Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6304

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201100399/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2010 heeft het college aan Voets Yellow Gaz B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor handel, onderhoud en opslag van gasflessen, een gasflessenvulstation met opslag propaan en voorts handel in materialen voor gas, elektra, waterleiding, verwarming, loodgieterswerk en lastechniek met de bijbehorende administratieve werkzaamheden op het perceel Oude Moerstraatsebaan 41 te Bergen op Zoom. Dit besluit is op 28 november 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100399/1/M2.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2010 heeft het college aan Voets Yellow Gaz B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor handel, onderhoud en opslag van gasflessen, een gasflessenvulstation met opslag propaan en voorts handel in materialen voor gas, elektra, waterleiding, verwarming, loodgieterswerk en lastechniek met de bijbehorende administratieve werkzaamheden op het perceel Oude Moerstraatsebaan 41 te Bergen op Zoom. Dit besluit is op 28 november 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, en het college, vertegenwoordigd door, C.C.W. Soffers-Janssen, ing. C.B.P. Breugelmans-Brosens en mr. J. van den Berg, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Voets Yellow Gaz, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om de revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. De inrichting is gelegen op het bedrijventerrein Meilust. De woning van [appellant] is eveneens gelegen op dit bedrijventerrein direct naast de inrichting. Eerder is op 31 juli 2007 een revisievergunning voor de inrichting verleend.

2.3. [appellant] stelt dat door het verlenen van de vergunning strijd ontstaat met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Meilust 1" (hierna: het bestemmingsplan), zodat het college de vergunning had moeten weigeren. Volgens hem kan het bedrijf niet worden aangemerkt als een verzorgend bedrijf in de zin van het bestemmingsplan, nu het zich niet slechts richt op de lokale markt van Bergen op Zoom. Dit geldt temeer nu het bedrijf onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het BEVI) is komen te vallen, aldus [appellant].

2.3.1. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan de vergunning in afwijking van het eerste lid tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Kleine bedrijven met bijbehorende erven".

Ingevolge artikel 15, lid I, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsgebouwen ten behoeve van verzorgende bedrijven.

2.3.2. Niet, althans niet gemotiveerd, is weersproken dat de aangevraagde activiteiten op zichzelf bezien kunnen worden aangemerkt als de uitoefening van een verzorgend bedrijf. De tekst van het bestemmingsplan biedt geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijk bedrijf zich dient te beperken tot de lokale markt. Ook overigens bestaan geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de planwetgever dat beoogd heeft. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de inrichting niet in strijd is met het bestemmingsplan en derhalve geen grond bestaat de vergunning krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren. De stelling van [appellant] dat het bedrijf onder de werkingssfeer van het BEVI valt, leidt niet tot een ander oordeel. Het bestemmingsplan maakt geen uitzondering voor verzorgende bedrijven waarop het BEVI van toepassing is.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] stelt voorts dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften ontoereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. De door het college gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn volgens hem te hoog. [appellant] stelt bovendien dat het college zich ten onrechte heeft gebaseerd op de geluidberekening die is uitgevoerd in het kader van een eerder op 31 juli 2007 verleende vergunning, nu dat onderzoek gedateerd is en daarom een nieuw onderzoek had moeten plaatsvinden. Volgens [appellant] gaat het college er in dat verband ten onrechte van uit dat het rijden met de tankwagen binnen de inrichting een reeds vergunde activiteit is.

2.4.1. Het college heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd.

Voor het maximale geluidniveau geldt op grond van de Handreiking een voorkeursgrenswaarde van het equivalente geluidniveau vermeerderd met 10 dB(A) en zijn waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste aanvaardbaar. De Handreiking biedt de mogelijkheid om, in gevallen waarin niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan in een onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidniveau te beperken, de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode met ten hoogste 5 dB(A) te overschrijden.

Daarnaast biedt paragraaf 5.3 van de Handreiking de mogelijkheid op grond van het 12 dagen-criterium - ook wel incidentele afwijking van de representatieve bedrijfssituatie genoemd - maximaal twaalf maal per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden. Daarbij gelden de in paragraaf 3.2 van de Handreiking genoemde maxima niet.

2.4.2. Ingevolge voorschrift 2.1.4 geldt ter plaatse van de woning van [appellant] een waarde van 74 dB(A) voor het maximale geluidniveau in de dagperiode veroorzaakt door de tankwagen. Ter zitting is gebleken dat de tankwagen niet vaker dan eens in de twee weken de inrichting aandoet. In de aanvulling op de aanvraag van 29 oktober 2009 van Peutz B.V. is op pagina 3 aangegeven dat met een tankwagen van 40 m3 maximaal 25 verladingen per jaar plaatsvinden en indien gebruik wordt gemaakt van een tankwagen van 20 m3 maximaal 39. Ook is gebleken dat het omgevingsgeluid en het maximale geluidniveau ter plaatse zeer hoog zijn vanwege het geluid dat wordt veroorzaakt door de Randweg-Noord (N259). In dat licht bezien heeft het college, daargelaten de vraag of het rijden met de tankwagen een reeds eerder vergunde activiteit is, de geluidgrenswaarde van 74 dB(A) voor het maximale geluidniveau in overeenstemming met de Handreiking voldoende gemotiveerd. De beroepsgrond faalt in zoverre.

Ingevolge voorschrift 2.1.5 mag maximaal twaalf maal per jaar door de verkeersbewegingen met vrachtwagens binnen de inrichting, het maximale geluidniveau ter plaatse van de woning van [appellant] 69 dB(A) bedragen in de avondperiode. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het college die geluidgrenswaarde voor incidentele bedrijfssituaties niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De beroepsgrond faalt ook in zoverre.

2.5. Tot slot stelt [appellant] dat de vergunning in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is verleend, nu daaraan uit oogpunt van brandveiligheid als voorschrift is verbonden dat een tweede toegangspoort tot de inrichting moet worden aangelegd, terwijl de grond waar die poort moet komen te liggen in eigendom van de gemeente Bergen op Zoom is.

2.5.1. Het college heeft in het verweerschrift onweersproken gesteld dat op 4 februari 2010 een gebruiksovereenkomst is gesloten tussen de gemeente en Voets Yellow Gaz met betrekking tot de grond waarop de toegangspoort moet worden aangelegd. Deze gebruiksovereenkomst biedt voldoende zekerheid dat de toegangspoort op het stuk grond kan worden aangelegd. De beroepsgrond faalt reeds daarom.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

457-687.