Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201008507/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het college de bij besluit van 12 augustus 2003 aan [appellante] verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals gewijzigd bij besluit van 2 februari 2010, voor een inrichting voor het verkopen van brandstoffen en het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan motorvoertuigen op het perceel [locatie] te Purmerend, ingetrokken. Dit besluit is op 19 juli 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.25
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/2530
JOM 2011/755
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008507/1/M1.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Purmerend,

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het college de bij besluit van 12 augustus 2003 aan [appellante] verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals gewijzigd bij besluit van 2 februari 2010, voor een inrichting voor het verkopen van brandstoffen en het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan motorvoertuigen op het perceel [locatie] te Purmerend, ingetrokken. Dit besluit is op 19 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amstelveen, en het college, vertegenwoordigd door L.J.P. Rog, A. Azzouz en S.Y. den Dopper, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat het besluit tot intrekking van de vergunning voor inwerkingtreding van de Wabo niet onherroepelijk was.

In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Bestreden besluit

2.2. Bij het bestreden besluit heeft het college de bij besluit van 12 augustus 2003 verleende vergunning, zoals gewijzigd bij besluit van 2 februari 2010, ingetrokken. Het college heeft de vergunning van 12 augustus 2003, voor zover deze betrekking heeft op de verkoop en opslag van LPG ingetrokken, omdat niet wordt voldaan aan de in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: de Revi) genoemde afstandseis van 25 meter vanaf de ondergrondse LPG-tank tot een kwetsbaar object. Het college heeft de vergunning voor het overige ingetrokken, omdat de inrichting na beëindiging van de verkoop van LPG volgens het college niet langer vergunningplichtig is.

Ontvankelijkheid

2.3. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is voor zover dit ziet op de bevoegdheid van het college en de vergunningplicht van de inrichting.

2.3.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

De beroepsgronden inzake de bevoegdheid van het college en de vergunningplicht van de inrichting hebben geen betrekking op een besluitonderdeel als hiervoor bedoeld. Artikel 6:13 van de Awb staat er dan ook niet aan in de weg dat deze gronden eerst in beroep worden aangevoerd.

Bevoegd gezag

2.4. [appellante] betoogt dat het college niet bevoegd is het bestreden besluit te nemen. [appellante] stelt zich op het standpunt dat voor beantwoording van de vraag welk gezag bevoegd is om de vergunning in te trekken bepalend is welke activiteiten feitelijk in de inrichting plaatsvinden. Volgens [appellante] worden in de inrichting meer dan vier autowrakken opgeslagen en worden er autowrakken bewerkt, nu onderdelen uit niet meer rijdende auto's in andere auto's worden gezet. Dit betekent volgens [appellante] dat in de inrichting activiteiten plaatsvinden waarop de categorieën 28.4, aanhef en onder a, onder 4˚, en 28.4, aanhef en onder d, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: Ivb) van toepassing zijn, zodat niet langer het college het bevoegde gezag is ten aanzien van de inrichting, maar het college van gedeputeerde staten het bevoegde gezag is om de vergunning in te trekken.

2.4.1. Anders dan [appellante] betoogt is voor de vraag welk gezag bevoegd is de vergunning in te trekken niet de feitelijke situatie bepalend. Ook als feitelijk in de inrichting meer dan vier autowrakken worden opgeslagen en autowrakken worden bewerkt als bedoeld in de categorieën 28.4, aanhef en onder a, onder 4˚, en 28.4, aanhef en onder d, van bijlage I bij het Ivb kan dit daarom niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Ook anderszins is de Afdeling niet gebleken dat het college als orgaan dat de vergunning heeft verleend niet het bevoegde gezag was om de vergunning in te trekken.

De beroepsgrond faalt.

Intrekking vergunning voor zover het de verkoop en opslag van LPG betreft

2.5. [appellante] betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte geen vermelding bevat van het artikel van de Wet milieubeheer op grond waarvan de vergunning wordt ingetrokken.

2.5.1. Ingevolge artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt.

2.5.2. In het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, opgemerkt dat de vergunning wordt ingetrokken, omdat de verkoop van LPG binnen de inrichting in strijd is met de Revi. Er wordt niet voldaan aan de in de Revi gestelde afstandseis van minimaal 25 meter tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, nu op 20 meter afstand van het LPG-reservoir een woning is gelegen. Uit het bestreden besluit kan worden afgeleid dat het college zich vanwege deze strijdigheid op grond van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer bevoegd acht om de vergunning in te trekken. Het college heeft in het bestreden besluit weliswaar niet vermeld op grond van welk artikel het bevoegd is de vergunning in te trekken maar nu de reden voor de intrekking van de vergunning duidelijk is weergegeven, is dit onvoldoende grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.6. [appellante] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vergunning moet worden ingetrokken reeds op de grond dat de LPG-installatie niet voldoet aan de op grond van de Revi geldende afstandseis van 25 meter tussen de ondergrondse tank en het dichtstbij gelegen kwetsbare object. Op grond van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer heeft het college immers de bevoegdheid en niet de plicht tot intrekking, aldus [appellante]. Het bestreden besluit ontbeert volgens [appellante] de voor de uitoefening van die bevoegdheid benodigde belangenafweging. Deze had volgens [appellante] in haar voordeel moeten uitvallen, omdat de huidige situatie al 32 jaar bestaat, het om slechts één woning gaat die op minder dan de vereiste afstand van 25 meter van de inrichting ligt en de tank probleemloos kan worden verplaatst.

Het standpunt van het college dat het gemeentebestuur niet bereid is deze verplaatsing planologisch mogelijk te maken, is volgens [appellante] onhoudbaar, omdat het wegbestemmen van de sinds 1978 bestaande installatie bij de vaststelling van het bestemmingsplan "De Purmer 2005" is geschied op grond van de rechtens onjuiste veronderstelling dat het vulpunt van een LPG-installatie na 1 januari 2010 op ten minste 80 meter van een kwetsbaar object zou moeten zijn gelegen. Bij de landelijke inventarisatie bij de voorbereiding van de invoering van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) is de installatie ook niet als een probleemgeval beschouwd, aldus [appellante].

2.6.1. Het college voert aan dat bij het bestreden besluit de belangen naar behoren zijn afgewogen. Het college betoogt dat het op grond van artikel 18, tweede lid, van het Bevi de plicht heeft ervoor zorg te dragen dat de inrichting per 1 januari 2010 voldoet aan de genoemde afstandseis van 25 meter. Wijziging van het bestemmingsplan, om verplaatsing van de LPG-tank mogelijk te maken, biedt volgens het college juist geen oplossing, omdat bij wijziging van het bestemmingsplan niet langer de eisen voor een bestaande situatie van tabel 2a van bijlage 1 bij de Revi, maar de strengere eisen van tabel 1 van bijlage 1 bij de Revi gelden, waaraan in dit geval niet kan worden voldaan.

2.6.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van het Bevi in samenhang met artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, van het Bevi, artikel 9, tweede lid, onder a, van de Revi en tabel 2a van bijlage 1 bij de Revi, voor zover hier van belang, draagt het bevoegd gezag, onverminderd artikel 17, tweede lid, van het Bevi er zorg voor dat, indien op het tijdstip van inwerkingtreding van het Bevi de afstand vanaf het ondergronds reservoir van een LPG-tankstation waarvan de doorzet van LPG tussen 500-1.000 m³ per jaar bedraagt, tot een kwetsbaar object kleiner is dan 25 meter, zo spoedig mogelijk na dat tijdstip doch uiterlijk 1 januari 2010 wordt voldaan aan de afstand van 25 meter.

2.6.3. Niet in geschil is dat op grond van het Bevi in samenhang met de Revi een afstandseis geldt van minimaal 25 meter tussen het tot de inrichting behorende ondergrondse reservoir voor LPG en een kwetsbaar object in de zin van het Bevi. Voorts is niet in geschil dat zich op 20 meter afstand van het tot de inrichting behorende ondergrondse reservoir voor LPG een kwetsbaar object in de zin van het Bevi bevindt. Ingevolge de in overweging 2.6.2 vermelde artikelen is het college gehouden ervoor zorg te dragen dat per 1 januari 2010 wordt voldaan aan de afstandseis van 25 meter. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich een ontoelaatbare situatie als bedoeld in artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer voordoet.

Met de in de Revi genoemde afstandseis is een zwaarwegend milieubelang gemoeid, te weten dat van de externe veiligheid. Ten aanzien van het betoog van [appellante] dat het college ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat de saneringssituatie bij wijziging van het bestemmingsplan "De Purmer 2005" gemakkelijk kan worden opgelost door verplaatsing van de tank, en het gemeentebestuur ten onrechte niet meewerkt aan wijziging van dit bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat in deze procedure dient te worden uitgegaan van het vigerende bestemmingsplan. Niet in geschil is dat dit plan aan verplaatsing van de tank in de weg staat. Tegen de achtergrond hiervan ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot intrekking van de vergunning van 12 augustus 2003, voor zover deze betrekking heeft op de verkoop en opslag van LPG, heeft kunnen overgaan.

De beroepsgrond faalt.

Intrekking vergunning voor zover het de overige activiteiten betreft

2.7. [appellante] voert aan dat de intrekking van de vergunning, in elk geval voor zover deze op de gehele vergunning betrekking heeft, onjuist is, omdat de inrichting ook zonder de verkoop en opslag van LPG vergunningplichtig blijft.

2.7.1. Het college heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat de inrichting, anders dan waarvan het is uitgegaan in het bestreden besluit, vergunningplichtig blijft. Ter zitting heeft het college opgemerkt dat daarom ten onrechte de gehele vergunning is ingetrokken. Het bestreden besluit is gelet hierop, voor zover het niet de intrekking van de vergunning voor de verkoop en opslag van LPG betreft, in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

De beroepsgrond slaagt.

Slotoverweging

2.8. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen te worden vernietigd, voor zover dit niet ziet op de intrekking van vergunning van 12 augustus 2003, zoals gewijzigd bij besluit van 2 februari 2010, voor de verkoop en opslag van LPG.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Purmerend van 6 juli 2010, kenmerk MV10-015, voor zover dit niet ziet op de intrekking van vergunning van 12 augustus 2003, zoals gewijzigd bij besluit van 2 februari 2010, voor de verkoop en opslag van LPG;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Purmerend aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Schoppers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

578.