Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201107685/1/H1 en 201107685/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2010 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik als erf (tuin) van de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" buiten het bouwperceel te staken en gestaakt te houden en de grond weer in overeenstemming te brengen met de bestemming (weiland/grasland).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/1771
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107685/1/H1 en 201107685/2/H1.

Datum uitspraak: 25 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wijdewormer, gemeente Wormerland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 juni 2011 in zaak nr. 11-361 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wormerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2010 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik als erf (tuin) van de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" buiten het bouwperceel te staken en gestaakt te houden en de grond weer in overeenstemming te brengen met de bestemming (weiland/grasland).

Bij uitspraak van 20 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2011, heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 augustus 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.A. Timmermans, advocaat te Rhenen, en het college, vertegenwoordigd door E. Kluijskens en mr. C.M.T. Ekel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Niet in geschil is dat de tuin in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) zonder omgevingsvergunning wordt gebruikt, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen medewerking wenst te verlenen aan legalisering van het strijdige gebruik. Hij wijst erop dat het college op grond van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Wormerland" bevoegd is het plan te wijzigen en dat wijziging van de bestemming in "Tuin" de omgeving ten goede zou komen.

2.4. Dat het college op grond van de planvoorschriften bevoegd is het plan te wijzigen om het gebruik mogelijk te maken, leidt niet tot het oordeel dat concreet zicht op legalisatie bestaat, omdat, wat er zij van de gestelde kwaliteitsverbetering van de omgeving, niet is gebleken dat het college bereid is van die bevoegdheid gebruik te maken.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt, dat voor de tuin een binnenplanse vrijstelling zou kunnen worden verleend en dat het college, door thans te gelasten het gebruik te beëindigen en de tuin te verwijderen, dit vertrouwen heeft geschonden.

2.5.1. Het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft betrekking op de periode dat het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1974, inclusief partiële herziening 1984" van kracht was. Het verzoek om vrijstelling van dat bestemmingsplan is bij besluit van 15 februari 2005 afgewezen. Dat besluit is onherroepelijk geworden. Het bestemmingsplan is opgevolgd door het thans geldende bestemmingsplan, waarin het met het oude plan strijdige gebruik niet is gelegaliseerd. Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd. Hij stelt dat het college in vergelijkbare gevallen medewerking heeft verleend aan het legaliseren van een tuin door het verleggen of vergroten van het bouwperceel.

2.7. Hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat niet is gebleken dat de situaties op de door [appellant] genoemde percelen aan de Noorderweg, Zuiderweg en Zwarteweg zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college daarin aanleiding moest zien in dit geval af te zien van handhavend optreden.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2011

392.