Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6336

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201002097/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2004 heeft het college geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een woning op het perceel, plaatselijk bekend [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 6:24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/377
JB 2011/220
JOM 2011/735
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002097/1/H1.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, en [appellant C], wonend te Wassenaar (hierna: [appellant] e.a.), appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 augustus 2007 in zaak nr. 05/3584 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2004 heeft het college geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een woning op het perceel, plaatselijk bekend [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 23 augustus 2007 heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] gemaakte beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college opnieuw op het bezwaar beslist, dat ontvankelijk en gegrond verklaard en het besluit van 15 december 2004 herroepen.

Tegen de uitspraak van de rechtbank hebben [appellant] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij], [appellant] e.a. en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2011, waar [appellant] e.a., in persoon en bijgestaan door mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Meijer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. G.C.W. van der Feltz, advocaat te 's-Gravenhage, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant A] en [appellante B] zijn eigenaren en bewoners van de woning op het perceel aan de [locatie 2]. Ten tijde van de aangevallen uitspraak was [appellant C] hiervan eigenaar en bewoner. Het perceel Nieuw [locatie 2] ligt naast het perceel.

2.2. [appellant C] was ten tijde van het instellen van hoger beroep geen eigenaar meer van het perceel [locatie 2]. Nu ook anderszins niet is gebleken dat hij nog rechtstreeks in zijn belang wordt geraakt door het besluit van 14 december 2004, is het hoger beroep, voor zover ingesteld door de [appellant C], dan ook niet-ontvankelijk.

2.3. [appellant A] en [appellante B] worden als huidige eigenaren en bewoners van het perceel [locatie 2] wel rechtstreeks in hun belang geraakt door het besluit van 14 december 2004. Zij treden als rechtsopvolger onder bijzondere titel in de positie die de [appellant C] voorheen innam.

De indiening van het hoger beroep buiten de daarvoor gestelde termijn, kan [appellant A] en [appellante B] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet worden verweten. Zij werden eerst op 18 februari 2010 bekend met de aangevallen uitspraak, terwijl zij acht dagen daarna hoger beroep hebben ingesteld. De uitspraak is niet aan de [appellant C] verzonden omdat hij niet als partij aan het geding heeft deelgenomen. Ook van de daaraan voorafgaande besluiten was hij niet op de hoogte, noch behoorde hij dat te zijn. Van het verzoek om vrijstelling van [wederpartij] is geen kennis gegeven in een huis-aan-huis blad. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de aanvraag om bouwvergunning of een ontwerpbesluit om wel vrijstelling te verlenen, hoefde dat ook niet.

Het hoger beroep, voor zover het door [appellant A] en [appellante B] is ingesteld, is dan ook ontvankelijk.

2.4. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat voor het realiseren van een woning op het perceel een vrijstelling nodig is. Zij voeren daartoe aan dat op het perceel geen bebouwing is toegestaan omdat op de plankaart een cirkel ontbreekt.

2.4.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Herziening Plassengebied" rust op het perceel de bestemming "Woongebied, villa's".

Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor wonen in vrijstaande woningen.

Ingevolge artikel 6.3 mag op deze gronden één hoofdgebouw worden gebouwd - op het bouwperceel waar op de kaart een cirkel is aangegeven - met dien verstande dat:

a. het bebouwingspercentage - met inbegrip van het grondoppervlak aan bijgebouwen - maximaal 30% mag bedragen van het bouwperceel;

b. bij een oppervlak van het bijbehorend bouwperceel kleiner dan 1000 m² het bebouwd oppervlak - inclusief alle bijgebouwen - maximaal 120 m² mag bedragen;

c. bij een oppervlak van het bijbehorend bouwperceel groter dan 1000 m² het bebouwd oppervlak - inclusief alle bijgebouwen - maximaal 160 m² mag bedragen.

2.4.2. Ingevolge de aanhef van artikel 6.3 van de planvoorschriften mag slechts een hoofdgebouw worden gebouwd op bouwpercelen waar op de kaart een cirkel is weergegeven. Uit dat voorschrift noch uit de omschrijving van een cirkel in de legenda van de plankaart als "de vestigingsplaats van een woning", volgt dat een cirkel slechts de plaats op het perceel aanduidt waar mag worden gebouwd. Nu op de plankaart op het perceel een cirkel ontbreekt, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het bestemmingsplan zich niet verzet tegen de bouw van een woning daarop.

Anders dan de rechtbank, valt niet in te zien dat de voorschriften van het bestemmingsplan bij de hiervoor weergegeven uitleg van artikel 6.3 innerlijk tegenstrijdig of zinledig zijn. De bestemming "Woongebied, villa's", noch de doeleindenomschrijving in artikel 6.1, aanhef en onder a, dwingen tot de uitleg dat ook een vrijstaande woning mag worden gebouwd op percelen waar een cirkel ontbreekt. De bestemming en artikel 6.1, aanhef en onder a, blijven voor die percelen van betekenis omdat zij alleen ten behoeve van de bestemming "Woongebied, villa's", bijvoorbeeld als tuin, mogen worden gebruikt. De in artikel 6.3 opgenomen voorschriften ten aanzien van het bouwen zijn van betekenis voor het bouwen van hoofdgebouwen op percelen waarop wel een cirkel is weergegeven en eventueel voor het bouwen van bijgebouwen op percelen waar dat niet het geval is.

2.5. De rechtbank heeft aan haar beslissing echter tevens ten grondslag gelegd dat het college bij het besluit van 31 mei 2005 het door [wederpartij] tegen het besluit van 14 december 2004 gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft terecht heeft overwogen dat het college heeft miskend dat artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet betrekking heeft op besluiten tot verlening van een vrijstelling, maar niet op besluiten om zodanige vrijstelling te weigeren, zodat het zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] tegen het besluit van 14 december 2004 eerst bezwaar kon maken nadat het had besloten omtrent een bouwvergunning voor een woning op het perceel. De rechtbank is daarom, zij het deels op andere gronden, tot het juiste oordeel gekomen dat het beroep van [wederpartij] gegrond is en het besluit van het college van 31 mei 2005 voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door de [appellant C], is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant A] en [appellante B], is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het college is opgedragen om met inachtneming van die uitspraak opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] te beslissen.

2.7. Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] beslist. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt ook dat besluit voor vernietiging in aanmerking.

2.8. Het college dient opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] te beslissen, maar nu met inachtneming van deze uitspraak.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingesteld door [appellant C];

II. verklaart het hoger beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant A] en [appellante B] gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 augustus 2007 in zaak nr. 05/3584, voor zover daarbij het college is opgedragen om met inachtneming van die uitspraak opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] te beslissen;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren van 25 september 2007, op schrift gesteld bij brief van 3 oktober 2007, kenmerk B/76203/070926;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het verzet en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1311,00 (zegge: dertienhonderdenelf euro), geheel toe te reken aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro), voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Huijben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

313-414.