Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5665

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
201107506/1/H3 en 201107506/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2010 heeft het college Gasunie vergunning verleend voor het leggen, hebben en exploiteren van een 1200 mm stalen aardgastransportleiding vanaf de Markweg naar de Krabbeweg te Rotterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107506/1/H3 en 201107506/2/H3.

Datum uitspraak: 18 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2011 in zaak nr. 10/4562 in het geding tussen:

de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie, gevestigd te Groningen (hierna: Gasunie)

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2010 heeft het college Gasunie vergunning verleend voor het leggen, hebben en exploiteren van een 1200 mm stalen aardgastransportleiding vanaf de Markweg naar de Krabbeweg te Rotterdam.

Bij besluit van 29 september 2010 heeft het college het door Gasunie daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Gasunie daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 september 2010 vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt op het door Gasunie gemaakte bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2011, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft het de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Gasunie heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 augustus 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Andel, werkzaam bij de gemeente, en Gasunie, vertegenwoordigd door mr. G.H. Hamelink-Bouwman, advocaat werkzaam bij Gasunie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het college heeft het door Gasunie gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en van het horen van Gasunie afgezien, omdat uit de door Gasunie overgelegde stukken niet blijkt dat [gemachtigde] bevoegd is namens Gasunie bezwaar te maken in het kader van vergunningen.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het door Gasunie gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is en het ten onrechte van het horen van Gasunie heeft afgezien. Volgens het college heeft de rechtbank bij de vraag of [gemachtigde] bevoegd was om namens Gasunie bezwaar te maken, feiten en omstandigheden betrokken van na het nemen van het besluit van 29 september 2010. Het college heeft, na het indienen van het bezwaarschrift, verzocht om stukken over te leggen waaruit die bevoegdheid van [gemachtigde] onomstotelijk blijkt, aldus het college. Uit het door Gasunie overgelegde uittreksel uit het handelsregister en de overgelegde volmacht van de bestuurders van Gasunie en de machtiging van de gevolmachtigde blijkt dit niet. In de praktijk zijn in de statuten van een vennootschap beperkingen opgenomen ten aanzien van de bevoegdheid van bestuurders om de vennootschap te vertegenwoordigen, aldus het college. Nu die statuten niet eerder dan in beroep bij de rechtbank zijn overgelegd en aldus ten tijde van het nemen van het besluit van 29 september 2010 niet vaststond dat [gemachtigde] bevoegd was namens Gasunie bezwaar te maken, heeft het terecht het gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en van het horen afgezien, zo betoogt het college.

2.3.1. Uit het uittreksel uit het handelsregister dat Gasunie bij brief van 19 augustus 2010 bij het college heeft overgelegd, blijkt dat twee gezamenlijk handelende leden van de raad van bestuur haar kunnen vertegenwoordigen. Gasunie heeft daarbij tevens een volmacht overgelegd waaruit volgt dat de bestuursleden [bestuurslid sub 1] en [bestuurslid sub 2] aan mr. W. Jellema last en volmacht verlenen tot onder meer het aanvragen van vergunningen en het maken van bezwaar, zulks met recht van substitutie, en een machtiging waarbij Jellema [gemachtigde] machtigt tot het aanvragen van vergunningen voor het leggen, gebruiken en in stand houden van gastransportleidingen, alsmede tot het maken van bezwaar in het kader van die vergunningen. Voor zover nog twijfel zou bestaan over de bevoegdheid van [gemachtigde] om namens Gasunie bezwaar te maken tegen het besluit van 2 juli 2010, omdat in het overgelegde uittreksel uit het handelsregister tevens naar de statuten is verwezen voor zover het de bevoegdheden van bestuursleden betreft, geldt dat daaruit niet volgt dat [gemachtigde] zonder redelijke twijfel onbevoegd was om dat bezwaar te maken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college het bezwaar van Gasunie ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard en ten onrechte van het horen van Gasunie heeft afgezien.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie in verband met de behandeling van het hoger beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 78,35 (zegge: achtenzeventig euro en vijfendertig cent);

IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2011

419-622.