Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
200908415/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2008 heeft de minister de op 3 mei 2007 gedateerde aanvraag van [appellante] om erkenning van beroepskwalificaties voor het beroep gezondheidszorgpsycholoog afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908415/1/H2.

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Leiden,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 september 2009 in zaak nr. 09/704 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2008 heeft de minister de op 3 mei 2007 gedateerde aanvraag van [appellante] om erkenning van beroepskwalificaties voor het beroep gezondheidszorgpsycholoog afgewezen.

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 november 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.J. Stoop, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en de minister om nadere inlichtingen verzocht. De minister heeft bij brief van 27 mei 2010 een nader stuk ingediend. Bij brief van 14 juni 2010 heeft [appellante] daarop een reactie ingediend. Met toestemming van partijen is afgezien van hernieuwde behandeling ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

Bij tussenuitspraak van 22 december 2010 in zaak nr. 200908415/1/T1/H2 heeft de Afdeling de minister opgedragen om binnen twee maanden na de verzending van die tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 18 december 2008 te herstellen.

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft de minister ter uitvoering van de tussenuitspraak het door [appellante] gemaakte bezwaar opnieuw beoordeeld en dat bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 24 februari 2011 heeft [appellante] over het besluit van 22 februari 2011 een zienswijze ingediend.

Bij brief van 22 maart 2011 heeft de minister een aanvullend verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 maart 2011 heeft [appellante] een reactie op het aanvullend verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak allereerst overwogen, samengevat weergegeven, het ambtshalve oordeel van de rechtbank dat de aanvraag van [appellante] met als datum 3 mei 2007 een herhaalde aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), niet te volgen. Reeds hierom is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Voor de motivering van dit oordeel wordt verwezen naar hetgeen is overwogen onder 2.4 van de tussenuitspraak.

2.2. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak verder overwogen dat het besluit van 18 december 2008 is genomen in strijd met de artikelen 39 en 43 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans de artikelen 45 en 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 14 van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (hierna: de Richtlijn), artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties (hierna: de Algemene wet) en artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de minister opgedragen om binnen twee maanden na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 18 december 2008 te herstellen door een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit aan [appellante] en de Afdeling te zenden.

2.3. De minister heeft aan het besluit van 22 februari 2011 een nader advies van de Commissie buitenlands gediplomeerden volksgezondheid (hierna: CBGV) van 15 februari 2011 ten grondslag gelegd. Daarin vermeldt de CBGV dat zij bij haar advisering is uitgegaan van het toetsingskader in de Richtlijn en de Algemene wet en daarbij toepassing heeft gegeven aan het evenredigheidsbeginsel. Verder is daarin vermeld dat de CBGV de aanvraag van [appellante] niet opnieuw heeft getoetst aan de Toetsingscriteria Gezondheidszorgpsycholoog en dat zij alle door [appellante] vermelde werkervaring bij haar advies heeft betrokken. De CBGV handhaaft haar eerdere advies dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen het door [appellante] bereikte niveau en het niveau van een in Nederland opgeleide gezondheidszorgpsycholoog. Volgens de CBGV kunnen deze verschillen niet worden overbrugd door de door [appellante] opgedane werkervaring. Daarbij is volgens de CBGV met name van belang dat de werkervaring van [appellante] vooral is opgedaan bij de behandeling van kinderen, terwijl de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog op alle leeftijdsgroepen is gericht. De CBGV heeft daarom geadviseerd de afwijzing van het verzoek van [appellante] in stand te laten en haar de keuze te bieden tussen het afleggen van een proeve van bekwaamheid of het volgen van de eerder geadviseerde aanpassingsstage.

Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van [appellante] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellante], gelet op artikel 6:24, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.4. [appellante] betoogt in haar reactie van 24 februari 2011 dat het advies van de CBGV van 15 februari 2011 dusdanige gebreken bevat dat de minister dit niet aan het besluit van 22 februari 2011 ten grondslag mocht leggen. Zij voert aan dat, nu in het advies alleen haar masteropleiding psychologie is vermeld, de minister haar andere opleidingen heeft genegeerd en dat, anders dan de CBGV heeft gesteld, haar werkervaring personen van alle leeftijden betreft. Volgens [appellante] is bij het besluit van 22 februari 2011, gelet op de tussenuitspraak, niet het juiste toetsingskader gehanteerd.

2.4.1. De minister heeft zich in het aanvullende verweerschrift van 22 maart 2011 op het standpunt gesteld, dat uit de adviezen van de CBGV van 18 april 2008, 26 mei 2010 en 15 februari 2011 volgt dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen het door [appellante] bereikte niveau en het niveau van een in Nederland opgeleide gezondheidszorgpsycholoog. De minister stelt zich daarin voorts op het standpunt, dat de CBGV, bij de toetsing aan artikel 11, eerste en tweede lid, van de Algemene wet, het evenredigheidbeginsel in acht heeft genomen, nu de CBGV op grond van een beoordeling van de kennis en ervaring van [appellante] heeft geadviseerd tot een in duur relatief beperkte aanpassingsstage of af te leggen proeve van bekwaamheid voor het verkrijgen van een registratie als gezondheidszorgpsycholoog. In het bij het aanvullende verweerschrift gevoegde nadere advies van de CBGV van 10 maart 2010 (lees: 2011), heeft de CBGV haar eerdere beoordeling van de door [appellante] gevolgde opleidingen in het advies van 26 mei 2010, zoals weergegeven onder 2.3 in de tussenuitspraak, herhaald en verder vermeld dat de toepassing van het evenredigheidsbeginsel ertoe heeft geleid dat de geadviseerde aanpassingsstage slechts van korte duur is. Volgens de CBGV blijkt hieruit dat zij bij haar advisering de belangen van [appellante] heeft meegewogen. Voorts heeft het CBGV het volgende vermeld:

"Daarbij is voor de CBGV het algemeen belang, c.q. het belang van het publiek, leidend geweest. Dit belang betreft de kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg. Gezondheidszorgpsychologen krijgen in de gezondheidszorg te maken met patiënten in alle leeftijdscategorieën en met een scala aan aandoeningen. De specifieke opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog, een postacademische vervolgopleiding/specialisatie, is erop gericht dat gezondheidszorgpsychologen op een verantwoorde wijze kunnen omgaan met deze patiënten. De CBGV was en is van oordeel dat betrokkene, ondanks de vele opleidingen en praktijkervaring, nog niet voldoet aan de eisen die aan een Nederlandse gezondheidszorgpsycholoog worden gesteld en dat het niet verantwoord is dat zij de patiëntenzorg gaat uitoefenen zoals een Nederlandse gezondheidszorgpsycholoog dat doet."

2.4.2. Uit het besluit van 22 februari 2011, zoals dat nader is toegelicht bij het aanvullende verweerschrift van 22 maart 2011, en de daaraan ten grondslag gelegde adviezen van de CBGV van 15 februari en 10 maart 2011 volgt dat de minister het in artikel 14 van de Richtlijn en artikel 11 van de Algemene wet neergelegde toetsingskader heeft gehanteerd bij de nieuwe beoordeling van het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2008.

Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de minister zich in het besluit van 22 februari 2011, zoals toegelicht in het aanvullende verweerschrift, op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante] gevolgde opleidingen gedeeltelijk betrekking hebben op vakken die wezenlijk verschillen van de vakken die deel uitmaken van de in Nederland vereiste opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog en vervolgens dat de door [appellante] tijdens haar werkervaring opgedane kennis deze verschillen niet kan overbruggen. Voorts heeft hij haar de keuze gelaten tussen een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid.

Daarbij neemt de Afdeling verder in aanmerking dat de CBGV in het advies van 10 maart 2011 heeft vermeld dat de door [appellante] gevolgde DEA-opleiding in belangrijke mate betrekking had op pedagogiek, dat haar promotieonderzoek en de door haar gevolgde cursussen bij Pagés een wetenschappelijk karakter hadden en hoofdzakelijk betrekking hadden op de behandeling van en onderzoek naar hoog begaafde kinderen en dat de opgedane kennis bij de in Nederland gevolgde PAOS-cursussen 'Leerlingbegeleiding en beroepskeuze' en 'basiscursus gedragstherapie' niet relevant of sterk verouderd is. Volgens de CBGV staan die opleidingen en de in het kader daarvan gevolgde vakken naar hun aard en/of inhoud ver af van de in het kader van de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog te volgen vakken, waarvan de kennis van wezenlijk belang is voor de uitoefening van het beroep van gezondheidszorgpsycholoog. De CBGV heeft verder in haar adviezen van 15 februari en 10 maart 2011, anders dan in haar advies van 26 mei 2010, bij haar onderzoek naar de vraag of de kennis die [appellante] tijdens haar werkervaring heeft verworven van dien aard is dat het wezenlijke verschil daardoor geheel of gedeeltelijk wordt ondervangen, alle door [appellante] vermelde werkervaring betrokken. Volgens het advies van 10 maart 2011 betreft die ervaring hoofdzakelijk de behandeling van kinderen, terwijl tijdens de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog kennis en ervaring wordt opgedaan voor de behandeling van personen van alle leeftijden. Volgens de CBGV volgt hieruit dat de door [appellante] opgedane werkervaring de geconstateerde wezenlijke verschillen niet geheel kan ondervangen. Voorts heeft de CBGV in het advies van 10 maart 2011 toegelicht, dat zij de hiervoor weergegeven toetsing met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel heeft verricht en dat dit blijkt uit de korte duur van de geadviseerde aanpassingsstage.

Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat in overweging 11 van de considerans bij de Richtlijn onder meer is overwogen dat voor de beroepen die onder het algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels vallen, de lidstaten het recht moeten behouden om het vereiste minimumopleidingsniveau vast te stellen om de kwaliteit van de op hun grondgebied verrichte diensten te waarborgen. De CBGV is dan ook niet van een onjuist uitgangspunt uitgegaan door, zoals volgt uit de onder 2.4.1 aangehaalde tekst uit het advies van 10 maart 2011, bij haar advisering over de erkenning van beroepskwalificaties als uitgangspunt te hanteren dat de kwaliteit van de gezondheidszorg en met name het minimumniveau en de kwaliteit van de door een gezondheidszorgpsycholoog te verrichten dienstverlening moeten zijn gewaarborgd.

Nu de CBGV een commissie van deskundigen is mocht de minister bij zijn besluit van 22 februari 2011, zoals dat is toegelicht in het nader verweerschrift van 22 maart 2011, in beginsel op de adviezen van de CBGV van 15 februari en 10 maart 2011 afgaan. [appellante] heeft in haar zienswijze van 22 februari 2011 en haar reactie van 28 maart 2011 geen nieuwe feiten vermeld of daarbij nieuwe stukken overgelegd over de door haar gevolgde opleidingen, op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de beoordeling van die opleidingen door de CBGV die door de minister is overgenomen onjuist is. De eerder door haar overgelegde stukken over die opleidingen geven evenmin aanleiding voor dat oordeel. Voor zover [appellante] betoogt, dat de minister onvoldoende op de hoogte was van de door haar in het kader van de gevolgde opleidingen verrichte werkzaamheden en verworven kennis, faalt dit betoog, reeds omdat het op haar weg lag de minster daarover te informeren en daarvan zo nodig bewijsstukken over te leggen. De enkele stelling van [appellante] dat haar werkervaring betrekking had op personen van alle leeftijden, is voorts onvoldoende om op dit punt aan de juistheid van de adviezen van de CBGV te twijfelen. De omstandigheid dat zij haar werkervaring alleen met, ten behoeve van met haar belastingaangifte opgestelde, accountantsverklaringen kan aantonen, omdat zij die werkervaring heeft opgedaan als zelfstandig gevestigd psycholoog, moet voor haar rekening blijven.

2.5. Het beroep van [appellante] tegen het besluit van de minister van 22 februari 2011 is ongegrond. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek van [appellante] om erkenning van beroepskwalificaties voor het beroep gezondheidszorgpsycholoog in stand blijft. De Afdeling zal hierom het op artikel 8:73 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding van [appellante] afwijzen.

2.6. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het door [appellante] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit van 18 december 2008 vernietigen.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 september 2009 in zaak nr. 09/704;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van "18 decemeber" (lees: 18 december 2008), kenmerk DWJZ-2871183/12;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 februari 2011, kenmerk 2871183/31, ongegrond;

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII. gelast dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011

507.