Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
201107198/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2004 in zaak nr. 200409206/1; JV 2005/68), is, omdat bewaring krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 moet zijn gericht op uitzetting van de betrokken vreemdeling, inbewaringstelling in strijd met dat artikel indien zicht op uitzetting ontbreekt. Gelet op het vorenoverwogene kon de rechtbank dan ook niet louter op de grond dat volgens de minister de nationaliteit van de vreemdeling niet vaststaat, overwegen dat de vraag of een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China bestaat niet relevant is. De rechtbank had die vraag dienen te beantwoorden. In zoverre is de klacht terecht voorgedragen.

De vraag of een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China bestaat, heeft de Afdeling bij uitspraak van 29 juli 2011 in zaak nr. 201106456/1/V3 (www.raadvanstate.nl) bevestigend beantwoord. De verwijzing van de vreemdeling naar de uitspraak van 15 maart 2011 treft geen doel, omdat hetgeen daarin is overwogen ziet op de situatie dat geen sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/413
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107198/1/V3.

Datum uitspraak: 18 augustus 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 27 juni 2011 in zaak nr. 11/19365 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de minister daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 juli 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft zij daarbij de Afdeling verzocht haar schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling haar nationaliteit niet aan de hand van documenten of anderszins heeft onderbouwd en dat daarmee haar nationaliteit niet vaststaat waardoor de vraag of een reëel vooruitzicht op verwijdering naar China bestaat, niet relevant is.

In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat de minister niet aan haar beroep op het ontbreken van een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China voorbij had mogen gaan omdat haar nationaliteit niet vaststaat. Blijkens de uitspraak van 15 maart 2011 in zaak nr. 201102082/1/V3 (www.raadvanstate.nl) dienen daarvoor concrete aanwijzingen te bestaan en dient de minister die te stellen, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Uit de aangevallen uitspraak en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat de minister bij die gelegenheid heeft gesteld dat de nationaliteit van de vreemdeling niet vaststaat. Voorts blijkt uit het dossier dat de minister ten behoeve van de vreemdeling louter concrete uitzettingshandelingen gericht op diens verwijdering naar China heeft verricht, onder meer door een aanvraag voor afgifte van een laissez passer bij de Chinese autoriteiten in te dienen. Niet is gebleken dat door de minister nader onderzoek zal worden verricht naar andere uitzettingsmogelijkheden dan China.

2.1.2. Uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt dat de beoogde uitzetting van de vreemdeling uitsluitend op China is gericht.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2004 in zaak nr. 200409206/1; JV 2005/68), is, omdat bewaring krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 moet zijn gericht op uitzetting van de betrokken vreemdeling, inbewaringstelling in strijd met dat artikel indien zicht op uitzetting ontbreekt.

Gelet op het vorenoverwogene kon de rechtbank dan ook niet louter op de grond dat volgens de minister de nationaliteit van de vreemdeling niet vaststaat, overwegen dat de vraag of een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China bestaat niet relevant is. De rechtbank had die vraag dienen te beantwoorden. In zoverre is de klacht terecht voorgedragen.

De vraag of een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China bestaat, heeft de Afdeling bij uitspraak van 29 juli 2011 in zaak nr. 201106456/1/V3 (www.raadvanstate.nl) bevestigend beantwoord. De verwijzing van de vreemdeling naar de uitspraak van 15 maart 2011 treft geen doel, omdat hetgeen daarin is overwogen ziet op de situatie dat geen sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering.

Nu een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China bestaat, kan de grief niet tot het ermee beoogde doel leiden.

2.2 Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.3 Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.4 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2011

347-708.

Verzonden: 18 augustus 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser