Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6322

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201101471/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101471/1/H1.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Berg en Terblijt, gemeente

Valkenburg aan de Geul,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 december 2010 in zaak nr. 10/695 in het geding tussen:

[appellant sub 1a] en [appellant sub 2a],

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 16 maart 2010 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen op de aanvraag van [vergunninghouder] van 21 oktober 2009 (lees: 2008), met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college opnieuw ontheffing, nu onder voorwaarden, en bouwvergunning verleend voor het bouwplan.

Bij uitspraak van 22 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 februari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.A.M.C. Goossens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in vergroting van de begane grond van de woning op het perceel aan de achterzijde, met een ruimte die zal dienen als woonkamer.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de voorbereiding van het besluit van 13 april 2010 onzorgvuldig te werk is gegaan. Hij voert daartoe aan dat het college dit besluit ten onrechte heeft genomen zonder dat het voornemen daartoe is gepubliceerd en zonder dat hij in de gelegenheid is gesteld opnieuw zijn zienswijzen kenbaar te maken. Ook is ten onrechte de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Valkenburg aan de Geul niet bij de besluitvorming betrokken, aldus [appellant].

2.2.1. Het door de rechtbank bij uitspraak van 16 maart 2010 vernietigde besluit van 9 juni 2009 is tot stand gekomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2009 in zaak nr. 200801960/1) staat het, in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, aan het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen.

Het college heeft bij de voorbereiding van het besluit van 13 april 2010 niet opnieuw de procedure van afdeling 3.4 van de Awb doorlopen, maar is teruggevallen op de procedure die aan het besluit van 9 juni 2009 ten grondslag lag. Het heeft het besluit van 13 april 2010 genomen, waarbij alsnog de op 28 april 2009 door [appellant] ingediende zienswijze met betrekking tot zijn privacy als gevolg van de door [vergunninghouder] voorgenomen ingebruikname van het dak als zit- en stagelegenheid, is meegewogen. Dit heeft het college ertoe gebracht voorwaarden te verbinden aan de verleende ontheffing.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] door deze handelwijze van het college niet in zijn belangen is geschaad, nu zijn zienswijze van 28 april 2009 met betrekking tot zijn privacy dezelfde strekking heeft als de ter zake naar voren gebrachte beroepsgrond, zodat het opnieuw indienen van een zienswijze op dit punt geen aanvulling had betekend op de reeds ingediende zienswijze van 28 april 2009. De stelling van [appellant] dat het besluit van 13 april 2010 afwijkt van dat van 9 juni 2009, omdat op de tekeningen behorende bij het nieuwe besluit wijzigingen zijn aangebracht, zodat hij mede daarom opnieuw in de gelegenheid had moeten worden gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken, wordt niet gevolgd, nu bij de bestudering van de tekeningen ter zitting van die gestelde afwijkingen niet is gebleken. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de tekening behorende bij de brief van 20 april 2010 slechts als voorbeeldschets is bedoeld en geen onderdeel uitmaakt van het besluit van 13 april 2010. Dat aan de ontheffing van 13 april 2010 voorwaarden zijn verbonden, leidt niet tot een ander oordeel, nu het college door het stellen van deze voorwaarden aan de bezwaren van [appellant] tegemoet is gekomen.

Overigens heeft het college de commissie voor de bezwaarschriften terecht niet gevraagd te adviseren, nu aan het besluit van 9 juni 2009 afdeling 3.4 van de Awb ten grondslag lag en een bezwaarprocedure derhalve niet aan de orde is.

Gezien het vorenstaande heeft het college, anders dan [appellant] betoogt, geen blijk gegeven van onzorgvuldige besluitvorming.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beroepsgronden die hij tegen het besluit van 9 juni 2009 heeft aangevoerd en waarop de rechtbank in haar uitspraak van 16 maart 2010 nog niet is ingegaan, in de procedure tegen het besluit van 13 april 2010 niet meer aan de orde kunnen komen.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de rechtsoordelen in de uitspraak van 16 maart 2010 over de betogen van [appellant], dat sprake zou zijn van één bouwaanvraag, alsmede dat het dakterras moet worden aangemerkt als tweede bouwlaag in de zin van de planvoorschriften, in rechte vast staan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200206222/1) heeft het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg dat, indien in beroep tegen de nieuwe beslissing beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan.

Anders dan [appellant] stelt, heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet overwogen dat de beroepsgronden waarop de rechtbank in de uitspraak van 16 maart 2010 nog niet is ingegaan, in de onderhavige procedure niet meer aan de orde kunnen zijn. De rechtbank heeft deze overige gronden, nu zij deze in de uitspraak van 16 maart 2010 niet heeft besproken en evenmin uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen, relevant geacht en behandeld.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college aan het besluit om ontheffing voor het bouwplan te verlenen, een onredelijke belangenafweging ten grondslag heeft gelegd. Volgens hem heeft het college bij de besluitvorming uitsluitend oog gehad voor de belangen van [vergunninghouder], terwijl hij door het dakterras ernstig in zijn privacybelangen wordt geschaad. Verder acht hij het niet juist dat het college zelf de aan de ontheffing te verbinden voorwaarden met betrekking tot een toekomstig dakterras heeft geformuleerd zonder hem daarin te kennen. Volgens [appellant] zijn dakterrassen in de gemeente naar geldend beleid niet toegestaan.

2.4.1. In de uitspraak van de rechtbank van 16 maart 2010, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, heeft de rechtbank vastgesteld dat [vergunninghouder] voornemens is het bouwplan mede te gaan gebruiken als dakterras. Bij het verlenen van de ontheffing voor het bouwplan dienen de belangen van [appellant] een rol te spelen, aldus de rechtbank. Nu hiervan niet is gebleken heeft de rechtbank het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college aan deze uitspraak gevolg gegeven door aan het besluit de voorwaarden te verbinden dat een toekomstig dakterras minimaal twee meter van de erfafscheiding met het perceel van [appellant] dient te worden aangelegd, waarbij een scheidingswand of privacyscherm van minimaal 1.85 m hoog moet worden aangebracht, en voorts dat dat dakterras niet meer dan 25 m2 mag bedragen en dient te worden afgebakend met een afrastering van de rest van het platte dak. In het besluit is verder bepaald dat indien één van deze voorwaarden niet wordt nagekomen, de ontheffing komt te vervallen.

2.4.2. De aan de ontheffing verleende voorwaarden zijn aan het besluit verbonden met het oog op de bescherming van de privacybelangen van [appellant], zodat niet kan worden staande gehouden dat het college bij de besluitvorming uitsluitend oog heeft gehad voor de belangen van [vergunninghouder]. Er bestaat, anders dan [appellant] stelt, geen grond voor het oordeel dat het college bij het nemen van het besluit van 13 april 2010 niet in redelijkheid tot het formuleren van deze voorwaarden heeft kunnen komen. Voorts is niet aannemelijk geworden dat, zoals [appellant] stelt, gemeentelijk beleid zou gelden dat het realiseren van dakterrassen verbiedt. Het college heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat dakterrassen zijn toegestaan indien de bestemming en de daarbij behorende voorschriften dat toelaten.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat door het verbinden van de voorwaarden aan de ontheffing, de belangen van [appellant] in voldoende mate zijn gewaarborgd.

Ook voor het overige is niet aannemelijk geworden dat aan het besluit van 13 april 2010 een onredelijke belangenafweging ten grondslag ligt.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

374-641.