Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
201012333/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van de aanvraag van een chauffeurspas bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat te Den Haag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012333/1/H3.

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2010 in zaak nr. 10/3257 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister (lees: de staatssecretaris) van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van de aanvraag van een chauffeurspas bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat te Den Haag afgewezen.

Bij besluit van 8 juni 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2010, verzonden op 15 november 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 januari 2011.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door A. Mojaed, medewerkster ten kantore van J.S. Pols, advocaat te Vogelenzang, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. dos Santos, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een verklaring, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) wordt met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, slechts diegene belast, die over een geldige chauffeurspas beschikt.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, wordt bij de aanvraag voor de chauffeurspas een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende VOG overeenkomstig de bepalingen van de Wjsg overgelegd.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 (Stcrt. 2008, nr. 119; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. Aan een aanvrager die in het geheel niet in de justitiële documentatie voorkomt, wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager wel in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de vraag of een verklaring kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1.1, voor zover thans van belang, vindt beoordeling in beginsel plaats op grond van de justitiële gegevens die in de justitiële documentatie in de vier jaren voorafgaand aan de aanvraag voorkomen. Indien in de voor de aanvraag relevante terugkijktermijn justitiële gegevens zijn aangetroffen, worden alle voor de aanvraag relevante gegevens uit de justitiële documentatie in de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag beoordeeld. Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt onder meer afgeweken wanneer de aanvraag voor de VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen. Volgens het specifieke screeningsprofiel geldend voor een taxichauffeur bedraagt de terugkijktermijn bij dit beroep vijf jaren.

Volgens paragraaf 3.2 betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Dit criterium is gebaseerd op artikel 35 van de Wjsg. Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het desbetreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de verklaring in beginsel geweigerd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene bij het verstrekken van de VOG heeft zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de verklaring afgegeven, ook als wordt voldaan aan het objectieve criterium voor weigering.

Volgens paragraaf 3.3.2 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. De omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden zijn alleen relevant indien de minister, na weging van de subjectieve criteria, niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfelt of een verklaring omtrent het gedrag kan worden afgegeven. De omstandigheden waaronder het feit is gepleegd kunnen op velerlei zaken zien, bijvoorbeeld of het feit zich in de privésfeer heeft voorgedaan.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de VOG, hanteert de minister bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen, bedoeld in paragraaf 3.2.3.

In het specifieke screeningsprofiel 'taxibranche; chauffeurspas', voor zover thans van belang, staat vermeld dat de taxichauffeur is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. Chauffeurs in (straat)taxivervoer gaan daarnaast met contante en girale waarden om. Een van de risico's in de taxibranche is het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen. Denk bijvoorbeeld aan rijden onder invloed van alcohol, agressief rijgedrag enz. Daarnaast bestaat ook het gevaar van machtsmisbruik (zedendelicten), afpersing, afdreiging, diefstal of verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen.

2.2. De minister heeft aan zijn besluit van 8 juni 2010 ten grondslag gelegd dat [appellant] bij onherroepelijk geworden uitspraak van 20 januari 2010 is veroordeeld wegens het overschrijden van de maximumsnelheid tot een geldboete van € 280,00 subsidiair 5 dagen hechtenis. Voorts heeft de minister aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] bij onherroepelijk geworden uitspraak van 28 augustus 2009 is veroordeeld wegens het overschrijden van de maximumsnelheid tot een geldboete van € 430,00 subsidiair 8 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, die heeft gelopen tot 11 september 2010. Verder heeft de minister aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] bij onherroepelijk geworden uitspraak van 15 maart 2007 is veroordeeld wegens het overschrijden van de maximumsnelheid tot een geldboete van € 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis en dat met [appellant] op 27 november 2006 een transactie is overeengekomen ten bedrage van € 250,00 wegens het overschrijden van de maximumsnelheid.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevraagde VOG diende te worden geweigerd. Hij voert aan dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat snelheidsovertredingen op zichzelf en indien herhaald een gevaar vormen voor het welzijn en de veiligheid van passagiers en medeweggebruikers. Volgens [appellant] is het gevaar bij een snelheidsovertreding afhankelijk van de omstandigheden waaronder de overtreding wordt gepleegd. Zo vormt een snelheidsovertreding op een wegvak waar vanwege milieueisen een snelheidsbeperking geldt geen risico voor de veiligheid, aldus [appellant]. Voorts leveren snelheidsovertredingen die niet excessief zijn geen gevaar op voor het welzijn en de veiligheid van passagiers en medeweggebruikers. [appellant] verwijst voor zijn betoog naar een recent verschenen onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie. Voorts is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan zijn stelling dat de minister niet de bevoegdheid heeft om de rijvaardigheid van taxichauffeurs te beoordelen, aldus [appellant].

2.3.1. Het betoog faalt. Dat snelheidsovertredingen niet onder alle omstandigheden tot gevaarlijke situaties leiden, doet niet af aan het bestaan van een risico voor de samenleving, indien deze snelheidsovertredingen worden herhaald. De minister hoeft derhalve niet te beoordelen of specifieke snelheidsovertredingen gevaar hebben opgeleverd of zullen opleveren. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bij herhaling in aanzienlijke mate overschrijden van de toegestane maximumsnelheid bij uitstek niet te verenigen is met de functie van taxichauffeur.

[appellant] voert terecht aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn betoog dat de minister niet de bevoegdheid heeft om de rijvaardigheid van taxichauffeurs te beoordelen. Dat kan evenwel niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de minister in deze procedure niet de rijvaardigheid heeft beoordeeld, maar het bestaan van een risico voor de samenleving indien [appellant] het beroep van taxichauffeur zou uitoefenen. De rijvaardigheid van [appellant] staat derhalve niet ter beoordeling. Dat [appellant] de weigering van de minister hem een VOG te verstrekken wel als zodanig oordeel ervaart doet aan het voorgaande niet af.

2.4. Verder betoogt [appellant] dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan delicten maar aan overtredingen, die hem bovendien niet zwaar zijn aangerekend. Daarbij is de pakkans bij een taxichauffeur groter dan bij een gemiddelde autobestuurder. Voorts voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat niet duidelijk is op grond waarvan de minister tot het oordeel is gekomen dat de kans op recidive groot is. Hij voert verder aan dat snelheidsovertredingen veelvuldig voorkomen, ook onder taxichauffeurs, en wijst erop dat in 2006 negen miljoen sancties voor snelheidsovertredingen zijn opgelegd. Voorts wist [appellant] niet dat deze overtredingen gevolgen zouden kunnen hebben voor de afgifte van een VOG. Hij voert ten slotte aan dat hij door de weigering van de minister hem een VOG te verstrekken zijn beroep als taxichauffeur niet meer kan uitoefenen en dat hij daardoor zijn onderneming dient te staken.

2.4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die tot afgifte van de VOG zouden moeten leiden. De minister heeft zich gelet op de verstreken tijd sinds de veroordelingen, in samenhang met de terug te kijken termijn, en de hoeveelheid relevante feiten, zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het risico voor de samenleving niet voldoende was afgenomen om afgifte van een VOG te rechtvaardigen. De minister heeft ten aanzien van het recidivegevaar in zijn besluit van 8 juni 2010 uiteengezet dat daarop een grotere kans bestaat indien meer relevante justitiële gegevens worden aangetroffen. Nu ten aanzien van [appellant] meer relevante justitiële gegevens binnen de terugkijktermijn in het Justitieel Documentatie Systeem zijn aangetroffen, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, mede gelet op het beperkte tijdsverloop, de kans aanwezig is dat [appellant] zal recidiveren. Ten aanzien van de ernst van de strafbare feiten heeft de minister mogen afgaan op hetgeen in de strafoplegging tot uitdrukking is gebracht. Daarbij heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de snelheidsovertredingen [appellant] weliswaar niet zwaar zijn aangerekend, maar dat dit minder zwaar weegt dan het beperkte tijdsverloop en het gegeven dat hij meermalen met Justitie in aanraking is gekomen in verband met overtredingen van dezelfde aard. Ten aanzien van de grotere pakkans bij taxichauffeurs heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat deze geen rol kan spelen bij deze beoordeling, omdat [appellant], juist als taxichauffeur, zich in het geheel niet schuldig dient te maken aan dergelijke snelheidovertredingen. Voorts ligt in het Besluit besloten, zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 19 maart 2009 (in zaak nr. 200805579/1), dat de onthouding van een VOG ertoe leidt dat de aanvrager het beroep van taxichauffeur niet kan uitoefenen. Dat gevolg, waarvoor de wetgever bewust heeft gekozen, kan reeds daarom niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Door in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de toetsing van de aanvraag van een VOG genoemde strafbare feiten te plegen, heeft [appellant] het risico genomen dat hij zijn beroepsuitoefening als taxichauffeur niet zou kunnen voortzetten. Dat dit voor hem grote financiële gevolgen heeft en dat hij als gevolg van de weigering zijn onderneming moet staken doet daaraan niet af.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011

176-671.