Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201106290/1/H3 en 201106290/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het college [appellante] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast binnen twee weken na dagtekening van het besluit de woning aan de [locatie 1] (hierna: de benedenwoning) te ontruimen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106290/1/H3 en 201106290/2/H3.

Datum uitspraak: 26 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2011 in zaak nr. 09/5788 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het college [appellante] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast binnen twee weken na dagtekening van het besluit de woning aan de [locatie 1] (hierna: de benedenwoning) te ontruimen.

Bij besluit van 4 december 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 december 2009 vernietigd voor zover daarin voor de ontruiming een termijn van twee weken is gegund, bepaald dat die termijn drie maanden bedraagt en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover dat is vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2011, heeft [appellante] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 augustus 2011, waar [appellante], bijgestaan door mr. H.M. Meijerink, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.M.E. Schuttenhelm, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 5, eerste volzin, van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen voor bewoning.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 2.6.1, eerste lid, van de Partiële Regionale Huisvestingsverordening 2007 voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam (hierna: de huisvestingsverordening) is het verboden, op grond van artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet zonder een huisvestingsvergunning een woonruimte, aangewezen in artikel 2.1.1, in gebruik te nemen voor bewoning.

Ingevolge artikel 2.6.4, zevende lid, wordt per huishouden slechts één huisvestingsvergunning verleend.

2.3. In het bij de rechtbank bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het terecht [appellante] heeft gelast de benedenwoning te ontruimen. Zij beschikte ten tijde van het besluit van 7 mei 2009 over een huisvestingsvergunning voor de woning aan de [locatie 2] (hierna: de bovenwoning) en niet over een huisvestingsvergunning voor de daaronder gelegen benedenwoning. Een vergunning voor de laatstgenoemde woning wordt niet verleend, aldus het college in het bij de rechtbank bestreden besluit. Het heeft zich in dat besluit verder op het standpunt gesteld dat het gegeven dat pas in 2009 tot handhaving is overgegaan, nadat [appellante] in 2003 is aangeschreven over haar onrechtmatige bewoning van de benedenwoning, niet betekent dat van handhaving had moeten worden afgezien. Aan [appellante] is niet toegezegd dat zij de benedenwoning niet zou behoeven te ontruimen.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat het college gerechtigd was [appellante] onder oplegging van een last onder dwangsom te gelasten de benedenwoning te ontruimen. De rechtbank heeft het besluit van 4 december 2009 evenwel vernietigd, omdat van [appellante] niet in redelijkheid kan worden gevergd de benedenwoning binnen twee weken te ontruimen, gelet op de lange tijd dat zij met medeweten van het college die woning bewoonde.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij de benedenwoning niet heeft verlaten toen zij de bovenwoning betrok, maar dat zij de bovenwoning is gaan bewonen samen met de benedenwoning. Omdat zij nooit uit de benedenwoning is vertrokken, hoefde zij niet te beschikken over een huisvestingsvergunning om die te bewonen, aldus [appellante]. Zij betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich in het bij de rechtbank bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij in strijd met artikel 2.6.1, eerste lid, van de huisvestingsverordening heeft gehandeld door de benedenwoning in 1992 zonder vergunning te bewonen, omdat de huisvestingsverordening destijds nog niet van toepassing was.

2.5.1. Niet in geschil is dat de toenmalige partner van [appellante] de benedenwoning bewoonde en over een huisvestingsvergunning daarvoor beschikte toen [appellante] in 1989 bij hem introk. Nu per huishouden slechts één huisvestingsvergunning wordt verstrekt en [appellante] met haar vergunning de bovenwoning heeft betrokken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het legale gebruik van de benedenwoning voor haar is geëindigd. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet van belang is dat zij de benedenwoning nooit feitelijk heeft verlaten. Zij was niet meer gerechtigd die woning te bewonen.

Nu [appellante] ten tijde van het besluit van 7 mei 2009 twee woningen bewoonde waarvoor een huisvestingvergunning is vereist terwijl zij slechts over een vergunning voor bewoning van de bovenwoning beschikte, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] artikel 2.6.1, eerste lid, van de huisvestingsverordening heeft overtreden.

Het betoog faalt.

2.6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft onderkend dat haar situatie in 2003, toen haar toenmalige partner, met wie zij beide woningen bewoonde, de benedenwoning verliet, niet wezenlijk is veranderd ten opzichte van haar situatie in 1992, toen het college heeft vastgesteld dat de benedenwoning en de bovenwoning tezamen werden bewoond door één huishouden. Zij en haar toenmalige partner vormden in 1992 reeds één huishouden en het college heeft dit in zijn brief van 7 juni 1993 ook erkend, aldus [appellante]. De rechtbank is er volgens haar verder aan voorbij gegaan dat het college na 2003 niet handhavend heeft opgetreden tot het besluit van 7 mei 2009, waarbij van belang is dat het college in die periode bewust niet handhavend heeft opgetreden.

2.7.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gegeven dat het college lange tijd niet handhavend heeft opgetreden, niet maakt dat het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat niet meer handhavend zou worden opgetreden. Dat het college in zijn brief van 7 juni 1993 aan [appellante] heeft medegedeeld dat zij en haar toenmalige partner feitelijk één huishouden vormen, maakt niet dat het college niet handhavend mocht optreden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit die brief slechts volgt dat het college de destijds ontstane situatie voor dat moment gedoogde.

Het betoog faalt.

2.8. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft onderkend dat het geen te respecteren belang heeft bij de ontruiming van de benedenwoning, omdat er met die ontruiming geen woonruimte aan het woningbestand wordt toegevoegd omdat die zal worden onttrokken aan de voorraad sociale huurwoningen. Indien [appellante] de benedenwoning zal moeten ontruimen, zal zij op zoek moeten naar andere woonruimte omdat de bovenwoning te klein is voor haar en haar twee kinderen. Daardoor zal zij beslag leggen op een andere sociale huurwoning en aldus zal de voorraad sociale huurwoningen juist verkleind worden, aldus [appellante].

2.8.1. Voor zover [appellante] beoogt te betogen dat het algemeen belang in dit geval niet is gediend met handhaving omdat met de ontruiming van de benedenwoning geen woonruimte aan de woningvoorraad wordt toegevoegd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat, zo de benedenwoning na de ontruiming niet meer als sociale woonruimte zal worden verhuurd, dit niet betekent dat daarmee wordt gehandeld in strijd met de doelstellingen van de Huisvestingswet en dus met het algemeen belang. Daarbij heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat alle woonruimte in Amsterdam schaars is en niet slechts woonruimte in de sociale huursector.

Dat [appellante] op zoek zal gaan naar andere woonruimte, indien het bij de rechtbank bestreden besluit niet wordt vernietigd en zij de benedenwoning zal moeten ontruimen, maakt dit niet anders. Dat besluit ziet slechts op ontruiming van de benedenwoning en verplicht haar niet tevens de bovenwoning te ontruimen.

Het betoog faalt.

2.9. Voor zover [appellante] in hoger beroep heeft betoogd dat bij haar dochter de stoornis van Asperger is vastgesteld en dit een bijzondere omstandigheid is op grond waarvan van het college kan worden gevergd niet handhavend op te treden, geldt dat niet valt in te zien dat dit niet eerder in de procedure had kunnen worden aangevoerd, nu haar dochter, blijkens de door [appellante] bij brief van 26 juli 2011 overgelegde e-mail van 19 juli 2011 van de psychiater, daarvoor reeds enige tijd wordt behandeld. Het betoog zal dan ook niet worden besproken.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.11. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2011

419-622.