Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6297

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
201104930/1/R1 en 201104930/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Gramsbergen, locatie [locatie] te [plaats]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104930/1/R1 en 201104930/2/R1.

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Hardenberg,

appellant,

en

de raad van de gemeente Hardenberg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Gramsbergen, locatie [locatie] te [plaats]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 juni 2011.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2011, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 augustus 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.W. van Dijk, advocaat te Wageningen, en de raad, vertegenwoordigd door W. Sauer en mr. A.J. Stellingwerff, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de stichting Hadassa Hoeve, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond over de twee verschillende staten van horeca-activiteiten waar in het plan naar zou worden verwezen, ingetrokken.

2.3. Het plan voorziet in de transformatie van een oude woonboerderij, gelegen op het perceel [locatie] in [plaats], in een jeugdopvang voor maximaal acht zorgbehoevenden. Ten behoeve van deze zorgopvang is op het desbetreffende perceel eveneens voorzien in een bed and breakfast met drie kamers, een vergaderruimte, een winkel en een museum.

2.4. [appellant] stelt dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is gewaarborgd. Daartoe voert hij aan dat het plan afhankelijk is van giften van particulieren en dat is gebleken dat deze giften niet toereikend zijn. Verder voert hij aan dat uit het ondernemingsplan van Hadassa Hoeve, voor zover dat hem bekend is, blijkt dat er geen sprake is van een financieel haalbare exploitatie.

2.4.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het door Hadassa Hoeve overgelegde ondernemingsplan blijkt dat reëel is te veronderstellen dat het plan uitvoerbaar is.

2.4.2. Anders dan [appellant] stelt, heeft de raad onderzocht of het plan financieel uitvoerbaar is. Ter zitting heeft de raad onweersproken toegelicht dat het ondernemingsplan is onderzocht door zowel het college als de raad. Voorts heeft Hadassa Hoeve ter zitting toegelicht dat zij een deel van de benodigde financiële middelen uit giften heeft verworven en dat een aantal ondernemers heeft toegezegd haar bij het project bij te staan. De stelling van [appellant] dat de giften niet toereikend zijn, is onvoldoende voor het oordeel dat het plan financieel niet uitvoerbaar is, nu [appellant] deze stelling niet heeft gestaafd. Voorts volgt uit de door [appellant] overgelegde pagina uit het ondernemingsplan evenmin dat het plan niet uitvoerbaar is. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het plan financieel uitvoerbaar is.

2.5. [appellant] stelt verder dat het uitgevoerde verkeersonderzoek onjuist is. Hij voert hiertoe aan dat in dit onderzoek met een te lage bezettingsgraad rekening is gehouden en dat uit het ondernemingsplan van Hadassa Hoeve blijkt dat met een hogere bezettingsgraad wordt gerekend.

2.5.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de toename van verkeersbewegingen gering is en geen problemen oplevert voor de omliggende wegen. Verder heeft de raad toegelicht dat in het ondernemingsplan wordt uitgegaan van een bezettingsgraad van 25 procent, terwijl in de verkeersberekeningen wordt uitgegaan van een bezettingsgraad van 28 procent.

2.5.2. In de in opdracht van de raad door Royal Haskoning opgestelde notitie 'Verkeersparagraaf bestemmingsplan Buitengebied Gramsbergen, locatie [locatie] te [plaats]' van 1 december 2010 staat dat de totale toename van de verkeersintensiteit verkeerskundig gezien gering is en dat de omliggende wegen en het kruispunt de toename van de verkeersbewegingen kunnen verwerken zonder dat dit tot gevaarlijke situaties leidt.

2.5.3. In de in 2.5.2 genoemde notitie is de verkeerstoename beoordeeld voor zowel een realistische scenario, waarin is uitgegaan van een bezettingsgraad van 28 procent, als een 'worst case'-scenario, dat uitgaat van een volledige bezetting. In de notitie staat dat zelfs indien wordt uitgegaan van het 'worst case'-scenario de toename van de verkeersbewegingen vanwege de in het plan voorziene zorgopvang geen problemen zal opleveren. De stelling van [appellant] dat in de notitie is uitgegaan van een te lage bezettingsgraad van de in het plan voorziene zorgopvang kan derhalve niet slagen. [appellant] heeft de wijze van totstandkoming en de inhoud van de in 2.5.2 genoemde notitie overigens niet gemotiveerd betwist. De raad heeft zich derhalve terecht, onder verwijzing naar deze notitie, op het standpunt gesteld dat de toename van verkeersbewegingen geen problemen oplevert voor de omliggende wegen.

2.6. [appellant] betoogt dat de raad niet heeft onderkend dat het plan het mogelijk maakt dat in de op het desbetreffende perceel voorziene winkelruimte iedere vorm van detailhandel kan komen. Volgens [appellant] kan niet worden uitgesloten dat in de winkelruimte commerciële, niet zorggerelateerde activiteiten worden ontplooid die consequenties hebben voor de verkeersbewegingen van en naar het perceel en de ruimtelijke uitstraling hiervan.

2.6.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de activiteiten die in de voorziene winkelruimte kunnen worden ontplooid beperkt zijn door de in het plan opgenomen gebruiksregels.

2.6.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.22, van de planregels wordt onder 'winkelruimte' verstaan winkelruimte ten behoeve van kleinschalige detailhandel.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, voor zover thans van belang, zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'zorginstelling' uitsluitend een zorgvoorziening in de vorm van een jeugdopvang;

b. een bed and breakfast;

c. een winkelruimte;

d. een vergaderruimte;

e. lichte horeca, zoals bedoeld in Bijlage 1.

Ingevolge lid 3.4, aanhef en onder a, mag de grondoppervlakte in gebruik voor de winkelruimte niet meer bedragen dan 50 m2.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van de regels van het plan voor het overschrijden van in deze regels genoemde maten en percentages, zoals goothoogte, bouwhoogte en oppervlakte van gebouwen, met niet meer dan 10%.

2.6.3. Uit de in 2.7.2. genoemde planregels volgt dat de oppervlakte van de voorziene winkelruimte na ontheffing maximaal 55 m2 mag zijn. Voorts mag hier op grond van deze planregels uitsluitend kleinschalige detailhandel plaatsvinden. Anders dan [appellant] stelt heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat hiermee het gebruik van de voorziene winkelruimte dusdanig is beperkt dat het niet mogelijk is hier commerciële activiteiten te ontplooien die kunnen zorgen voor een verandering van de ruimtelijke uitstraling van het perceel of voor een significante verkeerstoename.

2.7. [appellant] stelt voorts dat hij vanwege de in het plan voorziene ontwikkelingen in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. Ter zitting heeft [appellant] deze beroepsgrond nader toegelicht. [appellant] voert aan dat de geurcirkel zoals deze in het plan is opgenomen ten onrechte niet is gemeten vanaf de grens van zijn perceel. Verder voert hij aan dat de op het perceel waar de zorgopvang is voorzien aanwezige bijgebouwen als geurgevoelige objecten dienen te worden aangeduid. Eén van deze bijgebouwen, de gebintenschuur, valt, zoals [appellant] ter zitting nader heeft toegelicht, binnen de geurcirkel.

2.7.1. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de geurcirkel is gemeten vanaf 15 meter van de as van de weg. Deze afstand is aangehouden omdat op grond van het voor het perceel van [appellant] vigerende bestemmingsplan slechts mag worden gebouwd op een afstand van minimaal 15 meter van de as van de weg. Deze uitleg is door [appellant] niet betwist. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de geurcirkel zoals deze in het plan is opgenomen onjuist is vastgesteld.

In de huidige situatie vallen alle geurgevoelige objecten op het perceel waar de zorginstelling is voorzien buiten de geurcirkel van 50 meter. De raad heeft evenwel niet onderkend dat het plan het mogelijk maakt om de omvang van de gebintenschuur te vergroten. [appellant] betoogt terecht dat indien wordt uitgegaan van de maximale bebouwingsmogelijkheden die het plan biedt de gebintenschuur voor een klein deel binnen de geurcirkel valt. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij niet heeft beoogd het bouwvlak van de gebintenschuur zodanig te vergroten dat deze binnen de geurcirkel valt. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.8. [appellant] stelt dat het plan in strijd is met de gewijzigde beleidsregel 'Intrekking Wet op de Openluchtrecreatie'. Hiertoe voert hij aan dat in deze beleidsregel als algemeen uitgangspunt is opgenomen dat bed and breakfast voorzieningen alleen in een legaal opgericht bijgebouw gerealiseerd mogen worden.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met de gewijzigde beleidsregel 'Intrekking Wet op de Openluchtrecreatie' zoals deze op 29 september 2009 door de raad is vastgesteld, aangezien de in het plan voorziene bed and breakfast zal worden gerealiseerd in een reeds bestaand, legaal opgericht bijgebouw.

2.8.2. Anders dan [appellant] ter zitting heeft gesteld, is de wijziging van de beleidsregel 'Intrekking Wet op de Openluchtrecreatie' van 29 september 2009 op 21 oktober 2009 gepubliceerd. Volgens deze beleidsregel mag een bed and breakfast voorziening alleen in een legaal opgericht bijgebouw worden gerealiseerd. Het is volgens de beleidsregel niet mogelijk om voor een dergelijke voorziening nieuw te bouwen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de achtergrond van deze beleidsregel is het voorkomen van verdere verstedelijking van het buitengebied. Zoals de raad terecht betoogt, voorziet het plan niet in de oprichting van nieuwe bijgebouwen op het perceel waar de zorgvoorziening is voorzien. Volgens het plan is de bed and breakfast voorzien in een reeds bestaand, legaal opgericht bijgebouw. Hoewel dit bijgebouw voor een groot deel zal worden herbouwd betekent dit, anders dan [appellant] stelt, niet dat dit als een nieuw op te richten bijgebouw dient te worden aangemerkt waardoor verdere verstedelijking ontstaat. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met de gewijzigde beleidsregel 'Intrekking Wet op de Openluchtrecreatie'.

2.9. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzitter aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het gedeelte van het bouwvlak van de gebintenschuur dat is gelegen binnen de geurcirkel, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de Gemeente Hardenberg van 8 februari 2011, kenmerk 167924, voor zover het bouwvlak van de gebintenschuur valt binnen de geurcirkel, zoals door de raad gehanteerd en nader omschreven in 2.7.1, van het bedrijf van [appellant] gevestigd op het perceel aan [locatie 2] te [plaats];

III. verklaart het beroep van [appellant] voor het overige ongegrond;

IV. wijst het verzoek af;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Hardenberg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Hardenberg aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011

523.