Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5690

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
201100103/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 november 2010 heeft de minster krachtens de Spoedwet wegverbreding het wegaanpassingsbesluit A9 Alkmaar-Uitgeest vastgesteld. Dit besluit is op 23 november 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100103/1/M2.

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te Heiloo,

2. [appellant sub 2A ] en [appellant sub 2B], wonend te Heiloo,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2010 heeft de minster krachtens de Spoedwet wegverbreding het wegaanpassingsbesluit A9 Alkmaar-Uitgeest vastgesteld. Dit besluit is op 23 november 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2011, en [appellant sub 2A ] en [appellant sub 2B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2011, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Jacobs, drs. E. de Heij en ir. Ing. R.A. Lelieveld, allen werkzaam bij het ministerie, en ing. S. Buitelaar en ir. R.K.F. van Moppes, beiden werkzaam bij het akoestisch adviesbureau DB-vision, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.1.1. [appellant sub 2B] heeft geen zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Hieruit volgt dat het beroep van [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk is.

2.1.2. Van de zijde van [appellant sub 1] en anderen hebben [56 appellanten] geen zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk is voor zover het is ingesteld door [56 appellanten].

Het beroep is wel ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [17 appellanten] en zal hierna worden aangeduid als het beroep van [appellant sub 1] en anderen.

Het wegaanpassingsbesluit

2.2. Het wegaanpassingsbesluit heeft betrekking op het inrichten van vluchtstroken als spitsstrook op het wegvak Alkmaar-Uitgeest van de A9, het realiseren van in- en uitleidende stroken en het verschuiven van in- en uitvoegstroken. Bij het besluit zijn tevens voor een aantal woningen waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de A9 (hierna: hogere waarden) vastgesteld.

Crisis en herstelwet

2.3. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw), die op 31 maart 2010 in werking is getreden, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge bijlage I, artikel 5.2, zijn wegaanpassingsprojecten als bedoeld in artikel 2 van de Spoedwet wegverbreding projecten als bedoeld in artikel 1.1 van de Chw.

Het wegaanpassingsbesluit is een besluit waarop de bepalingen van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing zijn.

Omvang toetsing

2.4. In deze procedure kunnen uitsluitend beroepsgronden aan de orde komen die betrekking hebben op het wegaanpassingsbesluit, en die zien op feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het wegaanpassingsbesluit. De beroepsgronden van [appellant sub 2A] en [appellant sub 1] en anderen die daar niet op zien - zoals gronden over de na het nemen van het bestreden besluit gestarte procedure tot mogelijke verhoging van de maximumsnelheid op de A9 - zal de Afdeling dan ook in deze procedure niet in haar oordeel kunnen betrekken.

Kennisgeving ontwerpbesluit

2.5. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant sub 1] en anderen aldus dat zij van mening zijn dat het ontwerpbesluit ten onrechte niet naar alle bewoners van de wijk Ypestein/Oosterbos is gestuurd.

2.5.1. Ingevolge artikel 5, derde lid, van de Spoedwet wegverbreding zendt onze minister het ontwerp-wegaanpassingsbesluit, indien het hogere waarden bevat voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting in zones ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i van de Wet geluidhinder, voordat het ter inzage wordt gelegd aan:

a. de gebruikers van de woningen of de woonwagenstandplaatsen, het bevoegd gezag van scholen en de directies van ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen waarvoor een hogere waarde wordt bepaald;

b. de ter plaatse bevoegde inspecteur, die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is aangewezen;

c. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, indien het betrekking heeft op scholen.

2.5.2. Anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, volgt uit artikel 5, derde lid, van de Spoedwet wegverbreding dan wel uit enige andere rechtsregel niet dat het ontwerpbesluit ook aan andere dan in dit artikellid genoemde personen moet worden verzonden alvorens het ter inzage wordt gelegd. De minister heeft zich onbetwist op het standpunt gesteld dat het ontwerpbesluit aan alle gebruikers van de woningen waarvoor hogere waarden zijn gesteld, is toegestuurd. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder - Wettelijk kader

2.6. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding is voor de toepassing van deze wet ten aanzien van de in de bijlage, onder A, opgenomen wegaanpassingsprojecten, onder meer afdeling 2A van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder van overeenkomstige toepassing. Daarin zijn de artikelen 87b tot en met 87i opgenomen.

In de bijlage, onder A, zijn de projecten waarop het thans bestreden wegaanpassingsbesluit betrekking heeft, opgenomen.

Ingevolge artikel 5, tweede lid - kort weergegeven en voor zover hier van belang - moet het wegaanpassingsbesluit ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde wegaanpassingsprojecten de beslissing tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting en een aanduiding van de op het terugbrengen van de geluidbelasting gerichte maatregelen bevatten.

In artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet geluidhinder, is, kort weergegeven en voor zover hier van belang, bepaald dat onder aanpassing van een weg moet worden verstaan: een aanpassing ten gevolge waarvan de geluidbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de geluidbelasting die op grond van deze afdeling als ten hoogste toelaatbare geluidbelasting geldt.

In artikel 87f, eerste lid, aanhef en onder a, is, voor zover hier van belang, bepaald dat behoudens het tweede tot en met het vierde lid, de voor woningen ten gevolge waarvan de hoofdweg wordt aangepast, ten hoogste toelaatbare geluidbelasting 48 dB is, indien de geluidbelasting van de woning vanwege de hoofdweg op 1 maart 1986 lager dan of gelijk was aan 60 dB(A).

Ingevolge artikel 87f, tweede lid, geldt, voor zover hier van belang, ingeval eerder een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege de betrokken weg of wegen is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, de voor de woningen binnen de zone van een te wijzigen of te verbreden hoofdweg ten gevolge waarvan de hoofdweg of binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen worden aangepast, ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen, de laagste van de volgende twee waarden:

a. de heersende waarde;

b. de eerder vastgestelde waarde.

Ingevolge artikel 87g, tweede lid, aanhef en onder b, geldt dat, voor zover hier van belang, in geval eerder een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege de betrokken weg of wegen is vastgesteld dan 48 dB, de voor de woningen binnen de zone van een te wijzigen of te verbreden hoofdweg ten gevolge waarvan de hoofdweg of binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen worden aangepast, ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen:

b. de laagste van de volgende twee waarden als de heersende waarde hoger is dan 48 dB:

1˚de heersende waarde;

2˚de eerder vastgestelde waarde.

Ingevolge artikel 87g, derde lid, samen met artikel 87b, eerste lid, onder a, kan de minister een hogere dan de in het eerste lid bedoelde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze de waarde van 68 dB niet te boven mag gaan.

Geluidhinder - berekeningen

2.7. Aan het wegaanpassingsbesluit ligt ten grondslag het akoestisch onderzoek dat is vastgelegd in de door Arcadis Nederland B.V. opgestelde rapporten "Akoestisch onderzoek voor wegaanpassingsbesluit Hoofdrapport" (hierna: het Hoofdrapport) van 14 oktober 2010, "Bijlagenrapport specifieke uitgangspunten en resultaten Akoestisch onderzoek" (hierna: het Bijlagenrapport specifieke uitgangspunten), van 14 oktober 2010, en "Bijlagenrapport algemene uitgangspunten Akoestisch onderzoek voor wegaanpassingsbesluit" (hierna: het Bijlagenrapport algemene uitgangspunten) van 12 mei 2010.

2.8. [appellant sub 2A] woont aan de [locatie 1] te [plaats] op ongeveer 60 meter afstand van de A9, en vreest geluidhinder. Volgens [appellant sub 2A] en [appellant sub 1] en anderen is het akoestisch onderzoek niet deugdelijk, omdat daarin een aantal onjuiste uitgangspunten is gehanteerd. [appellant sub 1] en anderen voeren in dit verband aan dat in de berekeningen ten onrechte geen rekening is gehouden met tuinen behorend bij de woningen, en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het verzakken van de huidige weg en de reeds aanwezige geluidschermen. [appellant sub 2A] voert aan dat de aannames met betrekking tot de verkeersintensiteiten, het gebruik van de spitsstroken en de (maximum) snelheden onjuist zijn, en dat de geluidbelasting op haar woning wordt onderschat.

2.8.1. In artikel 87d, eerste lid, van de Wet geluidhinder is bepaald waarnaar akoestisch onderzoek moet worden gedaan bij het voorbereiden van de aanleg van een hoofdweg. Ingevolge dit artikellid moet - kort weergegeven en voor zover hier van belang - onderzoek worden ingesteld naar de geluidbelasting die door woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de weg vanwege de weg wordt ondervonden.

Een woning is ingevolge artikel 1 een gebouw dat voor bewoning gebruikt wordt of daartoe bestemd is.

Geluidsgevoelige terreinen zijn ingevolge artikel 1 terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg, of woonwagenstandplaatsen.

2.8.2. Gelet op het voorgaande noopt de Wet geluidhinder er niet toe om onderzoek te doen naar de geluidbelasting die wordt ondervonden in tuinen bij woningen vanwege de A9.

2.8.3. De minister heeft ter zitting uiteengezet dat de hoogteligging van wegen en aanwezige geluidschermen regelmatig digitaal wordt gemeten vanuit een vliegtuig. Deze gegevens worden opgeslagen in een Excel bestand en regelmatig geactualiseerd.

In tabel 3-9 en 3-16 van het Bijlagenrapport specifieke uitgangspunten is de ligging van de reeds aanwezige geluidschermen opgenomen. In die tabellen is de hoogte ten opzichte van de kant wegverharding weergegeven. In tabel 3-2 van het Bijlagenrapport specifieke uitgangspunten is weergegeven dat de gegevens met betrekking tot de locatie van de geluidschermen afkomstig zijn uit een inventarisatie ter plaatse medio juli 2009 en het Excel bestand 'Schermen_A9', dat de minister verstrekt. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de minister ten tijde van het nemen van het wegaanpassingsbesluit niet heeft kunnen uitgaan van de juistheid van de beschikbare gegevens met betrekking tot de hoogteligging van de weg en de reeds aanwezige geluidschermen.

2.8.4. De verkeersgegevens zijn berekend met behulp van het Nieuw regionaal verkeersmodel van de Randstad versie 2.3 (hierna: het NRM). Deze zijn opgenomen in paragraaf 3.4, tabel 3-2, van het Hoofdrapport. Voor het berekenen van de geluidbelasting is volgens de minister uitgegaan van een 'worstcase'-scenario. Voor de verkeersintensiteiten is uitgegaan van continue openstelling van de spitsstroken, en voor de rijsnelheid is uitgegaan van een maximumsnelheid van 120 kilometer per uur. Volgens de minister zal de werkelijkheid gunstiger zijn, de spitsstroken zullen bijvoorbeeld niet continu geopend zijn, maar deze zullen worden opengesteld wanneer de verkeersintensiteit boven het aantal van 3.000 voertuigen per uur uitkomt, en de maximumsnelheid bedraagt bij openstelling 100 kilometer per uur in plaats van 120 kilometer per uur. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant sub 2A] geen aanleiding voor het oordeel dat de door de minister gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. Gelet hierop is in hetgeen [appellant sub 2A] heeft aangevoerd geen grond gelegen om te twijfelen aan de juistheid van de bij haar woning berekende waarden.

2.9. [appellant sub 2A] voert aan dat de minister in het akoestisch onderzoek onvoldoende inzicht geeft in de geluidbelasting op verschillende richtinggevende momenten in de toekomst. Verder stellen [appellant sub 2A] en [appellant sub 1] en anderen dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door de gemeente Heiloo geplande aansluiting op de A9.

2.9.1. Ingevolge artikel 110d van de Wet geluidhinder wordt ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau bij ministeriële regeling aangegeven op welke wijze en met inachtneming van welke bestaande of te verwachten omstandigheden, de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid worden vastgesteld, en op welke wijze uit de over een bepaalde periode verkregen uitkomsten het in vorengenoemde omschrijving bedoelde gemiddelde wordt afgeleid. Hieraan is uitvoering gegeven in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: RMV 2006).

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van het RMV 2006 wordt het equivalente geluidsniveau bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode II.

Volgens de toelichting bij het RMV 2006 kan, indien zich geen bijzondere omstandigheden voordoen, als het toekomstig maatgevende jaar worden aangehouden het tiende jaar na de potentiële wijziging van een weg.

2.9.2. In het Bijlagenrapport algemene uitgangspunten is vermeld dat het akoestisch onderzoek overeenkomstig het RMV 2006 en de daarin weergegeven Standaardrekenmethode II is uitgevoerd. In de toelichting (Stcrt. 2006, 249, blz. 84) bij artikel 3.3 is opgemerkt dat deze methode zodanig is dat voor vrijwel alle situaties een betrouwbaar resultaat verkregen wordt. Alleen voor heel bijzondere situaties kan een andere of aanvullende methode noodzakelijk zijn voor een juiste bepaling van het geluidsniveau, aldus de toelichting. Voor het bepalen van de toename van de geluidbelasting in de toekomstige situatie is in het akoestisch onderzoek uitgegaan van het jaar 2022 als het maatgevende jaar. [appellant sub 2A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich een bijzondere situatie voordoet die noopt tot het toepassen van een andere of aanvullende methode, of een ander toekomstig maatgevend jaar dan wel voor het inzicht geven op verschillende richtinggevende momenten in de toekomst.

2.9.3. In het akoestisch onderzoek is geen rekening gehouden met de door de gemeente Heiloo geplande aansluiting op de A9. Uit Bijlage X "toelichting gebruik verkeersmodellen" (van oktober 2009) bij het wegaanpassingsbesluit volgt dat ten tijde van het nemen van het ontwerpwegaanpassingsbesluit is uitgegaan van het bestaande wegennet, uitgebreid met de uitvoeringsprojecten uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport 2009 (vanaf de planstudie fase), de Spoedweg Wegverbreding (ZSMI/II), alsmede vastgestelde uitbreidingsplannen van het regionale wegennet. De aansluiting bij Heiloo is niet opgenomen in dat Meerjarenprogramma.

2.9.4. Volgens de minister was ten tijde van het wegaanpassingsbesluit nog niet bekend of de aansluiting bij Heiloo op de A9 zou worden gerealiseerd en evenmin waar deze zou komen, derhalve was het niet mogelijk om te bepalen wat de akoestische effecten daarvan zullen zijn. Tevens moet volgens de minister besluitvorming over de aansluiting nog plaatsvinden en ligt het initiatief daarvoor bij de gemeente Heiloo. De minister acht het daarom aangewezen dat bij de besluitvorming over de aansluiting bij Heiloo op de A9 een separaat geluidonderzoek zal worden uitgevoerd waarbij rekening gehouden wordt met de onderhavige wegaanpassing van de A9. In hetgeen [appellant sub 2A] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister dit standpunt niet op goede gronden heeft kunnen innemen.

2.10. De conclusie is dat de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2A] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de minister niet heeft kunnen uitgaan van de deugdelijkheid van het akoestisch onderzoek.

De beroepsgronden falen.

Geluidhinder - maatregelen

2.11. [appellant sub 2A] voert aan dat het wegaanpassingsbesluit ten onrechte onvoldoende in maatregelen voorziet om geluidhinder op haar woning te beperken.

2.11.1. Voor woningen langs het tracé, waarvoor het wegaanpassingsbesluit is genomen, kunnen, gezien het hiervoor weergegeven wettelijk kader, waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting gelden, indien ten gevolge van de toename van de geluidbelasting bij die woningen sprake is van een aanpassing van de weg (artikel 87f, hierna te noemen: aanpassingswoningen), of wanneer de geluidbelasting bij die woningen op 1 maart 1986 hoger was dan 60 dB(A) (artikel 87g, hierna te noemen: saneringswoningen).

2.11.2. Bij besluit van 4 december 2001 heeft de minister voor de woning [locatie 1], de woning van [appellant sub 2A], een hogere waarde vastgesteld in verband met het zijn van een saneringswoning, derhalve is voor deze woning sprake van een afgehandelde saneringssituatie.

2.11.3. Voor de beantwoording van de vraag of de woning [locatie 1] een aanpassingswoning is, moet gezien de definitie van "aanpassing" in artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet geluidhinder worden vastgesteld of de geluidbelasting in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de geluidbelasting die op grond van artikel 87f als ten hoogste toelaatbare geluidbelasting geldt voor de woning. Een redelijke uitleg van artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, brengt mee dat sprake is van een wegaanpassing, wanneer de geluidbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevend jaar zonder het treffen van maatregelen met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de geluidbelasting die voor de woning op grond van artikel 87f zou gelden indien die woning als aanpassingswoning zou moeten worden beschouwd.

2.11.4. Voor de woning [locatie 1] geldt op grond van artikel 87f van de Wet geluidhinder een waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, deze komt op grond van het tweede lid van dit artikel overeen met de laagste waarde van de heersende waarde of de eerder vastgestelde waarde.

In het geluidonderzoek is berekend dat de heersende geluidbelasting bij de woning [locatie 1] maximaal 62,93 dB bedraagt. De eerder vastgestelde hogere waarde bedraagt 63,15 dB. Verder is berekend dat in het toekomstig maatgevende jaar de geluidbelasting zonder het treffen van maatregelen maximaal 64,33 dB zal bedragen. Nu de geluidbelasting in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen niet met meer dan 2 dB toeneemt ten opzichte van de heersende waarde van 62,93 dB, is er wat betreft deze woning geen sprake van een aanpassingssituatie.

2.11.5. Gelet op het voorgaande is de woning van [appellant sub 2A] geen aanpassingswoning, zodat op grond van artikel 87f in samenhang bezien met artikel 87b van de Wet geluidhinder voor deze woning bij het nemen van het wegaanpassingsbesluit geen waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting geldt. Dit brengt mee dat het mogelijk vaststellen van een hogere waarde op grond van artikel 87f, vierde lid, van de Wet geluidhinder - en in het in dat kader doen van onderzoek naar verdere geluidreducerende maatregelen - niet aan de orde is.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder - doelmatigheidsafweging

2.12. [appellant sub 1] en anderen vrezen geluidhinder en voeren - samengevat weergegeven - aan dat het wegaanpassingsbesluit met de daarin opgenomen maatregelen onvoldoende bescherming biedt tegen te verwachten geluidhinder voor de wijk Ypestein/Oosterbos. In dat kader betogen zij dat de minister ten onrechte de in januari 2010 in werking getreden Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder niet heeft toegepast. Verder geeft de minister volgens [appellant sub 1] en anderen onvoldoende inzicht in de afweging van de "financieel akoestische doelmatigheid" van de maatregelen.

2.12.1. De woningen van [appellant sub 1] en anderen aan de Oosterboslaan, de Oostersingel, de Rondelaan en de Tuinenhof zijn gebouwd na 1986, zodat geen sprake is van saneringswoningen. Er is wel sprake van een aanpassingssituatie. In dit kader zijn krachtens artikel 87f, vierde lid, van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld voor de woningen van [appellant sub 1] en anderen onderscheidenlijk aan de [locatie 2], [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 5].

2.12.2. Om te kunnen beoordelen of het treffen van maatregelen ter beperking van de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige objecten geen overwegende bezwaren van financiële aard ontmoet als bedoeld in artikel 87f, zesde lid, van de Wet geluidhinder geeft de minister toepassing aan het zogenoemde maatregelcriterium en doelmatigheidscriterium. Deze criteria houden - kort weergegeven - in dat op basis van een aantal factoren een kosten-batenanalyse wordt uitgevoerd, waarbij een vast normbedrag wordt gehanteerd. Verder is van belang dat de in deze analyse gehanteerde bedragen min of meer fictieve rekenbedragen zijn die als norm worden gebruikt om tot een vergelijking te kunnen komen.

Aan de hand van deze analyse worden de kosten vastgesteld die maximaal mogen worden besteed voor het plaatsen van een scherm. Wanneer de werkelijke kosten van de maatregelen hoger zijn dan het aan de hand van de kosten-batenanalyse vastgestelde maximaal te besteden bedrag aan kosten, is sprake van een uit financieel oogpunt negatief resultaat. Het toepassen van maatregelen is in een dergelijk geval niet doelmatig.

2.12.3. In hoofdstuk 6 van het Bijlagenrapport specifieke uitgangspunten heeft de minister de doelmatigheidsafweging uitgewerkt. Voor het beperken van de geluidbelasting ter plaatse van de woningen [locatie 2], [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 5] heeft de minister bij het wegaanpassingsbesluit de in paragraaf 6.4.2 opgesomde geluidbeperkende maatregelen betrokken. Uit de rekenresultaten in bijlage 3 en tabel 6-4 van het Bijlagenrapport specifieke uitgangspunten volgt dat het toepassen van maatregelen - het aanbrengen van tweelaags ZOAB - gelet op de daarmee gepaard gaande kosten zal leiden tot een uit financieel oogpunt negatief resultaat, en dat het aanbrengen van een geluidscherm van circa 220 meter lang en 2 meter hoog, gelet op de afstandsspreiding van de aanpassingswoningen, niet doelmatig zal zijn. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister onvoldoende inzicht heeft gegeven in de afweging van belangen met betrekking tot de financiële doelmatigheid van de maatregelen en dat daarom in zoverre een onjuiste beoordeling van de doelmatigheid heeft plaatsgevonden.

De door [appellant sub 1] en anderen vermelde Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder (hierna: de Regeling) geeft evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Regeling kan deze buiten toepassing blijven op het vaststellen van een besluit of het doorlopen van een procedure voor de projecten genoemd in bijlage III, totdat deze onherroepelijk zijn geworden respectievelijk zijn afgerond. Het thans bestreden wegaanpassingsbesluit heeft betrekking op een project genoemd in bijlage III. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van de toepassing van deze regeling op het bestreden besluit.

2.12.4. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de doelmatigheidsafweging in het bestreden besluit op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder - cumulatie

2.13. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de minister ten onrechte geen maatregelen heeft toegepast met betrekking tot de cumulatie van geluid.

2.13.1. In artikel 110f, eerste lid, van de Wet geluidhinder is, kort weergegeven en voor zover hier van belang, bepaald dat als een woning is gelegen in een of meerdere geluidszones langs een weg, alsmede in een met het oog op de geluidbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8 van de wet Luchtvaart, tevens akoestisch onderzoek dient te worden gedaan naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen ter plaatse van die woningen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen.

2.13.2. De minister heeft onbetwist gesteld dat de wijk Ypestein/Oosterbos buiten het beperkingengebied van Schiphol valt. In zoverre was de minister op grond van de Wet geluidhinder niet gehouden rekening te houden met de cumulatie van vliegverkeerslawaai en wegverkeerslawaai. Voorts bestaat in hetgeen [appellant sub 1] en anderen betogen, mede gelet op het akoestisch onderzoek, geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen van de cumulatie met luchtverkeerslawaai tot een zodanig significant hogere geluidbelasting zal leiden dat de minister redelijkerwijs aanvullende maatregelen had moeten treffen.

2.13.3. Uit paragraaf 5.5 van het Hoofdrapport volgt dat de vier woningen van [appellant sub 1] en anderen, waarvoor hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld, in meer dan een geluidzone liggen als bedoeld in artikel 110f, eerste lid, van de Wet geluidhinder. Het betreft de geluidzone ten behoeve van de A9, de Rosendaal en de Ypesteinerlaan. Dit betekent dat de cumulatieve effecten vanwege de geluidbelasting van de A9, de Rosendaal en de Ypesteinerlaan dienen te worden onderzocht.

In paragraaf 5.5 van het Hoofdrapport is vermeld dat de Rosendaal en de Ypesteinerlaan ten westen, en de A9 ten oosten van de desbetreffende woningen is gesitueerd. Daardoor zal volgens het Hoofdrapport het treffen van gezamenlijke aanvullende maatregelen niet mogelijk zijn. In bijlage 1 van het Bijlagenrapport specifieke uitgangspunten zijn de resultaten van het onderzoek naar cumulatieve effecten vanwege de geluidbelasting weergegeven. Daaruit volgt dat de geluidbelasting op de woningen [locatie 2], [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 5] nagenoeg gelijk is aan de geluidbelasting vanwege de A9. De minister stelt zich op het standpunt dat in zoverre ten gevolge van cumulatie geen verslechtering van de situatie optreedt, of dat anderszins onaanvaardbare situaties optreden waarvoor redelijkerwijs aanvullende maatregelen getroffen moeten of kunnen worden. Dat standpunt komt de Afdeling niet onjuist voor. Gelet hierop heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat vanwege de gecumuleerde geluidbelasting van de A9 geen geluidbeperkende maatregelen behoeven te worden getroffen.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.14. [appellant sub 2A] stelt dat als gevolg van het wegaanpassingsbesluit gevreesd moet worden voor een verslechtering van de luchtkwaliteit.

2.14.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen de bevoegdheid om krachtens de Spoedwet wegverbreding een wegaanpassingsbesluit te nemen, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen indien de uitoefening is genoemd in een op grond van artikel 5.12, eerste lid, vastgesteld programma.

Ingevolge artikel 5.16, derde lid, voor zover hier van belang, vindt bij de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, gedurende de periode waar een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid betrekking op heeft, met betrekking tot de effecten van het desbetreffende besluit op de luchtkwaliteit geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats.

2.15. Het programma dat is bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het wegaanpassingsbesluit is opgenomen in Bijlage 9 van het NSL. Ingevolge artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer vindt in dat geval geen afzonderlijke toetsing aan de in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) plaats. Deze grenswaarden vormden dus geen beletsel om het wegaanpassingsbesluit vast te stellen.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.16. Het beroep van [appellant sub 2B] is niet-ontvankelijk. De beroepen van [appellant sub 2A] en, voor zover ontvankelijk, [appellant sub 1] en anderen zijn ongegrond.

2.17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk voor zover ingesteld namens [56 appellanten];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011

375-632.