korte termijn geen zodanige verbetering valt te verwachten dat zij zonder problemen aan een EMA kan deelnemen. Volgens de rechtbank mocht het CBR zich daarom op het standpunt stellen dat [appellante] zich diende te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid en mocht zij bij besluit I het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaren.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit II gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat het CBR [appellante] ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. Zij heeft voorts geoordeeld dat de rechtsgevolgen van besluit II niet in stand konden worden gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in het verslag van het onderzoek naar de geschiktheid wordt geconcludeerd dat [appellante] alcohol heeft misbruikt, maar dat die conclusie niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat zij geen oordeel kan geven over het verzoek om het CBR te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding, omdat het CBR een nieuw besluit dient te nemen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het CBR zich in dat besluit dient uit te laten over het verzoek om schadevergoeding.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank de redelijke termijn heeft overschreden, nu zij op 29 oktober 2008 een eerste beroepschrift heeft ingediend, op 30 oktober 2009 een tweede beroepschrift heeft ingediend, en de rechtbank pas op 31 augustus 2010 uitspraak heeft gedaan. Voorts klopt de datering van de uitspraak volgens haar niet, omdat zij op 6 september 2010 telefonisch heeft geïnformeerd of de uitspraak reeds gereed was en haar toen werd medegedeeld dat die nog geschreven diende te worden.

2.4.1. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134).

2.4.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1, is in zaken zoals deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de in 2.4.1. vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze termijnen gerechtvaardigd te achten.

Nu de behandeling van het beroep bij de rechtbank niet meer dan twee jaar heeft geduurd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de redelijke termijn heeft overschreden.

2.4.3. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank niet is gedaan op de datum die op de uitspraak is vermeld. Hetgeen [appellante] aanvoert, is onvoldoende om dat oordeel te kunnen dragen.

Het betoog faalt.

2.5. Volgens [appellante] is de rechtbank buiten de omvang van het geding getreden door het besluit tot oplegging van de EMA uitgebreid te behandelen. Haar beroep tegen besluit I was echter alleen gericht tegen de ongegrondverklaring van haar bezwaar. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte miskend dat het CBR haar ten onrechte heeft verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijgeschiktheid. Zij is door de politierechter vrijgesproken van de verdenking dat zij zou hebben geweigerd te blazen bij een alcoholonderzoek en het CBR had daar niet aan voorbij mogen gaan, aldus [appellante]. Voorts is er volgens haar sprake van rechtsongelijkheid omdat het van een individuele politieagent afhangt of iemand wordt onderworpen aan een onderzoek naar de geschiktheid.

2.5.1. [appellante] heeft in beroep gronden aangevoerd die zich richtten tegen het onderdeel van besluit I waarin het CBR het standpunt innam dat haar terecht een EMA was opgelegd. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door dat onderdeel van het besluit te bespreken.

De rechtbank is er kennelijk en terecht van uitgegaan dat het CBR [appellante] in beginsel op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid mocht verplichten mee te werken aan een EMA. Het CBR heeft op 6 februari 2008 een melding ontvangen van de regiopolitie Brabant-Noord, inhoudende dat zij heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wvw. Deze mededeling wordt onder meer ondersteund door het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 7 februari 2008, kenmerk PL2176/08-116361. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juli 2010 in zaak nr. 201000947/1/H3), mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd bestaat geen grond om van dit beginsel af te wijken, nu zij niet heeft gemotiveerd waarom de inhoud van het proces-verbaal onjuist zou zijn.

[appellante] heeft bij de hoorzitting van 7 augustus 2008 in het kader van het door haar gemaakte bezwaar te kennen gegeven niet te kunnen deelnemen aan de EMA vanwege een whiplash. Het CBR heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder d, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid niet in aanmerking komt voor een EMA en dat zij zich in plaats daarvan op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van die Regeling dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijgeschiktheid.

Het beroep van [appellante] op rechtsongelijkheid moet worden verworpen, reeds omdat zij niets concreets heeft aangevoerd met betrekking tot de handelwijze van de politie in andere, vergelijkbare gevallen.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR ten onrechte haar rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Volgens haar volgt uit het verslag van het onderzoek naar de rijgeschiktheid dat zij heeft ondergaan dat zij geen alcoholmisbruik pleegt. Voorts is dat onderzoek slechts gericht geweest op het gebruik van alcohol en niet op het gebruik van medicijnen. De rechtbank heeft miskend dat het CBR het verslag van het onderzoek naar de geschiktheid daarom niet aan besluit II ten grondslag mocht leggen, aldus [appellante]. Verder is de rechtbank voorbij gegaan aan de gronden die zij heeft aangevoerd tegen het aan besluit II ten grondslag leggen van haar medicijngebruik. Volgens [appellante] heeft de rechtbank verder miskend dat haar gebruik van oxazepam niet voldoende was om het ongeldig verklaren van haar rijbewijs bij besluit II in stand te laten.

2.6.1. De rechtbank heeft besluit II, waarbij het rijbewijs van [appellante] ongeldig is verklaard, vernietigd en voorts geoordeeld dat de rechtsgevolgen van dat besluit niet in stand konden worden gelaten omdat in het verslag van het onderzoek naar de geschiktheid wordt geconcludeerd dat [appellante] alcohol heeft misbruikt, maar die conclusie niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen. De rechtbank is daarbij niet ingegaan op hetgeen het CBR ten grondslag heeft gelegd aan besluit II, te weten het medicijngebruik van [appellante]. Een beoordeling van het hiertegen gerichte beroep van [appellante] zou echter voor haar niet tot een gunstiger resultaat leiden, gelet op hetgeen hierna in 2.10.1 is overwogen met betrekking tot het medicijngebruik. Haar beroep leidt daarom in zoverre niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.7. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten het CBR in de door haar geleden schade te veroordelen. Nu de rechtbank haar beroep tegen besluit II gegrond heeft verklaard, was daar naar haar oordeel ruimte toe.

2.7.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2007 in zaak nr. 200702918/1 volgt dat, indien het bestuursorgaan een nieuw besluit dient te nemen omdat het bestreden besluit wordt vernietigd, en niet duidelijk is hoe dat besluit zal luiden, de bestuursrechter mag overwegen dat het niet mogelijk is om vast te stellen of, en zo ja, in welke omvang schade is geleden ten gevolge van het vernietigde besluit. Voorts volgt uit die uitspraak dat de bestuursrechter daarbij dient te bepalen dat het bestuursorgaan bij het nieuw te nemen besluit het verzoek om schadevergoeding in acht neemt. De rechtbank heeft dat laatste gedaan, maar heeft daarbij evenwel nagelaten om op het verzoek om schadevergoeding te beslissen en dat verzoek af te wijzen.

Het betoog slaagt.

2.8. De rechtbank heeft volgens [appellante] miskend dat het CBR de verschillende besluiten ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het CBR heeft aan de verschillende besluiten uiteenlopende motiveringen ten grondslag gelegd, waardoor het voor [appellante], zo betoogt zij, onduidelijk was op welke gronden het CBR tot haar besluiten is gekomen.

2.8.1. Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de (primaire) besluiten van 28 maart 2008 en 7 juli 2009 onvoldoende zijn gemotiveerd, geldt dat die besluiten niet ter toets van de rechtbank voorlagen. De rechtbank kon en hoefde zich geen oordeel te vormen over de motivering van die besluiten.

Voorts is niet van belang dat de motivering van besluit I afweek van de motivering van het besluit van 28 maart 2008 en dat de motivering van besluit II afweek van dat van 7 juli 2009. Ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaats. Deze heroverweging stelt het bestuursorgaan in staat eventuele gebreken te herstellen, waaronder motiveringsgebreken. Voorts is het standpunt dat door de voorzitter van de bezwaarschriftencommissie werd gegeven bij de hoorzitting van 11 oktober 2010 niet van belang voor de vraag of besluit II deugdelijk is gemotiveerd, reeds omdat die hoorzitting na het nemen van besluit II plaatsvond.

Het betoog faalt.

2.9. Bij besluit van 25 november 2010 heeft het CBR, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellante] gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet geheel aan de bezwaren van [appellante] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellante], gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.10. [appellante] betoogt dat het CBR zich in besluit III ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het CBR terecht het rijbewijs van [appellante] op grond van haar gebruik van oxazepam ongeldig heeft verklaard. Volgens haar miskent het CBR dat zij ten tijde van het besluit van 7 juli 2009 niet twee maal daags oxazepam gebruikte. Het CBR heeft voorts ten onrechte besloten niet de door haar gemaakte kosten voor de behandeling van het bezwaar te vergoeden, aldus [appellante]. Verder heeft het CBR het besluit van 7 juli 2009 herroepen, maar was [appellante] niet duidelijk of zij haar rijbewijs weer terug zou krijgen. De informatie die [appellante] hierover in een brief van het CBR heeft gehad, staat haaks op de informatie die zij telefonisch van het CBR heeft gekregen. Voorts heeft het CBR besluit III niet tijdig genomen, aldus [appellante]. De rechtbank had een termijn van zes weken gesteld, maar die termijn is met ruim zes weken overschreden.

2.10.1. Het CBR mocht ervan uitgaan dat [appellante] twee maal daags 10 mg oxazepam gebruikte, nu dit stond vermeld in het verslag van het onderzoek naar de geschiktheid en het medicijngebruik voorts door [appellante] is gemeld bij de hoorzitting van 7 augustus 2008. Voorts is door [appellante] erkend, in haar beroepschrift gericht tegen besluit III, dat uit het geneesmiddelenoverzicht van 14 oktober 2010 blijkt dat zij twee maal daags 10 mg oxazepam voorgeschreven heeft gekregen. Hiertegenover komt onvoldoende betekenis toe aan de - niet met nader bewijs gestaafde - verklaring van [appellante] dat zij dit medicijn niet dagelijks slikte, maar slechts zo nu en dan als slaapmiddel gebruikte. Deze verklaring omtrent het doel van het gebruik van oxazepam wijkt overigens af van het doktersvoorschrift, dat gezien de voorgeschreven inname van 2 doses per dag niet op gebruik als een slaapmiddel zag. Gelet hierop heeft het CBR zich terecht op het standpunt gesteld dat het besluit van 7 juli 2009 niet onrechtmatig was en dat daarom geen aanleiding bestond de door [appellante] gemaakte kosten voor de behandeling van het bezwaar te vergoeden. Opmerking verdient nog dat het CBR ter zitting van de Afdeling te kennen heeft gegeven dat [appellante] een verzoek tot een zelfstandig schadebesluit kan indienen en dat het CBR dit verzoek inhoudelijk zal beoordelen.

Dat het CBR besluit III niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn heeft genomen, maakt niet dat dat besluit niet rechtsgeldig is. [appellante] had rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen het uitblijven van een besluit.

Voorts ligt slechts het besluit ter toets voor en niet hetgeen het CBR nadien aan [appellante] omtrent dat besluit heeft medegedeeld. Het betoog van [appellante] over de onduidelijkheid van de informatie over besluit III kan daarom niet leiden tot gegrondverklaring van het tegen dat besluit gerichte beroep.

Het betoog faalt.

2.11. Het hoger beroep van [appellante] is gegrond, voor zover dat is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten op het verzoek van [appellante] om schadevergoeding vanwege de vernietiging van besluit II te beslissen. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de aangevallen uitspraak, voor zover die is vernietigd. De uitspraak van de rechtbank dient voor het overige, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.12. Het CBR dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

2.13. Een redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 52, vijfde lid, van die wet - het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellante] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 augustus 2010 in zaken nrs. 08/3129 en 09/3078, voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten op het verzoek van [appellante] om schadevergoeding vanwege de vernietiging van het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 21 september 2009, kenmerk 2008006081/WvO, te beslissen;

II. vernietigt die uitspraak in zoverre;

III. wijst het onder I vermelde verzoek af;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;

V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige;

VI. veroordeelt de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 911,40 (zegge: negenhonderdelf euro en veertig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en dr. M.W.C. Feteris, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

280-622.