Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6331

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201012586/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van de bouw van een bedrijfswoning ter plaatse van de aan de Vissersweg ongenummerd te Appeltern gelegen inrichting, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/708
Milieurecht Totaal 2012/2532
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012586/1/M2.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), allen wonend te Appeltern, gemeente West Maas en Waal,

en

het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van de bouw van een bedrijfswoning ter plaatse van de aan de Vissersweg ongenummerd te Appeltern gelegen inrichting, afgewezen.

Bij besluit van 16 november 2010 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Arnhem ingekomen op 13 december 2010, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep doorgezonden naar de Raad van State.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Hendriks, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het in de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij brief van 22 juni 2010 heeft [appellant] het college verzocht om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van de bouw van een bedrijfswoning ter plaatse van de aan de Vissersweg ongenummerd te Appeltern gelegen inrichting. Volgens [appellant] is de bouw van de bedrijfswoning, voor zover hier van belang, in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

Het college heeft bij het bestreden besluit het gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ongegrond verklaard. Volgens het college dient het verzoek van 22 juni 2010 te worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het college wijst in dit verband op de verzoeken van 10 november 2009 en 20 november 2009 waarin ook om het toepassen van handhavingsmiddelen ten aanzien van de inrichting aan de Vissersweg ongenummerd is verzocht. Deze verzoeken om toepassing van handhavingsmiddelen zijn bij besluiten van 16 december 2009 en 22 december 2009 afgewezen.

2.3. [appellant] voert aan dat het verzoek om handhaving van 22 juni 2010 geen herhaalde aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de bouw van de bedrijfswoning, waarmee op 21 juni 2010 is aangevangen, is aan te merken als een nieuw feit als bedoeld in dit artikel ten opzichte van de verzoeken om handhaving van 10 november 2009 en 20 november 2009.

2.3.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.3.2. Bij brief van 10 november 2009 heeft [appellant] het college verzocht om het toepassen van handhavingsmiddelen ten aanzien van de inrichting aan de Vissersweg ongenummerd, omdat de voor de inrichting verleende milieuvergunning van 22 september 2006 zou zijn komen te vervallen nu niet binnen drie jaar na het verlenen van de vergunning de gehele inrichting is opgericht. Bij brief van 20 november 2009 heeft [appellant] het college verzocht om het toepassen van handhavingsmiddelen ten aanzien van de inrichting aan de Vissersweg ongenummerd in verband met de vernietiging door de Afdeling van het bestemmingsplan "Buitengebied Walstraat 9 - Vissersweg ong.". Niet in geschil is dat ten tijde van de verzoeken van 10 november 2009 en 20 november 2009 nog geen aanvang was gemaakt met de bouw van de bedrijfswoning. Het verzoek van 22 juni 2010 ziet daarom op een andere activiteit dan de verzoeken van 10 november 2009 en 20 november 2009. Reeds gelet hierop is het verzoek van 22 juni 2010 niet aan te merken als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat dit verzoek bij het bestreden besluit ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht is afgewezen. Het college had dienen te onderzoeken of de bouw van de bedrijfswoning in strijd is met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. Het college heeft zich onder meer ter zitting op het standpunt gesteld dat ook wanneer het verzoek van 22 juni 2010 niet is aan te merken als een herhaalde aanvraag, terecht is afgezien van het toepassen van handhavingsmiddelen, omdat de bouw van de bedrijfswoning niet in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is. Volgens het college betreft de bouw van de bedrijfswoning geen vergunningplichtige activiteit, reeds nu in de woning geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden en de woning geen milieugevolgen met zich brengt. Volgens het college was het daarom niet bevoegd om handhavingsmiddelen toe te passen. De Afdeling ziet gelet op deze stelling van het college aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

2.4.1. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de bouw van de bedrijfswoning in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is. Volgens [appellant] maakt de woning deel uit van de inrichting en is de bij besluit van 22 september 2006 voor de inrichting verleende milieuvergunning onder meer wat de bij de inrichting vergunde bedrijfswoning betreft komen te vervallen, omdat deze woning niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning is gebouwd en in gebruik genomen.

2.4.2. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

Ingevolge artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, is het verboden zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

2.4.3. De bij besluit van 22 september 2006 voor de inrichting aan de Vissersweg ongenummerd verleende milieuvergunning ziet onder meer op een bedrijfswoning. Niet in geschil is dat deze bedrijfswoning niet binnen drie jaar is voltooid en in werking gebracht. De vergunning is daarom op grond van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover het de bedrijfswoning betreft, komen te vervallen.

Voor beantwoording van de vraag of voor de bouw van de woning een milieuvergunning is vereist is van belang of de woning deel uitmaakt van de inrichting. Daarbij is van belang of gelet op de feitelijke situatie tussen de woning en de inrichting technische, organisatorische of functionele bindingen bestaan als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Wanneer de woning deel uitmaakt van de inrichting dient de realisatie van de woning te worden aangemerkt als een verandering van de inrichting als bedoeld in artikel 8.1, onder b, van de Wet milieubeheer.

Het college heeft niet onderzocht of technische, organisatorische of functionele bindingen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer bestaan tussen de woning en de inrichting. Dit blijkt ook niet uit de stukken. Daarom staat niet vast of de woning geen deel uitmaakt van de inrichting en de bouw van de woning niet als een verandering van de inrichting in de zin van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer aangemerkt dient te worden. Gelet hierop staat voorts niet vast dat, zoals het college stelt, het niet bevoegd is om handhavingsmiddelen toe te passen. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen daarom niet in stand blijven.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal van 16 november 2010;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Schoppers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

578.