Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5680

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
201101921/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Heukelum, [locatie]" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:1
Algemene wet bestuursrecht 3:40
Algemene wet bestuursrecht 3:42
Algemene wet bestuursrecht 3:43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/703
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101921/1/R2.

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats], gemeente Lingewaal,

appellante,

en

de raad van de gemeente Lingewaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Heukelum, [locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2011, waar [appellante], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door L. van Leijen, werkzaam bij de gemeente, en E.P.H.M. van Sambeek, wethouder, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt de bouw van vijf woningen en één vrijstaande villa mogelijk op het perceel [locatie] in Heukelum.

Procedure

2.2. [appellante] kan zich niet verenigen met het plan. Zij voert hiertoe aan dat de raad een onzorgvuldige en onrechtmatige procedure tot vaststelling van het plan heeft gevoerd.

2.2.1. Ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan, waarop zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht.

Ingevolge artikel 3.8, derde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, geschiedt de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan binnen twee weken na de vaststelling. Burgmeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant. In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, onder b, van de Awb zijn op een besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan de artikelen 3:40, 3:42, 3:43, 3:44 en 3:45 en afdeling 3.7 van die wet van toepassing.

Ingevolge artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:42, tweede lid, eerste volzin, geschiedt de bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door kennisgeving van het besluit of de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

2.2.2. De procedure inzake de vaststelling van het plan is conform artikel 3.8 van de Wro in samenhang met afdeling 3.4 van de Awb aangevangen met de terinzagelegging van het plan, waarop zienswijzen naar voren konden worden gebracht.

Het plan is op 16 september 2010 door de raad vastgesteld, waarbij enkele wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan zijn doorgevoerd. Dit besluit is niet bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, van de Wro, in samenhang met artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Hieruit volgt dat ingevolge artikel 3:40 van de Awb die beslissing niet in werking is getreden.

Op 28 oktober 2010 heeft de raad het plan gewijzigd vastgesteld, waarbij, voor zover hier van belang, de maximale goot- en bouwhoogtes van de voorziene woningen zijn aangepast. Dit besluit is overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, van de Wro, in samenhang met artikel 3:42, tweede lid, van de Awb op 12 januari 2011 bekendgemaakt in het gemeentelijk informatieblad "Lingewaal Journaal". Tevens is hiervan kennisgeving gedaan in de Staatscourant en is het op digitale wijze beschikbaar gesteld op www.lingewaal.nl. Voorts zijn overeenkomstig artikel 3:43, eerste lid, van de Awb de indieners van zienswijzen op de hoogte gesteld van de gewijzigde vaststelling van 28 oktober 2010.

De Afdeling ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld en is van oordeel dat, in ieder geval in deze situatie, geen sprake is van strijd met de rechtszekerheid en de Wro, zoals [appellante] betoogt. Tevens is niet aannemelijk dat belanghebbenden door deze handelswijze zijn benadeeld. Deze beroepsgrond van formele aard van [appellante] faalt.

Bestemmingsplan

2.3. Daarnaast betoogt [appellante] dat door de verdichting van de bouwmogelijkheden het nabijgelegen natuurgebied verstoord wordt en dat deze kleine verkaveling precedentwerking tot gevolg heeft. Voor de vrijstaande villa wordt volgens haar een te grote hoogte toegestaan. Tot slot worden de woningen volgens [appellante] niet uitsluitend aan senioren verkocht.

2.3.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen in vrijstaande woningen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1 aanhef en onder e en f, mogen de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven. Op de verbeelding is aangegeven dat de goot- en bouwhoogte voor het perceel aan de [locatie 2] 6 m respectievelijk 11 m bedragen en dat de goot- en bouwhoogte voor de vijf woningen 3 m respectievelijk 7 m bedragen.

2.3.2. De Afdeling stelt voorop dat aan de raad vrijheid toekomt om bestemmingen aan te wijzen en planregels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Realisering van de woningen zal niet leiden tot een onevenredige verdichting, aldus de raad, nu de woningen op zorgvuldige wijze in de omgeving worden ingepast en ten oosten van het plangebied reeds soortgelijke bebouwing aanwezig is. Anders dan [appellante] stelt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het gebied in ontoelaatbare mate wordt verdicht, nu het plan relatief kleine woningen mogelijk maakt, die in maatvoering zijn afgestemd op de reeds aanwezige bebouwing.

Ten aanzien van de vrees voor precedentwerking heeft de raad ter zitting verklaard dat splitsingsverzoeken voor kavels rondom het plangebied zijn afgewezen en dat de raad daar in zijn huidige samenstelling dan ook geen medewerking aan zal verlenen, omdat hij onevenredige verdichting wil voorkomen.

2.3.3. Voor de vrijstaande villa wordt een goothoogte van 6 m en een bouwhoogte van 11 m toegestaan. Niet in geschil is dat deze hoogtes afwijken van de bebouwing in de omgeving. Uit de plantoelichting volgt dat het van belang is dat de villa aan de [locatie 2] zichtbaar is, vanwege de hoofdopzet van het plan dat bestaat uit de situering van twee grotere woonhuizen aan de aangrenzende wegen, met daartussen bebouwing in een binnengebied. Reden hiervoor is het creëren van een duidelijk onderscheid tussen de hoofdbouwmassa's aan de [locatie 2] en de [locatie 3] en de ondergeschikte bebouwing in het middengebied, aldus de raad. Dit standpunt is door [appellante] niet gemotiveerd weerlegd. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toegestane goot- en bouwhoogte voor de vrijstaande villa in harmonie is met de stedenbouwkundige opzet van de omgeving.

2.3.4. Met het plan wordt volgens de raad beoogd levensloopbestendige woningen te realiseren, die voldoen aan de wensen van senioren, hetgeen aansluit bij het woningbouwprogramma van de gemeente. Hoewel uit de inleiding op de plantoelichting volgt dat de woningen worden ontwikkeld ten behoeve van senioren, kent het plan geen waarborg dat de voorziene woningen uitsluitend voor die doelgroep beschikbaar zullen zijn en enkele woningen zijn reeds verkocht aan personen buiten de doelgroep.

Voor zover [appellante] betoogt dat de plantoelichting onjuistheden bevat, nu de woningen niet uitsluitend aan senioren worden verkocht, overweegt de Afdeling dat de plantoelichting niet bindend is, zodat hieraan geen juridische betekenis toekomt. [appellante] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de plantoelichting dusdanige onvolkomenheden bevat, dat om die reden reeds geoordeeld moet worden dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden.

Een beperking in het plan om het beoogde doel te bereiken, inhoudende een verbod op het gebruik van de woningen door personen buiten de doelgroep senioren, zoals [appellante] kennelijk beoogt, acht de Afdeling met de raad niet mogelijk, nu dit zou leiden tot een niet ruimtelijk relevant onderscheid naar leeftijd. Dat in het kader van het woningbouwprogramma, dat voortvloeit uit een onderzoek naar de woonbehoefte, betekenis is toegekend aan de bouw voor deze specifieke doelgroep doet aan het voorgaande niet af. Relevant is in dit verband dat de woningen waarin het plan voorziet aansluiten bij de in het programma genoemde soort woningen, waarnaar volgens de raad blijkens het onderzoek naar woningbehoefte vraag bestaat in de gemeente. Het feit dat het plan niet in de weg staat aan bewoning van de woningen door personen buiten de doelgroep raakt niet aan de vraag naar de behoefte aan de woningen, aangezien ook in dat geval de behoefte aan de woningen aanwezig is.

2.3.5. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad bij de afweging van belangen niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gediend bij ontwikkeling van de in het plan voorziene woningen, dan de belangen van [appellante] bij het behoud van de huidige situatie.

2.4. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011

271-706.