Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5651

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
201107894/2/H1 en 201107957/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2010 heeft het college een projectbesluit vastgesteld ten behoeve van het realiseren van een voorziening ter herhuisvesting van de Stichting Maatschappelijke Opvang Voorziening (MOV) op het perceel Spoorlaan Zuid 29a te Roermond (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107894/2/H1 en 201107957/2/H1.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:

1. [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], beiden wonend te Roermond,

2. Cycafin A.G., gevestigd te Luxemburg, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Inprosan B.V., gevestigd te Helden, gemeente Peel en Maas,

verzoekers,

tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 9 juni 2011 in zaken nrs. 11/133 en 11/134 en nr. 11/211 in de gedingen tussen:

1. [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B],

2. Cycafin en Inprosan

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010 heeft het college een projectbesluit vastgesteld ten behoeve van het realiseren van een voorziening ter herhuisvesting van de Stichting Maatschappelijke Opvang Voorziening (MOV) op het perceel Spoorlaan Zuid 29a te Roermond (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijk besluit van 14 december 2010 heeft het aan de Stichting Wonen Zuid Midden Limburg bouwvergunning verleend voor het oprichten van een maatschappelijke opvang voorziening op het perceel.

Bij uitspraken van 9 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en Cycafin en Inprosan daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraken hebben [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2011, en Cycafin en Inprosan bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Voorts hebben [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en Cycafin en Inprosan elk de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken gevoegd ter zitting behandeld op 11 augustus 2011, waar [verzoeker sub 1B], bijgestaan door mr. C. Billen, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.H.T. Heesakkers, M. Molkenboer, A.J.M. Dahmen en Y. Domen, bijgestaan door mr. M.G.G. van Nisselroij, advocaat te Venlo, zijn verschenen.

Voorts is daar de Stichting, vertegenwoordigd door F.J.A. Meuwissen, E. Wehrung en A. Kwak, bijgestaan door mr. T.H.G. Paffen, advocaat te Eindhoven, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De voorzitter heeft de beide verzoeken vanwege de onderlinge samenhang gevoegd behandeld.

2.3. Vaststaat dat de bouwwerkzaamheden op het perceel zijn aangevangen. De ingediende verzoeken strekken ertoe in afwachting van het oordeel van de Afdeling op de hoger beroepen te voorkomen dat een onomkeerbare situatie ontstaat.

2.4. In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraken in de bodemprocedure niet in stand zullen blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat het projectbesluit niet mocht worden genomen en de bouwvergunning niet verleend. Het college heeft het project naar voorlopig oordeel voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college dient te beslissen omtrent een project, zoals dat is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

2.5. Gelet hierop en op de betrokken belangen, bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

392.