Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5700

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
201100652/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 13 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur drie aan [appellante] afzonderlijk verstrekte bedrijfsparkeervergunningen per 1 maart 2010 ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/308 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100652/1/H3.

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 december 2010 in zaak nr. 10/1214 in het geding tussen:

[appellante]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid, voorheen stadsdeel Oud-Zuid.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 13 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur drie aan [appellante] afzonderlijk verstrekte bedrijfsparkeervergunningen per 1 maart 2010 ingetrokken.

Bij besluit van 29 januari 2010 heeft het dagelijks bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de geldigheidsduur van de ingetrokken vergunningen wordt verlengd tot 1 september 2010.

Bij uitspraak van 3 december 2010, verzonden op 6 december 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2011, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door één van haar bestuurders, [bestuurder], bijgestaan door G.J.J. Hoeberechts, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. T.M. van Gorsel, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Parkeerverordening 2009 (hierna: de Parkeerverordening) regelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) het al dan niet verlenen op code van een bedrijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, wordt een bedrijfsvergunning verleend aan een bedrijf dat gelegen is in een vergunninggebied.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, is het aantal vergunningen per bedrijf afhankelijk van het aantal in het bedrijf daadwerkelijk gestationeerde werknemers en kan het maximaal één per tien werknemers bedragen indien het bedrijf is gelegen in gebied II.

Ingevolge het achtste lid, voor zover thans van belang, wordt het aantal op basis van dit artikel te verlenen bedrijfsvergunningen verminderd met het aantal verleende bedrijfsvergunningen op code.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bedrijfsvergunning op verzoek van de aanvrager op code verleend aan een bedrijf dat gelegen is in een vergunninggebied indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald en de verlening op code nodig is vanwege de bedrijfsvoering omdat naar het oordeel van het college sprake is van een voortdurend en onvermijdelijk wisselend bestand aan auto's.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, wordt het aantal op basis van dit artikel te verlenen vergunningen verminderd met het aantal verleende bedrijfsvergunningen op kenteken.

Ingevolge het vierde lid zijn de bepalingen van artikel 10, tweede tot en met zevende lid, negende lid en tiende lid, van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 27, vijfde lid, voor zover thans van belang, wordt de bedrijfsvergunning als bedoeld in artikel 10 en 11 steeds stilzwijgend verlengd voor een periode van zes maanden, zolang is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening en de verschuldigde parkeerbelasting tijdig is voldaan.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, trekt het college een vergunning in, indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening.

Ingevolge artikel 40 is het college bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen, draagt het college al zijn bevoegdheden over aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Uitwerkingsbesluit Parkeren stadsdeel Oud-Zuid 2010 (hierna: het Uitwerkingsbesluit), voor zover thans van belang, bedraagt het aantal te verlenen bedrijfsvergunningen voor bedrijven maximaal één per tien werknemers.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, wordt het aantal op basis van dit artikel te verlenen bedrijfsvergunningen verminderd met het aantal verleende bedrijfsvergunningen op code.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, voor zover thans van belang, kan het dagelijks bestuur, in plaats van op kenteken, op code bedrijfsvergunningen als bedoeld in artikel 10 van de Parkeerverordening verlenen, met in achtneming van artikel 9 van het Uitwerkingsbesluit.

Ingevolge artikel 20 is het dagelijks bestuur bevoegd, in gevallen waarin toepassing van het Uitwerkingsbesluit naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in dit uitwerkingsbesluit.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft drie aan [appellante] verleende bedrijfsparkeervergunningen op code ingetrokken en die intrekkingen in bezwaar gehandhaafd, omdat [appellante] op grond van de Parkeerverordening en het Uitwerkingsbesluit, gelet op het aantal van vijf arbeidsplaatsen, in beginsel in aanmerking komt voor één bedrijfsparkeervergunning. Het dagelijks bestuur heeft gesteld dat het, met het oog op een toegankelijke en leefbare stad, een strikt parkeerbeleid voert om het autogebruik terug te dringen dan wel te ontmoedigen. Het dagelijks bestuur acht het strikt vasthouden aan de voorwaarden van de Parkeerverordening met dit beleid verenigbaar. In dit verband wijst het dagelijks bestuur nadrukkelijk op de toegenomen parkeerdruk en het beperkte aantal beschikbare parkeerplaatsen in Amsterdam. Het dagelijks bestuur heeft geen aanleiding gezien om vanwege een bijzondere hardheid ten gunste van [appellante] af te wijken van het gestelde in de Parkeerverordening en het Uitwerkingsbesluit.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij slechts in aanmerking komt voor één parkeervergunning op kenteken dan wel op code. De rechtbank heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen een parkeervergunning op kenteken en een parkeervergunning op code. [appellante] voelt zich in haar stelling gesteund door de onjuiste verwijzing van de rechtbank naar artikel 10, achtste lid, van de Parkeerverordening. De rechtbank heeft volgens [appellante] miskend dat zij gelet op artikel 11, derde lid, van de Parkeerverordening ook in aanmerking komt voor een parkeervergunning op code.

2.3.1. Niet in geschil is dat de drie parkeervergunningen op code in 1995 terecht aan [appellante] zijn verleend. De grondslag hiervoor was volgens het dagelijks bestuur te vinden in de toen geldende Parkeerverordening 1996 en het Uitwerkingsbesluit Parkeren De Pijp 1996. Deze vergunningen zijn steeds stilzwijgend verlengd voor een periode van zes maanden. Voor het oordeel dat de rechtbank de in 2009 toepasselijke regelgeving verkeerd heeft uitgelegd en heeft miskend dat [appellante] gelet op artikel 11, derde lid, van de Parkeerverordening naast een parkeervergunning op kenteken ook in aanmerking komt voor een parkeervergunning op code, ziet de Afdeling geen grond. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Parkeerverordening geldt voor bedrijfsvergunningen op code eveneens artikel 10, tweede lid, van die verordening. Dezelfde normering per aantal werknemers is dus ook voor dit type bedrijfsvergunningen van toepassing. De artikelen 10, achtste lid, en 11, derde lid, van de Parkeerverordening tezamen waarborgen dat voor dezelfde werknemers niet beide typen vergunningen kunnen worden verleend. De omstandigheid dat de rechtbank artikel 10, achtste lid, van de Parkeerverordening heeft aangehaald, waar zij doelt op artikel 11, derde lid, van die verordening, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat [appellante] op grond van de Parkeerverordening en het Uitwerkingsbesluit in aanmerking komt voor één parkeervergunning op kenteken dan wel op code.

2.4. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op het vertrouwensbeginsel niet heeft gehonoreerd. Zij stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij er op grond van een brief van PCH Parkeerservices van 8 juni 2009 niet op kon vertrouwen dat zij over de drie parkeervergunningen kon blijven beschikken. Verder acht [appellante] de intrekking van de parkeervergunningen in strijd met het verbod op willekeur, nu een nabijgelegen school met negentig werknemers over achttien parkeervergunningen op code beschikt en de naastgelegen buurt overspoeld wordt met auto's van een autoverhuurbedrijf. Ook zijn andere garages in de buurt niet door het dagelijks bestuur gecontroleerd op het aantal parkeervergunningen, aldus [appellante].

2.4.1. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2007 in zaak nrs. 200702346/1 en 200702346/2, overwogen dat [appellante] er op basis van de opeenvolgende, stilzwijgende, verlengingen niet op kon vertrouwen ook in de toekomst steeds over de aan haar verleende parkeervergunningen te kunnen blijven beschikken. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het mogelijk is dat parkeervergunningen, ook gedurende vele jaren, telkens worden verlengd zonder dat is getoetst of nog aan de voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank heeft terecht van belang geacht dat als de brief van PHC Parkeerservices van 8 juni 2009 zou moeten worden aangemerkt als een concrete toezegging dat zij over de drie parkeervergunningen op code kon blijven beschikken en deze toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, deze toezegging slechts een beperkte geldigheidsduur zou hebben. Nu de geldigheid van de vergunningen eerst is verlengd tot de uitspraak van de rechtbank en thans tot aan de uitspraak op het hoger beroep, is dan ook geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel.

[appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een nabijgelegen school en een autoverhuurbedrijf over meer parkeervergunningen beschikken dan waarvoor zij op grond van de toepasselijke regelgeving in aanmerking komen. Ook is niet gebleken dat het dagelijks bestuur andere garages in de buurt niet controleert. Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat de handelwijze van het dagelijks bestuur jegens [appellante] als willekeurig moet worden aangemerkt.

2.5. Tot slot betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur de hardheidsclausule had moeten toepassen. Daartoe voert [appellante] aan dat de wachttijd voor een parkeervergunning in de buurt minder dan een half jaar bedraagt en de auto's van de garage slechts voor korte tijd én alleen overdag op de openbare weg worden geparkeerd. Het gevolg van de intrekking van de vergunningen is volgens [appellante] dat zij haar bedrijfsvoering zal moeten staken.

[appellante] stelt verder dat de intrekking van de vergunningen er niet toe zal leiden dat het autogebruik in de buurt wordt teruggedrongen, omdat aan drie bewoners daarvoor in de plaats een parkeervergunning wordt verleend. De intrekking van de parkeervergunningen is volgens [appellante] om die reden niet met het door het dagelijks bestuur gevoerde beleid verenigbaar.

2.5.1. Anders dan [appellante] stelt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de intrekking van de parkeervergunningen achterwege had moeten blijven met toepassing van de hardheidsclausule. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de intrekking van de drie parkeervergunningen niet meer in staat zal zijn haar werkzaamheden uit te voeren en zij daarom haar bedrijfsvoering zal moeten staken. Het door [appellante] aangevoerde levert geen grond op voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van zodanig bijzondere en onvoorziene omstandigheden, dat toepassing van de hardheidsclausule aangewezen is.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011

176-597.