Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5421

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
19-08-2011
Zaaknummer
201005185/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit het MOG-rapport blijkt dat de vreemdeling verspreid over haar lichaam zeer uitgebreide littekens heeft. Volgens dit rapport komen de littekens duidelijk voort uit een moedwillige verbranding van een grote hoeveelheid hete vloeistof en zijn de littekens typisch voor de vertelde foltering. Ondersteunend zijn de als consistent met het door de vreemdeling vertelde gevonden littekens van foltering met hete ijzers, aldus het MOG-rapport. Het MOG-rapport - waarvan de minister de juistheid niet heeft bestreden - biedt aldus een sterke indicatie dat de littekens zijn veroorzaakt door folteringen die overeenkomen met de folteringen die de vreemdeling stelt te hebben ondergaan. Nu de verklaringen van de vreemdeling over de door haar ondergane folteringen worden ondersteund door medisch bewijs, heeft de minister zich, in het licht van de onder 2.5.3. weergegeven jurisprudentie van het EHRM, in dit geval ten onrechte zonder nadere motivering op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling over genoemde folteringen ongeloofwaardig zijn. Aangezien dat standpunt mede dragend is geweest voor het standpunt van de minister dat ook de overige verklaringen van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht hebben en derhalve ongeloofwaardig zijn, kan dat standpunt evenmin deugdelijk gemotiveerd worden geacht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/412
Ars Aequi RV20110068 met annotatie van T. Strik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005185/1/V2.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 28 april 2010 in zaak nr. 09/24389 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 mei 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven, bij de Raad van State binnengekomen op 9 juni 2010, 16 juli 2010, 7 oktober 2010 en 12 oktober 2010, heeft de vreemdeling nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2011, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. V. Zuiderbaan, advocaat te Amsterdam en de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister), vertegenwoordigd door mr. R.J.M.F.P. Wouters, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.

2.2. Hetgeen als eerste grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.3. In haar tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat haar asielrelaas geen positieve overtuigingskracht heeft en derhalve ongeloofwaardig is. Aldus is de rechtbank, volgens de vreemdeling, ten onrechte eraan voorbijgegaan dat zij ernstige littekens heeft die veroorzaakt zijn door de Oegandese autoriteiten die haar tijdens haar detentie hebben gefolterd. Volgens de vreemdeling was de minister al voorafgaand aan het nader gehoor ervan op de hoogte dat zij vanaf haar borst tot en met haar bovenbenen is bedekt met littekens, omdat haar toenmalige rechtshulpverlener dat reeds had gemeld aan de minister. Tijdens het nader gehoor heeft zij eveneens verklaard over de folteringen die zij heeft ondergaan en zij heeft haar littekens ook getoond aan de medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze medewerker was, volgens de vreemdeling, hierdoor dusdanig ontdaan dat zij een pauze voor haarzelf moest inlassen. Nu de vreemdeling, zoals zij ter zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, ook in beroep expliciet heeft gewezen op de littekens, heeft de rechtbank ten onrechte hieraan geen aandacht besteed, te meer nu de littekens een sterke aanwijzing vormen dat zij is gefolterd. In dit verband heeft de vreemdeling gewezen op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), van 9 maart 2010, nr. 41827/07, R.C. tegen Zweden, JV 2010/147.

2.3.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

2.3.2. In de aanvullende beroepschriften van 23 augustus 2009 en 27 januari 2010 heeft de vreemdeling een beroepsgrond gericht tegen het standpunt van de minister, dat haar asielrelaas geen positieve overtuigingskracht heeft en derhalve ongeloofwaardig is. Uit de pleitnota, die de vreemdeling ter zitting in beroep heeft overgelegd, blijkt dat zij - kennelijk ten betoge dat haar asielrelaas wel geloofwaardig is - tevens heeft verwezen naar de ernstige littekens die zij heeft overgehouden aan de tijdens haar detentie ondergane folteringen met hete ijzers en heet water. Bij de beoordeling van voormelde beroepsgrond heeft de rechtbank niet, althans niet kenbaar, het aldus aangevoerde betrokken. Derhalve heeft de rechtbank, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, niet mede op grondslag van het verhandelde ter zitting uitspraak gedaan. De grief slaagt reeds hierom.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 9 juni 2009 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.5. Aan voormelde beroepsgrond, dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht heeft en derhalve ongeloofwaardig is, heeft de vreemdeling - voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat zij zeer uitgebreide littekens heeft die het gevolg zijn van foltering door de Oegandese autoriteiten tijdens haar detentie. Ter nadere toelichting hiervan heeft de vreemdeling een rapport van 7 oktober 2010 van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International (hierna: het MOG-rapport) ingebracht. Dat rapport biedt, gezien voormeld arrest van het EHRM van 9 maart 2010, een sterke indicatie dat haar asielrelaas geloofwaardig is, aldus de vreemdeling.

2.5.1. In het besluit van 9 juni 2009 heeft de minister zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht heeft en derhalve ongeloofwaardig is. Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister nader toegelicht dat het MOG-rapport wordt betrokken bij de weging van het hele feitencomplex, maar dat hij het asielrelaas op wezenlijke punten ongeloofwaardig acht en dat haar littekens en het MOG-rapport hieraan geen afbreuk kunnen doen.

2.5.2 Uit het hiervoor onder 2.2. overwogene volgt dat de minister artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in redelijkheid aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 11 februari 2010 in zaak nr. 200905819/1/V2; www.raadvanstate.nl), zal, indien aan een vreemdeling een van de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 is tegengeworpen, volgens paragraaf C14/3 - thans C14/2 - van de Vreemdelingencirculaire 2000 van de verklaringen een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten.

Zoals de Afdeling eveneens in die uitspraak heeft overwogen, behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister en kan die beoordeling slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de minister, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen. Dit laat onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van met name zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering die het recht daaraan stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan moet toetsen. Aldus vindt rechterlijke toetsing plaats, zonder dat de rechter een beoordeling aan zich trekt die door de minister moet plaatsvinden.

2.5.3. In rechtsoverweging 53 van voormeld arrest van het EHRM van 9 maart 2010 wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

<small>“Firstly, the Court notes that the applicant initially produced a medical certificate before the Migration Board as evidence of his having been tortured (see paragraph 11). Although the certificate was not written by an expert specialising in the assessment of torture injuries, the Court considers that it, nevertheless, gave a rather strong indication to the authorities that the applicant's scars and injuries may have been caused by ill-treatment or torture. In such circumstances, it was for the Migration Board to dispel any doubts that might have persisted as to the cause of such scarring (see the last sentence of paragraph 50). In the Court’s view, the Migration Board ought to have directed that an expert opinion be obtained as to the probable cause of the applicant’s scars in circumstances where he had made out a prima facie case as to their origin. It did not do so and neither did the appellate courts. While the burden of proof, in principle, rests on the applicant, the Court disagrees with the Government's view that it was incumbent upon him to produce such expert opinion. In cases such as the present one, the State has a duty to ascertain all relevant facts, particularly in circumstances where there is a strong indication that an applicant's injuries may have beencaused by torture. The Court notes that the forensic medical report submitted at its request has documented numerous scars on the applicant's body. Although some of them may have been caused by means other than by torture, the Court accepts the report's general conclusion that the injuries, to a large extent, are consistent with having been inflicted on the applicant by other persons and in the manner in which he described, thereby strongly indicating that he has been a victim of torture. The medical evidence thus corroborates the applicant's story."</small>

2.5.4. In het MOG-rapport wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

<small><b>"4B Interpretatie bevindingen lichamelijk onderzoek</b>

Er zijn drie gebieden met littekens:

- Van de meeste gebieden verklaart betrokkene dat ze gekomen zijn door het overgieten met heet water terwijl ze zat op een stoel. De verdeling van deze gebieden komt hiermee overeen. (…) Van deze gebieden moet gezegd worden dat ze vrijwel zeker door een hete vloeistofverbranding zijn veroorzaakt en de verdeling past helemaal bij de zittende houding. Van de verdeling en de uitgebreidheid is niet voor te stellen dat ze door een ongeluk ontstaan zijn. Er moet veel hete vloeistof geweest zijn en de vloeistof moet van boven haar schouder gekomen zijn. Dit kan niet veroorzaakt zijn door bv een ongeluk met koken. Door de verdeling en uitgebreidheid kan er eigenlijk alleen maar sprake zijn van een moedwillige vloeistofverbranding met veel vloeistof. De brandwonden moeten er <b>typisch</b> voor genoemd worden.

- Van de gebieden links op de rug en op de R dij verklaart betrokkene dat ze komen door een heet ijzer. Deze gebieden zijn anders van structuur en hebben scherpere randen. Ook is er sprake van een meer egaal gebied van pijn bij aanraking. Dit kan heel goed passen bij wat betrokkene vertelt over het toebrengen van deze wonden door een heet ijzer. De vorm van het ijzer is echter niet goed uit de littekens af te leiden. Deze littekens zijn <b>consistent</b> met het door betrokkene vertelde.

- De meer oppervlakkige littekens rechts op de rug zijn minder duidelijk, ze kunnen veroorzaakt zijn door al iets afgekoelde vloeistof. Ze zijn wel consistent met het vertelde."

(…)

<b>"7 Samenvatting en conclusie </b>

Wat betreft de vraag "Is het aannemelijk dat de littekens/fysieke klachten zijn voortgekomen uit de gestelde asielmotieven?" is het antwoord duidelijk ja. De littekens van betrokkene, eigenlijk kan gesproken worden van ernstige verminkingen over het hele lichaam, komen duidelijk voort uit een moedwillige verbranding van een grote hoeveelheid hete vloeistof. Ze zijn <b>typisch</b> voor de vertelde mishandeling. Ondersteunend zijn de als <b>consistent</b> met het vertelde gevonden littekens van mishandeling met hete ijzers. De twee littekens die betrokkene aanwijst als veroorzaakt door de hete ijzers hebben een duidelijk ander aspect dan de andere littekens."

(…)

"Moeilijk te plaatsen is waarom in het begin van de asielprocedure er niet meer aandacht besteed is aan de zeer uitgebreide brandwonden (…)."</small>

2.5.5. Uit het MOG-rapport blijkt dat de vreemdeling verspreid over haar lichaam zeer uitgebreide littekens heeft. Volgens dit rapport komen de littekens duidelijk voort uit een moedwillige verbranding van een grote hoeveelheid hete vloeistof en zijn de littekens typisch voor de vertelde foltering. Ondersteunend zijn de als consistent met het door de vreemdeling vertelde gevonden littekens van foltering met hete ijzers, aldus het MOG-rapport. Het MOG-rapport - waarvan de minister de juistheid niet heeft bestreden - biedt aldus een sterke indicatie dat de littekens zijn veroorzaakt door folteringen die overeenkomen met de folteringen die de vreemdeling stelt te hebben ondergaan. Nu de verklaringen van de vreemdeling over de door haar ondergane folteringen worden ondersteund door medisch bewijs, heeft de minister zich, in het licht van de onder 2.5.3. weergegeven jurisprudentie van het EHRM, in dit geval ten onrechte zonder nadere motivering op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling over genoemde folteringen ongeloofwaardig zijn. Aangezien dat standpunt mede dragend is geweest voor het standpunt van de minister dat ook de overige verklaringen van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht hebben en derhalve ongeloofwaardig zijn, kan dat standpunt evenmin deugdelijk gemotiveerd worden geacht. De beroepsgrond slaagt.

2.6. De Afdeling zal, gelet op het hiervoor onder 2.5.5. overwogene, het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.7. De minister voor Immigratie en Asiel dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 28 april 2010 in zaak nr. 09/24389;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 9 juni 2009, kenmerk 0808.18.1242;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1590,00 (zegge: vijftienhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

418-606.

Verzonden: 17 augustus 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser