Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6311

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201003068/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2010, kenmerk PDN2009/162, heeft de minister op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied Abtskolk en De Putten aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) zoals vervangen door Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (Pb EU L20) (hierna:Vogelrichtlijn).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003068/1/R2.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting de Faunabescherming", gevestigd te Amstelveen, en anderen,

appellanten,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2010, kenmerk PDN2009/162, heeft de minister op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied Abtskolk en De Putten aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) zoals vervangen door Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (Pb EU L20) (hierna:Vogelrichtlijn).

Tegen dit besluit hebben de Faunabescherming en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2010, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2011, waar de Faunabescherming en anderen, vertegenwoordigd door mr. B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam, en vergezeld van [voorzitter] van de Faunabescherming, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W. van Dijk en E.R. Osieck, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 13 juli 2011, nr. 201003068/1/T1/R2, heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 17 februari 2010 te herstellen.

Bij brief van 14 juli 2011 heeft de staatssecretaris ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak een nadere motivering aan het besluit van 17 februari 2010 ten grondslag gelegd.

Bij brief van 18 juli 2011 zijn de Faunabescherming en anderen in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen ten aanzien van de door de staatssecretaris overgelegde nadere motivering naar voren te brengen. De Faunabescherming en anderen hebben bij brief van 1 augustus 2011 hun zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 17 februari 2010 niet berust op een deugdelijke motivering voor zover het betreft het niet aanwijzen van het gebied Abtskolk en de Putten voor de witbuikrotgans en derhalve in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe wordt verwezen naar de tussenuitspraak.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om binnen vier weken na de verzending van de tussenuitspraak:

- het besluit van 17 februari 2010, kenmerk PDN2009/162, te herstellen door het besluit alsnog toereikend te motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. In dat laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

2.2. De staatssecretaris stelt in zijn nadere motivering dat het gebied Abtskolk en de Putten niet ter bescherming van de witbuikrotgans is aangewezen aangezien deze soort de gehanteerde drempelwaarde niet haalt. Als drempelwaarde hanteert de staatssecretaris 1% van de desbetreffende biogeografische populatie. Blijkens de publicatie "Waterbird Population Estimates" van 2006, behoren de in Nederland voorkomende witbuikrotganzen tot de populatie die overwintert in Denemarken en Noordoost Engeland. Deze biogeografische populatie omvat 7000 exemplaren, waardoor de drempelwaarde 70 exemplaren bedraagt. De staatssecretaris stelt dat in de periode 1999/2000-2004/2005 het landelijke gemiddelde 72 exemplaren bedroeg en in de periode 2002/2003-2007/2008 60 exemplaren. Voorts stelt de staatssecretaris dat nu de witbuikrotgans verspreid over een aantal gebieden langs de kust van het Waddengebied tot en met het Deltagebied voorkomt, in geen van de gebieden de drempelwaarde wordt behaald. Nu de seizoensgemiddelden in het gebied lager liggen dan de drempelwaarde, bestaat volgens de staatssecretaris geen aanleiding om het gebied aan te wijzen ter bescherming van de witbuikrotgans.

2.3. In hun zienswijze hebben de Faunabescherming en anderen naar voren gebracht dat de staatssecretaris niet het juiste criterium heeft gehanteerd bij het vaststellen van de vraag of het gebied tevens ter bescherming van de witbuikrotgans dient te worden aangewezen. Hiertoe voeren zij aan dat de staatssecretaris in plaats van te beoordelen of gemiddeld minstens 1% van de biogeografische populatie in het gebied verblijft, had moeten beoordelen of geregeld minstens 1% van de biogeografische populatie van de witbuikrotgans van het gebied gebruik maakt als foerageer- of rustgebied. De Faunabescherming en anderen voeren aan dat voor zover de staatssecretaris zich baseert op de aantallen witbuikrotganzen in de seizoenen 2005/2006, 2006/2007 en 2007/2008, niet duidelijk is om welke gegevens het gaat en waar deze op zijn gebaseerd. Aanvullend hieraan merken zij op dat tevens uit recente telgegevens over de periode 2008-2011 blijkt dat het gebied geregeld door tenminste 1% van de biogeografische populatie van de witbuikrotgans wordt gebruikt.

2.4. Uit de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, volgt dat de staatssecretaris een gebied selecteert voor overige trekvogels als minstens 1% van de biogeografische populatie in een gebied broedt, ruit of rust. De Afdeling heeft dit criterium aanvaard (uitspraak 19 maart 2003 in de zaak nr. 200201933/1). Uit de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, volgt voorts dat aan het criterium "geregeld minstens 1%" volgens de staatssecretaris is voldaan indien het gemiddelde seizoensmaximum berekend over tenminste drie jaren minstens de desbetreffende drempelwaarde bedraagt. Tevens is hiervan sprake indien het aantal vogels in minstens twee derde van de seizoenen waarover voldoende telgegevens beschikbaar zijn, tenminste de drempelwaarde haalt. In het laatste geval wordt een minimum van vijf telseizoenen gehanteerd. De Afdeling acht deze uitleg van de staatssecretaris van het criterium "geregeld ministens 1%" aanvaardbaar. Gelet op het voorgaande mocht de staatssecretaris bij de beantwoording van de vraag of het gebied diende te worden aangewezen voor de witbuikrotgans, uitgaan van een gemiddeld seizoensmaximum.

Uit de nadere motivering van de staatssecretaris volgt dat het gemiddelde landelijke seizoensmaximum van de witbuikrotgans berekend over de seizoenen 1999/2000 tot en met 2004/2005 72 exemplaren bedraagt. De Afdeling ziet geen aanleiding om dit onjuist te achten. Hierbij neemt zij in overweging dat de staatssecretaris zijn conclusie heeft gebaseerd op de maandelijkse watervogeltellingen die evenals de gegevens ten aanzien van andere vogelsoorten blijkens het rapport 'Pleisterplaats Dwerggans Anter Erythropus in Nederland' van SOVON uit 2005 en het rapport 'Terreingebruik van Dwergganzen en andere ganzensoorten op de pleisterplaats Abtskolk/De Putten' van SOVON van juli 2006 afkomstig zijn van SOVON. Voorts hebben de Faunabescherming en anderen geen op voldoende deugdelijk onderzoek gebaseerde gegevens overgelegd waaruit afgeleid kan worden dat de door de staatssecretaris gebruikte gegevens ten aanzien van de witbuikrotgans onjuist geacht moeten worden.

Het landelijke gemiddelde is nagenoeg gelijk aan de drempelwaarde. De Afdeling acht de stelling van de staatssecretaris dat slechts een deel van dat aantal witbuikrotganzen in het gebied Abtskolk en de Putten aanwezig is, aannemelijk. Hierbij neemt zij in aanmerking dat de Faunabescherming en anderen niet bestreden hebben dat de witbuikrotgans verspreid over Nederland voorkomt en dit eveneens volgt uit het door hen bij de zienswijze overgelegde stuk. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het standpunt van de staatssecretaris dat aanwijzing van het gebied Abtskolk en de Putten voor de witbuikrotgans niet nodig is aangezien de drempelwaarde niet wordt gehaald, onjuist geacht moet worden.

2.5. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.7.4 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen de Faunabescherming en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het niet aanwijzen van het gebied voor de witbuikrotgans, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.6. Gelet op hetgeen onder 2.4 is overwogen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

2.7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover ingediend door de heer Roemers, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 februari 2010, kenmerk PDN2009/162;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie tot vergoeding van bij de stichting "Stichting de Faunabescherming" en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de stichting "Stichting de Faunabescherming" en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

234-674.