Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
201006571/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2010, nr. 13, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006571/1/R1.

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Stolwijk, gemeente Vlist,

en

de raad van de gemeente Vlist,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2010, nr. 13, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. B. Zevenhuizen en R. Huizinga, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in een actuele juridisch-planologische regeling voor het bedrijventerrein Stolwijk-Zuid.

2.2. [appellante] betoogt dat ten onrechte de ter plaatse van haar bedrijf toegestane milieucategorie is verlaagd. Volgens [appellante] had ter plaatse de milieucategorie 3.2 moeten worden toegestaan. Deze verlaging van de milieucategorie zal bij de eventuele verkoop van het transportbedrijf planschade tot gevolg hebben, aldus [appellante].

2.2.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de planologische regeling van de milieucategorieën is ingegeven door de wens om kleinschalige en kennis- en arbeidsintensieve bedrijven aan te trekken en mede om hinder voor de nabije dorpskern(en) zoveel mogelijk te beperken. Daartoe heeft de raad het volgende aangevoerd. Onderzoek van de Milieudienst Midden Holland heeft uitgewezen dat een hogere milieucategorie dan 3.1 onaanvaardbare hinder oplevert voor omwonenden. Om deze reden zijn nieuwe bedrijven met een hogere milieucategorie dan 3.1 niet toelaatbaar geacht op de bestaande bedrijventerreinen, waaronder Stolwijk-Zuid. De thans op de bedrijventerreinen aanwezige bedrijven met een hogere milieucategorie dan 3.1 hebben een maatbestemming gekregen, hetgeen wil zeggen dat daar waar mogelijk en noodzakelijk om de rechten van bestaande bedrijven te respecteren een hogere categorie is aangehouden die past bij de bestaande bedrijfsactiviteiten.

2.2.2. Aan het perceel van [appellante], [locatie], is de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "bedrijf van milieucategorie 3.2" toegekend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsactiviteiten met milieucategorie 1 t/m 3.1 (grootste afstand 50 m), met uitzondering van nader aangegeven categorieën.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf van categorie 3.2" of "bedrijf van categorie 4.1" tevens bestemd voor de bestaande bedrijfsactiviteiten, zijnde voor het perceel [locatie] een transportbedrijf.

2.2.3. Niet in geschil is dat in het voorheen geldende plan op het perceel [locatie] een bedrijf met categorie 3.2 was toegestaan. Nu ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en k, van de planregels, in samenhang bezien met de verbeelding, thans op voormeld perceel bedrijfsactiviteiten met milieucategorie 1 tot en met 3.1 zijn toegestaan, behoudens voor zover het de bestaande activiteiten als transportbedrijf betreft, in welk geval een bedrijf van milieucategorie 3.2 is toegestaan, is voor zover het andere bedrijfsactiviteiten dan de bestaande betreft sprake van een verlaging van de maximale milieucategorie.

2.2.4. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen om kleinschalige en kennis- en arbeidsintensieve bedrijven aan te trekken alsmede om hinder voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken zwaarder dienen te wegen dan het belang van [appellante] dat bij eventuele verkoop ook andere bedrijven met milieucategorie 3.2. dan transportbedrijven zich ter plaatse mogen vestigen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de bestaande rechten van het ter plaatse uitgeoefende transportbedrijf worden geëerbiedigd.

2.3. [appellante] voert aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om zeecontainers, welke bestemd zijn voor verhuur, tijdelijk driehoog tot een maximale hoogte van 7,8 m te stapelen.

2.3.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, voor zover hier van belang, is het verboden binnen de bestemming "Bedrijf" buitenopslag te laten plaatsvinden met uitzondering van de gronden gelegen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mits de hoogte niet meer bedraagt dan 3 m.

2.3.2. Nu [appellante] deze beroepsgrond niet nader heeft onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van een maximale hoogte van 3 m heeft kunnen uitgaan. Hierbij is van belang dat de raad op grond van stedenbouwkundige argumenten een grotere hoogte dan 3 m niet passend heeft geacht.

2.4. Voor zover [appellante] vreest voor nadelige effecten op haar bedrijfsvoering van de eventuele bouw van 23 woningen aan de Tentweg Oost, overweegt de Afdeling dat die bouwlocatie buiten het plangebied valt, zodat deze vrees thans niet aan de orde kan komen.

2.5. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.N. Roes, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Roes w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011

91-675.