Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
19-08-2011
Zaaknummer
201103072/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vreemdeling heeft nagelaten om voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring de minister te wijzen op zijn psychische problemen, zodat de minister daarmee in het kader van de belangenafweging geen rekening heeft kunnen houden. Eerst na de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft de vreemdeling de minister verzocht ter zake een onderzoek in te stellen. Onder deze omstandigheden heeft de minister, nu uit de brief van de medisch adviseur niet anders blijkt, de vreemdeling pas na het onderzoek als detentie-ongeschikt hoeven te beschouwen. Voor de rechtbank bestond derhalve geen aanleiding om te oordelen dat de vreemdeling niet detentiegeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103072/1/V3

Datum uitspraak: 16 augustus 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 7 maart 2011 in zaak nr. 11/5673 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft desgevraagd nadere informatie verstrekt en de vreemdeling heeft hierop desgevraagd gereageerd door aan te geven aanspraak te maken op schadevergoeding vanaf de eerste dag dat hij zich in bewaring bevond.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij detentiegeschikt is. De vreemdeling lijdt naar eigen zeggen aan een chronische posttraumatische stressstoornis. Door hetgeen hij in zijn land van herkomst heeft meegemaakt, staat hij voortdurend doodsangsten uit. De vreemdeling heeft in verband met zijn psychische stoornis de minister verzocht een onderzoek ter zake in te stellen.

2.1.1. Naar aanleiding van een brief van de Medisch Adviseur van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: de medisch adviseur) van 21 maart 2011 inhoudende dat hij de vreemdeling detentie-ongeschikt acht op grond van zijn psychiatrisch ziektebeeld, heeft de minister op 22 maart 2011 de op 16 februari 2011 aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring opgeheven.

2.1.2. De vreemdeling heeft nagelaten om voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring de minister te wijzen op zijn psychische problemen, zodat de minister daarmee in het kader van de belangenafweging geen rekening heeft kunnen houden. Eerst na de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft de vreemdeling de minister verzocht ter zake een onderzoek in te stellen. Onder deze omstandigheden heeft de minister, nu uit de brief van de medisch adviseur niet anders blijkt, de vreemdeling pas na het onderzoek als detentie-ongeschikt hoeven te beschouwen. Voor de rechtbank bestond derhalve geen aanleiding om te oordelen dat de vreemdeling niet detentiegeschikt was. De grief faalt.

2.2. Hetgeen de vreemdeling voor het overige heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Snijders

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011

205

Verzonden: 16 augustus 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser