Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6298

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201006434/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college de aan [appellante] verleende ontheffing voor het gebruik van knalapparatuur ten behoeve van de fruitteelt op het perceel [locatie 1] te Goirle (hierna: het perceel) ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2011-09-09
BR 2011/172 met annotatie van C.A.H. van de Sanden
JOM 2011/707
JOM 2011/754
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006434/1/H3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] en haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Goirle (hierna: [appellante]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 mei 2010 in zaak nr. 09/3935 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Goirle.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college de aan [appellante] verleende ontheffing voor het gebruik van knalapparatuur ten behoeve van de fruitteelt op het perceel [locatie 1] te Goirle (hierna: het perceel) ingetrokken.

Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 9 juni 2008 herroepen en de ontheffing alsnog gewijzigd in stand gelaten.

Bij uitspraak van 19 mei 2010, verzonden op 26 mei 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 augustus 2009 vernietigd, het besluit van 9 juni 2008 tot en met 30 oktober 2010 geschorst en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.M. de Jong, advocaat te Goirle, en [vennoot A], vergezeld door M.A.W.A. van der Klundert en S.J. Grob, beiden werkzaam bij Oranjewoud, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Schmidt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante] heeft haar zienswijze daarop naar voren gebracht.

Partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van een nadere behandeling van de zaak ter zitting. De Afdeling heeft het onderzoek daarop gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge het derde lid worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Ingevolge het vierde lid wordt elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan: een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan.

Ingevolge artikel 1.4 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Goirle 2008 (hierna: de Apv) kunnen aan een bij of krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Ingevolge artikel 1.6, aanhef en onder c, kan de vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen.

Ingevolge artikel 4.1.9, eerste lid, is het verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt.

Ingevolge het tweede lid kan het college van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Ingevolge het derde lid geldt het verbod niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 2.4.16, de op de Wm gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en verkeersregels of het Vuurwerkbesluit.

2.2. [appellante] exploiteert een fruitkwekerij van ongeveer 15 ha en heeft vijf zogenoemde knalapparaten aangeschaft en in gebruik genomen om vogels te verjagen en daarmee schade aan het fruit te voorkomen dan wel te beperken. Bij besluit van 10 mei 2006 heeft het college aan [appellante] ontheffing verleend voor het gebruik van knalapparatuur ten behoeve van de fruitteelt op het perceel en daaraan een aantal voorschriften verbonden.

2.3. Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college deze ontheffing op grond van artikel 1.6, aanhef en onder c, van de Apv ingetrokken. Volgens het college veroorzaakt [appellante] met het gebruik van de knalapparatuur ernstige geluidsoverlast en wordt de normering van de ontheffing in ernstige mate overschreden. Het college heeft voorts gesteld dat het, gelet op de te hanteren normering, niet mogelijk is de aan de ontheffing verbonden voorschriften zodanig te wijzigen dat het [appellante] wordt toegestaan de gewenste knalfrequentie van dertig tot zesendertig knallen per uur uit te voeren.

2.4. Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft het college de bij besluit van 10 juni 2006 verleende ontheffing alsnog gewijzigd instandgelaten. Aan dit besluit heeft het college het advies van 7 juli 2008 en het akoestisch rapport van 22 augustus 2007 van de Regionale Milieudienst West-Brabant (hierna: de RMD) ten grondslag gelegd. Het college heeft mede in aanmerking genomen de bijdrage van het gebruik van knalapparatuur aan het bestrijden van vogeloverlast en de ondersteunende maatregelen die [appellante] heeft getroffen. De wijziging van de ontheffing leidt tot een beperking van het gebruik van de knalapparatuur ten opzichte van hetgeen met de bij besluit van 10 juni 2006 verleende ontheffing was toegestaan.

2.5. De rechtbank heeft overwogen dat de knalapparatuur van [appellante] ten tijde van belang viel onder het toepassingsbereik van artikel 4.1.9, eerste lid, van de Apv. De gronden waarop [appellante] de knalapparatuur gebruikt kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als onderdeel van een inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wm. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het college bevoegd was de ontheffing met toepassing van artikel 1.6, aanhef en onder c, van de Apv te wijzigen omdat voldoende aannemelijk is dat op 18 juli 2007 het maximaal toegestane geluidsniveau is overschreden, en dat deze overtreding aan [appellante] is toe te rekenen.

2.6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet artikel 4.1.9, derde lid, van de Apv van toepassing heeft geacht. De rechtbank heeft ten onrechte de gronden waarop de knalapparaten worden gebruikt als uitgangspunt genomen. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de teeltgrond met het geheel aan knalapparaten dient te worden aangemerkt als inrichting in de zin van art. 1.1, vierde lid, van de Wm. De knalapparaten vormen een tot dezelfde onderneming behorend geheel aan installaties die onderling een technische, organisatorische en functionele binding hebben, en bovendien in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, aldus [appellante].

2.6.1. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 3 maart 2010 in zaak nr. 200903587/1/M1) maken de gronden waarop de teelt van agrarische producten plaatsvindt in het algemeen geen deel uit van de inrichting. Dit laat onverlet dat zich in een concreet geval omstandigheden kunnen voordoen die nopen tot de conclusie dat de gronden in dat geval wel deel uitmaken van de inrichting bijvoorbeeld wanneer de aard van het gebruik zodanig is dat dit niet als extensief kan worden aangemerkt. De fruitteelt op de gronden van [appellante] is niet zodanig intensief dat de gronden deel uitmaken van de inrichting. Ook is er geen plaats voor het oordeel dat de betrokken gronden wegens het gebruik van vijf knalapparaten die op regelmatig wisselende plaatsen staan, als op zichzelf staande inrichting kunnen worden aangemerkt, of dat de vijf knalapparaten gezamenlijk of afzonderlijk als inrichting kunnen worden aangemerkt. Het betoog faalt.

2.7. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat niet is komen vast te staan dat zij op 18 juli 2007 de in de ontheffing gestelde geluidgrenswaarden heeft overschreden. Het college was dan ook niet bevoegd de aan de ontheffing verbonden voorschriften te wijzigen. De rechtbank heeft volgens [appellante] ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan de verklaring van A. Middendorp. De bij de metingen op 18 juli 2007 waargenomen geluidsbelasting kan volgens [appellante] onmogelijk alleen afkomstig zijn van de bij haar in gebruik zijnde knalapparaten. Middendorp heeft in het akoestisch rapport van 22 augustus 2007 (hierna: het rapport) ten onrechte geen onderscheid gemaakt naar de aard en geluidsbron van de knallen, aldus [appellante].

2.7.1. Vaststaat dat Middendorp, werkzaam bij de RMD, op 18 juli 2007 metingen heeft verricht. In geschil is of aannemelijk is dat de bij die metingen geregistreerde geluidsbelasting geheel afkomstig is van de knalapparaten van [appellante] en het college zich daarom op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellante] de in de ontheffing gestelde geluidgrenswaarden heeft overschreden.

In het rapport wordt gesteld dat op 18 juli 2007 de geluidsniveaus veroorzaakt door de knalapparaten opgesteld binnen het perceel ter plaatse van woningen van derden in de omgeving de gestelde geluidgrenswaarden in belangrijke mate hebben overschreden en wel zodanig, dat dit ernstige schrikreacties en geluidhinder teweeg heeft gebracht. Het college stelt zich in het besluit op bezwaar op het standpunt dat niet is aangetoond dat de uit de metingen door Middendorp getrokken conclusies met betrekking tot de overschrijding van de geluidsnormen onjuist zijn.

2.7.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat het ten aanzien van meetpunten 3 en 4 niet aannemelijk is dat door Middendorp een onderscheid naar herkomst van de knallen kon worden gemaakt en het mogelijk is dat eventuele knallen afkomstig van het belendend perceel [locatie 2] zijn meegenomen in de beoordeling. Bij deze meetpunten kwam het geluid van de knallen van [appellante] min of meer uit dezelfde richting als eventuele knallen afkomstig van het perceel [locatie 2]. Ook heeft Middendorp geen onderzoek gedaan op het perceel om vast te stellen hoeveel gaskanonnen er in werking waren en met welke frequentie knallen werden geproduceerd. Hoewel in het rapport is aangegeven dat de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding) is toegepast, voldoet het rapport niet aan de Handleiding, aldus het deskundigenbericht. In een op verzoek van [appellante] opgesteld rapport van 3 februari 2011 heeft Oranjewoud door middel van metingen aan het gaskanon en jachtgeweer het frequentiespectrum van deze bronnen bepaald. De spectrale meetwaarden uit het rapport zijn door Oranjewoud onderzocht en vergeleken met de twee referentiespectra. Op basis van een vergelijking van de meetwaarden uit het rapport met de twee referentiespectra, concludeert Oranjewoud dat niet alle knallen afkomstig waren van een gaskanon. In het deskundigenbericht wordt deze conclusie, na bestudering van de meetwaarden van het rapport, onderschreven. Mogelijk zijn ook knallen afkomstig van een jachtgeweer betrokken in de beoordeling van de metingen. Gelet op het vorenstaande en de aanzienlijke spreiding in de gemeten waarden op de vier meetpunten, is ook onduidelijk of de maximale geregistreerde waarden per meetpunt veroorzaakt zijn door een gaskanon op het perceel van [appellante]. Dit leidt volgens het deskundigenbericht tot de conclusie dat de overschrijdingen van de gestelde grenswaarden voor de enkelvoudige knal mogelijk in werkelijkheid minder hoog waren dan in het rapport is vermeld. Het is volgens het deskundigenbericht de vraag, of bij de berekeningen van de herhaald hoorbare knallen mocht worden uitgegaan van de hoogste waarde voor de enkelvoudige knal voor ieder meetpunt. Zoals hiervoor is vermeld, bestaan ook twijfels over het aantal geregistreerde knallen. Mogelijk zijn de overschrijdingen van de gestelde grenswaarden voor de herhaald hoorbare knallen voor de meetpunten 1, 3 en 4 minder hoog geweest dan in het rapport is gesteld. Daarbij geldt dat voor meetpunt 2 in ieder geval in de vastgestelde grenswaarde voor de herhaald hoorbare knallen niet is overschreden. In het advies van de RMD van 7 juli 2008 wordt bij het bepalen van het bronniveau van het gaskanon uitgegaan van kengetallen, gebaseerd op informatie van de leverancier en eerdere metingen met een ander gaskanon. Daarentegen heeft Oranjewoud directe geluidmetingen gedaan en het bronniveau van de gaskanonnen in een rapport van 3 september 2008 bepaald op 137 dB(A,imp). In het deskundigenbericht wordt het bezwaar van [appellante] dat geen rekening is gehouden met de verschillende dempingsfactoren uit de Handleiding, onderschreven. Daarin is vastgesteld dat bij de berekeningen in het advies van 7 juli 2008 geen rekening is gehouden met de spectrale luchtdemping, de eventuele reflecties en afschermingen en de locale bodem bij de geluidsbron en bij de ontvanger. Het gevolg hiervan is volgens het deskundigenbericht dat de berekende waarden in het rapport te hoog zijn. Verder is in het deskundigenbericht vastgesteld dat in het rapport, anders dan volgens de Handleiding is voorgeschreven, geen rekening is gehouden met de meteocorrectieterm.

2.7.3. Het college heeft geen redenen aangevoerd waarom het deskundigenbericht berust op onzorgvuldig onderzoek of de daarin neergelegde bevindingen onjuist zouden zijn. De Afdeling gaat dan ook uit van die bevindingen. Gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat [appellante] op 18 juli 2007 de in de ontheffing gestelde geluidgrenswaarden heeft overschreden. Het college heeft zich in zoverre niet op het advies van 7 juli 2008 en het rapport mogen baseren. Uit het vorenstaande volgt dat het bij de rechtbank bestreden besluit van 10 augustus 2009 in zoverre tot stand is gekomen in strijd met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. Het college dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet is aangevochten, een nieuw besluit te nemen.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Goirle tot vergoeding van bij [appellante] en haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B], in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.900,25 (zegge: drieduizendnegenhonderd euro en vijfentwintig eurocent), waarvan € 1092,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Goirle aan [appellante] en haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011

312-597.