Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
201100163/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2010 heeft de minister geweigerd om [wederpartij] als tolk Nederlands-Somali in te schrijven in het register voor beëdigde tolken en vertalers en tevens geweigerd om hem als tolk Nederlands-Somali te plaatsen op de zogenoemde Uitwijklijst.

Wetsverwijzingen
Wet beëdigde tolken en vertalers
Wet beëdigde tolken en vertalers 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100163/1/H3.

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Veiligheid en Justitie (voorheen: de minister van Justitie),

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 16 december 2010 in zaak nrs. 10/3490 en 10/2866 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Veenendaal

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2010 heeft de minister geweigerd om [wederpartij] als tolk Nederlands-Somali in te schrijven in het register voor beëdigde tolken en vertalers en tevens geweigerd om hem als tolk Nederlands-Somali te plaatsen op de zogenoemde Uitwijklijst.

Bij besluit van 15 juli 2010 heeft de minister het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen de weigering om hem op de zogenoemde Uitwijklijst te plaatsen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 juni 2010 (lees: 15 juli 2010) vernietigd en bepaald dat de minister binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 januari 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2011, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Schuurman en mr. M. Ottevanger, beiden werkzaam bij de raad voor rechtsbijstand, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. J.G.M. ter Avest, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) kan de minister een lijst houden waarop de gegevens worden bijgehouden van tolken en vertalers die beschikken over een recente verklaring omtrent het gedrag en die wegens het ontbreken van opleidingen of het ontbreken van onafhankelijke deskundigen die de kennis kunnen toetsen, niet kunnen aantonen te beschikken over de vereiste competenties taalvaardigheid in de bron- of de doeltaal of kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- en doeltaal. De minister kan een instelling aanwijzen die deze lijst bijhoudt.

De raad voor rechtsbijstand heeft voor de beoordeling van aanvragen tot plaatsing op de zogenoemde Uitwijklijst bij het Besluit Uitwijklijst Wbtv van 25 mei 2009 (Scrt. 2009, 102; hierna: het Besluit Uitwijklijst) beleidsregels vastgesteld.

Volgens artikel 1 kan de raad voor rechtsbijstand indien hij een verzoek van een tolk of vertaler om te worden ingeschreven in het register afwijst, de tolk of vertaler voor de betreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) plaatsen op de Uitwijklijst indien:

- in de betreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) geen door de Raad voor Rechtsbijstand erkende toets kan worden afgelegd;

- en de tolk of vertaler aantoonbaar beschikt over aantoonbaar mbo-denk/werkniveau, taalcompetenties in bron- en doeltaal op niveau B2 van het Europese referentiekader voor talen en relevante werkervaring als tolk, respectievelijk vertaler;

- en de tolk of vertaler minimaal acht punten scoort op de competentiematrix die als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

2.2. De voorzieningenrechter heeft het besluit op bezwaar van 15 juli 2010 vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel omdat in dat besluit voor de motivering wordt verwezen naar het advies van de commissie voor bezwaar waarin slechts wordt gesteld dat [wederpartij] niet voldoet aan de gestelde vereisten genoemd in het Besluit Uitwijklijst, zonder dit te motiveren. De in het verweerschrift en ter zitting gegeven motivering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand te laten.

2.3. Het hoger beroep van de minister richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij een nieuw besluit op bezwaar moet nemen omdat hij zijn standpunt dat [wederpartij] niet ten minste acht punten scoort op de competentiematrix niet voldoende heeft gemotiveerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat alleen punten kunnen worden verkregen voor het criterium onderwijs in het taalgebied van de voor de betrokkene vreemde taal (D2), indien het gaat om afgerond onderwijs. Met taalstudie (niveau hoger onderwijs), criterium D3, wordt bedoeld de taalstudie waarbij ook aandacht wordt besteed aan de bijbehorende cultuur en maatschappij. De cursus Nederlands als tweede taal is niet een dergelijke taalstudie, aldus de minister. Ten slotte heeft de minister aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de vereiste 2 jaar werkervaring onder criterium D4 van de competentiematrix ook kan zien op de ervaring als tolk en vertaler.

2.4. Paragraaf 3 van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers van 24 december 2008 (Stb. 2008, 250) bevat de verlening van mandaat en machtiging van de minister aan de raad voor rechtsbijstand. Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover van belang, wordt aan de raad voor rechtsbijstand mandaat en machtiging verleend ten aanzien van de aan de minister toekomende bevoegdheden en handelingen betreffende de aangelegenheden, bedoeld in de Wbtv en het Besluit beëdigde tolken en vertalers. Artikel 4 geeft de minister mandaat en machtiging om bezwaar, beroep en klachten te behandelen. Artikel 5 bepaalt dat aan de raad mandaat en machtiging wordt verleend om besluiten te nemen betreffende verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet bescherming persoonsgegevens. Anders dan de minister betoogt, behelst het in deze paragraaf gegeven mandaat wat betreft de Wbtv slechts de bevoegdheid tot het nemen van de genoemde besluiten en niet tevens een mandaat voor de vaststelling van beleidsregels. Daarvoor is ingevolge afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 4:81 van die wet een afzonderlijk mandaat vereist. Nu dit mandaat pas op 13 januari 2011 is verleend en het Besluit Uitwijklijst per die datum door de minister met terugwerkende kracht is bekrachtigd, bevatte het Besluit Uitwijklijst ten tijde van de behandeling van het beroep bij de voorzieningenrechter geen bevoegdelijk vastgestelde beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent echter niet dat de minister bij de beoordeling van de aanvraag de in het Besluit Uitwijklijst opgenomen beleidsregels niet mocht betrekken. Zoals de vertegenwoordiger van de minister ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, heeft hij het Besluit Uitwijklijst sinds de vaststelling op 25 mei 2009 bij de beoordeling van alle aanvragen toegepast. Het Besluit Uitwijklijst dient daarom te worden geduid als een vaste gedragslijn.

2.5. De toekenning van punten op de competentiematrix geschiedt aan de hand van vijf criteria of groepen van criteria, in het Besluit Uitwijklijst claims genoemd. Deze criteria acht de Afdeling niet kennelijk onredelijk. Niet in geschil is dat [wederpartij] niet voldoet aan criterium D5. Ook niet meer in geschil is dat [wederpartij] vier punten scoort op grond van het criterium D1, omdat hij moedertaalspreker is en middelbaar onderwijs in die taal heeft gevolgd.

De Afdeling is, gelet op het doel van de voorwaarden voor plaatsing op de Uitwijklijst, namelijk te verzekeren dat de betrokken tolken en vertalers over voldoende vaardigheden beschikken, van oordeel dat de minister het criterium onder D2 in redelijkheid zo heeft kunnen uitleggen dat betrokkene een opleiding op het niveau van hoger onderwijs in het taalgebied van de voor betrokkene vreemde taal, moet hebben afgerond. Nu [wederpartij] slechts een jaar heeft gestudeerd aan de Fontys Hogeschool te Eindhoven, heeft de minister terecht geen punten voor dit criterium toegekend.

Anders dan de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat voor het beoordelen van het criterium onder D3 de door [wederpartij] met succes gevolgde cursus Nederlands als tweede taal (NT2) niet kan worden aangemerkt als taalstudie. De voltooiing van deze cursus geeft slechts toegang tot een hoger beroeps- of wetenschappelijke opleiding en kan niet worden gelijkgesteld met een taalstudie (niveau hoger onderwijs) van de voor betrokkene vreemde taal, waarbij naast verdergaande taalkennis ook aandacht wordt besteed aan de betreffende cultuur en maatschappij.

Gelet op het vorenstaande zal [wederpartij] ook in het geval hij het maximaal aantal punten zou scoren voor het laatst overgebleven criterium op de competentiematrix, te weten: drie punten onder D4, niet komen tot een score van het voor plaatsing op de Uitwijklijst vereiste aantal van minimaal acht punten. De minister heeft derhalve terecht geweigerd [wederpartij] als tolk Nederlands-Somali te plaatsen op de zogenoemde Uitwijklijst. De voorzieningenrechter heeft derhalve ten onrechte geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand te laten.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de voorzieningenrechter heeft bepaald dat de minister een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar van 15 juli 2010 geheel in stand blijven.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 16 december 2010 in zaak nrs. 10/3490 en 10/2866, voor zover de voorzieningenrechter heeft bepaald dat de minister een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar van 15 juli 2010, geheel in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011

290.