Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
201008368/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 januari 2010, kenmerk 2009-016494, heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Advies- en Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud B.V.) vergunning ingevolge artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de bouw van tien woningen op de inbreidingslocatie "Serpentino" te 't Harde (hierna: de woningbouwlocatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008368/1/R2.

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te 't Harde, gemeente Elburg,

2. [appellant sub 2], wonend te 't Harde, gemeente Elburg,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2010, kenmerk 2009-016494, heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Advies- en Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud B.V.) vergunning ingevolge artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de bouw van tien woningen op de inbreidingslocatie "Serpentino" te 't Harde (hierna: de woningbouwlocatie).

Bij besluit van 16 juli 2010, kenmerk 2009-016494, verzonden op 16 juli 2010, heeft het college het door [appellant sub 1] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover mede ingediend door [appellant sub 2], ongegrond verklaard en het door [appellant sub 2] afzonderlijk hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2010, beroep ingesteld. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is aangevuld bij brief van 21 september 2010. Het beroep van [appellant sub 2] is aangevuld bij brief van 21 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.J. Gaaf - van der Weerd en ing. O.J. Reyntjes, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is Oranjewoud B.V., vertegenwoordigd door H.M.C. Verhagen, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] en anderen

2.1. Het college stelt dat [appellant sub 1] en anderen niet allen bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit van 11 januari 2010. Voor zover beroep is ingesteld door degenen die geen bezwaar hebben gemaakt dient volgens het college het beroep op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.1.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

2.1.2. Vaststaat dat de in beroep gekomen appellanten tevens bezwaar hebben gemaakt doch dat dit bezwaar wegens het ontbreken van een machtiging niet-ontvankelijk is verklaard. Anders dan het college stelt staat artikel 6:13 van de Awb derhalve niet in de weg aan een ontvankelijk beroep.

2.2. [appellant sub 1] en anderen stellen dat hun bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat de bevoegdheid om namens hen bezwaar te maken niet is aangetoond. Zij stellen dat wel een toereikende machtiging is overgelegd.

2.2.1. Ingevolge artikel 2:1, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Ingevolge artikel 6:4, derde lid, geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, kan het bezwaar ingevolge artikel 6:6 niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2.2. Het bezwaar van [appellant sub 1] en anderen is ingediend door [appellant sub 2]. [appellant sub 2] heeft in het bezwaarschrift verklaard dat bezwaar wordt gemaakt namens [appellant sub 1] en anderen. Daarbij heeft hij evenwel geen stukken overgelegd waaruit de bevoegdheid om namens hen bezwaar te maken blijkt. Bij brief van 26 februari 2010 heeft het college hem verzocht een machtiging over te leggen. Hiertoe is tot en met 23 maart 2010 de gelegenheid geboden. Hierbij is vermeld dat, indien dat niet binnen de gestelde termijn gebeurt, er rekening mee moet worden gehouden dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Binnen deze termijn heeft [appellant sub 2] een handtekeningenlijst overgelegd. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht gesteld dat uit de overgelegde handtekeningenlijst de omvang van de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet kan worden afgeleid nu hierop slechts namen zijn vermeld met handtekeningen. De bevoegdheid om namens [appellant sub 1] en anderen bezwaar te maken is dan ook niet binnen de termijn aangetoond. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld zou moeten worden dat [appellant sub 2] niet in verzuim is geweest. Het college heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het recht. Het beroep is ongegrond.

Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2]

2.4. Bij besluit van 24 maart 2000 is het gebied "Veluwe" aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103).

Bij beschikking van 7 december 2004 is het gebied "Veluwe" geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Het gebied Veluwe is nog niet aangewezen als Habitatrichtlijngebied in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998.

2.5. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19e, aanhef en onder a, houdt het college bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, voor zover van belang, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat gezien de aard en omvang van het project en de ligging van het gebied significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied niet zijn uit te sluiten. Gelet hierop had volgens hem een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998 moeten worden gemaakt.

Hiertoe voert hij aan dat het college zich niet heeft mogen baseren op het onderzoeksrapport "'t Harde, vier woningbouwlocaties toetsing natuurwetgeving" van 3 september 2009 (hierna: het onderzoeksrapport). Hij stelt dat het onderzoeksrapport niet onafhankelijk tot stand is gekomen nu de projectontwikkelaar tevens de opsteller is van het onderzoeksrapport. Daarnaast stelt hij dat het onderzoeksrapport is gebaseerd op verouderde gegevens.

Onder verwijzing naar het gemeentelijke Landschapsplan voert [appellant sub 2] aan dat de bestaande groenelementen, die een patroon van groene stapstenen en verbindingslijnen vormen, zorgen voor een groene verbinding tussen de bosgebieden ten oosten en westen van de kern. Hij stelt dat het gebied onlosmakelijk samenhangt met het Natura 2000-gebied. Volgens hem verblijven herten, vleermuizen, spechten en uilen zowel in het gebied waar de bouw van de woningen is voorzien als in het Natura 2000-gebied. De stelling dat oppervlakteverlies niet plaatsvindt, bestrijdt hij dan ook.

Voorts is volgens hem niet onderzocht wat de effecten zijn van de verschillende bouwfasen voor het Natura 2000-gebied en is van een onjuiste afstand tot het Natura 2000-gebied uitgegaan.

[appellant sub 2] voert voorts aan dat de gevolgen van het project ten onrechte niet zijn beoordeeld in onderlinge samenhang met de andere woningbouwprojecten Heidezoom en Poshuis.

[appellant sub 2] voert verder aan dat ten onrechte geen voorschriften zijn verbonden aan de vergunning.

Tot slot stelt [appellant sub 2] in dit verband dat het realiseren van de woningen een groot aantal jaren in beslag zal nemen aangezien de woningen niet op korte termijn worden verkocht en dat slechts financiële redenen aan het project ten grondslag liggen.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het project kan leiden tot enige verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats en habitats van soorten, doch dat het gezien de ligging van het gebied te midden van bestaande woningen en de aard en omvang van het project geen significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied. Het college wijst erop dat de bebouwde kom van 't Harde binnen een straal van 500 meter van het Natura 2000-gebied ligt.

Het college stelt dat in het kader van een zorgvuldige besluitvorming bij de beoordeling van de aanvraag naast het bij de aanvraag overgelegde onderzoeksrapport, onder meer het SOVON-onderzoeksrapport en de werkkaarten zijn betrokken die zijn vastgesteld ten behoeve van het beheerplan voor het Natura 2000-gebied. Daarnaast zijn door de aanvrager aanvullende gegevens en een nadere onderbouwing overgelegd. Wat betreft de onjuist vermelde afstand tot het Natura 2000-gebied stelt het college dat in het bestreden besluit er vanuit is gegaan dat het gebied direct grenst aan het Natura 2000-gebied.

Wat betreft het verbinden van voorschriften aan de vergunning stelt het college dat daarvoor geen aanleiding bestaat nu met zekerheid vaststaat dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantast.

2.6.2. Volgens het onderzoeksrapport en de aanvulling hierop van 6 oktober 2009 is onderzoek gedaan naar de effecten van het project op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Tevens zijn de cumulatieve effecten van het project onderzocht, bezien in samenhang met verschillende andere woningbouwprojecten in de omgeving.

Het onderzoek naar de effecten van het project maakt onderscheid in effecten ten gevolge van de bouw van de woningen en effecten ten gevolge van het gebruik van de woningen. Voor beide geldt dat de effecten niet zodanig zijn dat het project significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied. Hierbij is volgens het onderzoeksrapport van belang dat de woningbouwlocatie geen ecologische relatie heeft met het Natura 2000-gebied.

Volgens het onderzoeksrapport bestaan de effecten van de bouw uit harde geluiden en lichteffecten. De aanwezige kwalificerende soorten, met uitzondering van de zwarte specht, zijn hiervoor echter niet gevoelig. Voor de zwarte specht geldt dat het extra geluid van de woningbouw in relatie bezien tot de bestaande geluidsbelasting, slechts leidt tot een geringe verhoging. Het gebruik van de woningen heeft als effect dat de recreatiedruk toeneemt op het gebied. Gezien de bestaande hoge recreatiedruk wordt ook ten aanzien hiervan in het onderzoek geconcludeerd dat dit niet leidt tot significante gevolgen.

Ten aanzien van cumulatie wordt in het onderzoeksrapport geconcludeerd dat het project in onderlinge samenhang met andere woningbouwprojecten niet leidt tot een grote toename van de recreatiedruk. Volgens het onderzoeksrapport heeft het project, in onderlinge samenhang bezien met andere woningbouwprojecten, dan ook geen significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied.

2.6.3. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet heeft mogen baseren op het onderzoeksrapport en de aanvulling hiervan. Het enkele feit dat de projectontwikkelaar tevens de opsteller is van het onderzoeksrapport betekent niet dat het onderzoeksrapport niet objectief tot stand is gekomen. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 1] dat het onderzoek is gebaseerd op verouderde gegevens acht de Afdeling van belang dat ter zitting is toegelicht dat de onderzoeksgegevens zijn gebaseerd op gegevens van SOVON uit 2008 en 2009. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze gegevens op relevante punten verouderd zijn.

Wat betreft het ecologisch belang van het gebied waar de woningen zijn voorzien voor het Natura 2000-gebied, in welk verband [appellant sub 2] wijst op het gemeentelijk Landschapsplan en stelt dat herten, vleermuizen, spechten en uilen op de woningbouwlocatie en in het Natura 2000-gebied verblijven, overweegt de Afdeling allereerst dat in het onderzoek is geconcludeerd dat er geen ecologische relatie bestaat tussen de woningbouwlocatie en het Natura 2000-gebied. De omstandigheid dat de woningbouwlocatie in het gemeentelijk beleid als waardevol is aangemerkt, wat hier ook van zij, betekent op zichzelf niet dat het project significante gevolgen voor de natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied zou kunnen hebben. Met betrekking tot het voorkomen van herten, vleermuizen, spechten en uilen in beide gebieden is voorts van belang dat het Natura 2000-gebied niet is aangewezen voor herten en uilen. Met betrekking tot de effecten van het project voor vleermuizen en spechten is in het onderzoek geconcludeerd dat het gebied voor de vleermuis niet van belang is en dat voor de zwarte specht geen significante gevolgen optreden. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusies onjuist zijn. Het project leidt voorts niet tot oppervlakteverlies, nu de woningbouwlocatie niet onder bescherming van de Nbw 1998 valt.

Dat het onderzoeksrapport onvolledig is omdat niet alle effecten van de bouwfase zijn meegenomen is niet aannemelijk nu de realisering van de woningen noodzakelijkerwijs de door [appellant sub 2] onderscheiden fasen omvat en het onderzoeksrapport de effecten van de realisering van de woningen als zodanig in kaart heeft gebracht. Anders dan [appellant sub 2] stelt is bovendien niet uitgegaan van een afstand van 30 meter van het gebied tot het Natura 2000-gebied, maar is er bij de beoordeling van de effecten vanuit gegaan dat het gebied direct grenst aan het Natura 2000-gebied.

Ten aanzien van cumulatieve effecten overweegt de Afdeling dat in het rapport, zoals ook ter zitting nader is toegelicht, de cumulatieve effecten van verscheidene woningbouwprojecten in de omgeving zijn onderzocht en integraal zijn beoordeeld.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat hoewel het project kan leiden tot enige verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats en habitats van soorten, op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de vergunde activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied, zodat geen verplichting bestaat tot het maken van een passende beoordeling. Het college heeft dan ook geen aanleiding hoeven te zien de door [appellant sub 2] bedoelde voorschriften te verbinden aan de vergunning.

Dat het project slechts door financiële motieven zou zijn ingegeven is, wat daarvan ook zij, geen aspect dat in het kader van de Nbw 1998 kan worden meegewogen.

2.7. [appellant sub 2] stelt tot slot dat het verslag van de hoorcommissie onvolledig is, dat de kaarten waarnaar wordt verwezen niet via het internet te raadplegen zijn en dat in de aanvraag ten onrechte is vermeld dat het project op eigen grond wordt uitgevoerd.

2.7.1. In het standpunt van de hoorcommissie dat zij het belangrijk vond de druk op het gebied tot een minimum te beperken heeft het college, al aangenomen dat de commissie dat standpunt inderdaad op de hoorzitting zou hebben ingenomen, geen aanleiding hoeven zien de vergunning te weigeren, nu, zoals hiervoor is overwogen, het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat significante effecten waren uitgesloten. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de via internet te raadplegen kaarten en de gestelde onjuiste vermelding in de aanvraag over de eigendom van de grond, kan evenmin tot vernietiging leiden.

2.8. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011

568-647.