Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5419

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
19-08-2011
Zaaknummer
201012865/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BO8908, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is er met de in de grief bestreden overweging ten onrechte aan voorbij gegaan dat de vreemdeling ter onderbouwing van zijn stelling dat zijn buurtvrienden hem bij de Syrische autoriteiten hebben verraden, slechts heeft verwezen naar hetgeen een niet als objectieve bron aan te merken derde heeft gesteld. Nu de vreemdeling aldus niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn seksuele geaardheid, alsmede in aanmerking genomen dat hij voor zijn vertrek uit Syrië meerdere weken bij zijn ouders - derhalve op een traceerbare plaats - heeft verbleven, zonder problemen van enigerlei zijde te hebben ondervonden, bestaat - anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen - geen grond voor het oordeel dat de minister in zoverre is tekortgeschoten in de motivering van het besluit. Dat uit voormeld rapport van de Home Office United Kingdom Border Agency blijkt dat homoseksualiteit in Syrië strafbaar is gesteld, maakt dit niet anders. De vreemdeling heeft immers, zoals de minister in het besluit heeft uiteengezet, niet aannemelijk gemaakt dat hem strafrechtelijke vervolging te wachten staat in Syrië, nu hij zijn stelling dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn seksuele geaardheid, niet met bewijzen heeft gestaafd. Voorts is de voorzieningenrechter, door zijn oordeel mede te doen steunen op onderdeel C2/2.10.2 van de Vc 2000, ten onrechte eraan voorbij gegaan dat de vreemdeling zich niet erop heeft beroepen dat hij, om vervolging door de Syrische autoriteiten te voorkomen, na terugkeer naar Syrië zijn seksuele oriëntatie verborgen moet houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/424 met annotatie van T.P. Spijkerboer
Ars Aequi RV20110015 met annotatie van H. Battjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012865/1/V2.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 23 december 2010 in zaak nrs. 10/41429 en 10/41428 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 december 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn enige grief klaagt de minister, samengevat weergegeven, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst, Syrië, geen gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967. Voor deze overweging heeft de voorzieningenrechter, volgens de minister, ten onrechte redengevend gevonden dat zijn

standpunt - dat de vreemdeling, nadat hij was betrapt door buurtvrienden op het moment dat hij gemeenschap had met zijn vriend, nog ongeveer een maand bij zijn ouders thuis heeft verbleven en niet is gebleken dat hij in die maand in de negatieve aandacht stond van de autoriteiten van Syrië - geen stand houdt, omdat deze periode te kort is om in dit verband van doorslaggevende betekenis te zijn. Daarbij heeft de voorzieningenrechter, volgens de minister, ten onrechte in aanmerking genomen dat uit het 'Country of Origin Information Report concerning the Syrian Arab Republic' van de Home Office United Kingdom Border Agency van 3 september 2010, blijkt dat homoseksualiteit in Syrië strafbaar is gesteld, dat in onderdeel C24/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) over Syrië is vermeld dat homoseksualiteit kan leiden tot problemen in de sociale omgeving en dat in onderdeel C2/2.10.2 van de Vc 2000 is vermeld dat van personen met een homoseksuele voorkeur niet wordt verlangd dat zij deze voorkeur bij terugkeer verbergen. Aldus heeft de voorzieningenrechter, zo betoogt de minister, niet onderkend dat hij in het besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat de omstandigheid dat de vreemdeling homoseksueel is niet tot vergunningverlening noopt. De vermelding in voormeld rapport dat homoseksualiteit strafbaar is in Syrië, alsmede hetgeen in de onderdelen C24/3.4 over Syrië en in C2/2.10.2 van de Vc 2000 is vermeld, laat onverlet dat, zoals in het besluit is uiteengezet, de vreemdeling van zijn buurtvrienden niets meer heeft vernomen in de periode nadat zij hem hadden betrapt en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Syrische autoriteiten ervan op de hoogte zijn geraakt dat de vreemdeling homoseksueel is, zodat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de vreemdeling bij terugkeer naar Syrië in de negatieve belangstelling van enigerlei zijde staat, aldus de minister.

2.1.1. In voormeld rapport wordt, voor zover hier van belang, op pagina 84, onder 21.02, het volgende vermeld:

<small>"The law criminalizes homosexual conduct under penal code article 520, which states that each sexual act ‘contrary to nature’ is punishable by as long as three years in prison. Because homosexual conduct was both unlawful and considered shameful, the law made homosexuals and transgendered individuals vulnerable to honor crime retaliation. Penal code article 192 permits judges to reduce legal penalties in cases when an individual’s motive for murder is a sense of honor. There were no reports of prosecutions under these laws during the year nor evidence of honor crimes against gays and lesbians; however, reports indicated that dozens of gay men and lesbians have been imprisoned over the past several years after being arrested on vague charges such as abusing social values."</small>

2.1.2. In onderdeel C24/3.4 van de Vc 2000 wordt, voor zover hier van belang, over Syrië het volgende vermeld:

<small>“Homoseksualiteit in het openbare leven is een taboe en zou kunnen leiden tot problemen in de sociale omgeving, met name binnen de familie en de directe vriendenkring. Indien een persoon wordt lastig gevallen vanwege zijn of haar homoseksualiteit, is het niet waarschijnlijk dat er bescherming zal worden gezocht bij de autoriteiten. De Syrische wet stelt het hebben van ‘tegennatuurlijk seksueel contact’ strafbaar met maximaal drie jaar gevangenisstraf. Indien de vreemdeling zich erop beroept dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag vanwege zijn homoseksualiteit, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming.” </small>

2.1.3. In onderdeel C2/2.10.2 van de Vc 2000 wordt, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

<small>"Van personen met een homoseksuele voorkeur wordt niet verlangd dat zij deze voorkeur bij terugkeer verbergen."</small>

2.1.4. In het besluit van 30 november 2010 en het daarin ingelaste voornemen, heeft de minister zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat hij het geloofwaardig acht dat de vreemdeling homoseksueel is en ongeveer één maand voor zijn vertrek uit Syrië door buurtvrienden is betrapt, terwijl hij gemeenschap had met zijn vriend, maar dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië wordt vervolgd vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Aan dit standpunt heeft de minister, onder meer, ten grondslag gelegd dat de vreemdeling, nadat hij was betrapt, nog ongeveer een maand bij zijn ouders thuis heeft verbleven en hij in deze periode van zijn buurtvrienden niets meer heeft vernomen. Voorts heeft hij bovenvermeld standpunt doen steunen op de omstandigheid dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn seksuele geaardheid waardoor hij bij terugkeer naar Syrië in de negatieve aandacht van deze autoriteiten zou staan. Daarbij heeft de minister betrokken dat de vreemdeling in de correcties en aanvullingen van 25 november 2010 heeft gesteld dat hij van een derde heeft vernomen dat hij gezocht wordt door de Syrische autoriteiten. Dienaangaande heeft de minister uiteengezet dat sprake is van een niet objectieve derde en dat de vreemdeling niet nader heeft onderbouwd dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn seksuele geaardheid en hem daarom zouden zoeken.

2.1.5. De voorzieningenrechter is er met de in de grief bestreden overweging ten onrechte aan voorbij gegaan dat de vreemdeling ter onderbouwing van zijn stelling dat zijn buurtvrienden hem bij de Syrische autoriteiten hebben verraden, slechts heeft verwezen naar hetgeen een niet als objectieve bron aan te merken derde heeft gesteld. Nu de vreemdeling aldus niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn seksuele geaardheid, alsmede in aanmerking genomen dat hij voor zijn vertrek uit Syrië meerdere weken bij zijn ouders - derhalve op een traceerbare plaats - heeft verbleven, zonder problemen van enigerlei zijde te hebben ondervonden, bestaat - anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen - geen grond voor het oordeel dat de minister in zoverre is tekortgeschoten in de motivering van het besluit. Dat uit voormeld rapport van de Home Office United Kingdom Border Agency blijkt dat homoseksualiteit in Syrië strafbaar is gesteld, maakt dit niet anders. De vreemdeling heeft immers, zoals de minister in het besluit heeft uiteengezet, niet aannemelijk gemaakt dat hem strafrechtelijke vervolging te wachten staat in Syrië, nu hij zijn stelling dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn seksuele geaardheid, niet met bewijzen heeft gestaafd. Voorts is de voorzieningenrechter, door zijn oordeel mede te doen steunen op onderdeel C2/2.10.2 van de Vc 2000, ten onrechte eraan voorbij gegaan dat de vreemdeling zich niet erop heeft beroepen dat hij, om vervolging door de Syrische autoriteiten te voorkomen, na terugkeer naar Syrië zijn seksuele oriëntatie verborgen moet houden. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 30 november 2010 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat, voor zover thans van belang, de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) strijdige behandeling. Hiermee heeft de minister, volgens de vreemdeling, niet onderkend dat zijn homoseksualiteit en zijn Koerdische etniciteit zullen leiden tot ondervraging, marteling en detentie bij zijn terugkeer naar Syrië.

2.3.1. In het besluit van 30 november 2010 en het daarin ingelaste voornemen, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië zal worden onderworpen aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Aan dit standpunt heeft hij ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn homoseksuele geaardheid. Bij dit standpunt heeft de minister betrokken dat het enkele feit dat de vreemdeling Koerd is geen reëel risico op een behandeling, als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, oplevert.

2.3.2. Volgens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 30 oktober 1991, nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (RV 1991, 19), dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van verdere specifieke onderscheidende kenmerken ("further special distinguishing features"), waaruit een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende.

2.3.3. Reeds omdat, gelet op het onder 2.1.5. overwogene, niet aannemelijk is gemaakt dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn homoseksualiteit, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling homoseksueel is onvoldoende is om aannemelijk gemaakt te achten dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

De vreemdeling heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het zijn van Koerd een reëel risico op een schending van artikel 3 van het EVRM betekent. De enkele omstandigheid dat de vreemdeling tot die bevolkingsgroep behoort, leidt dan ook niet tot het oordeel dat zich zodanig risico voordoet. De beroepsgrond faalt.

2.4. De vreemdeling heeft in beroep tevens betoogd dat de minister, gezien hetgeen hij in beroep tegen voormeld besluit naar voren heeft gebracht, ten onrechte zijn asielaanvraag in het kader van de Algemene Asielprocedure (hierna: de AA-procedure) heeft afgewezen. Hiermee heeft de minister, volgens de vreemdeling, in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 15 juli 2011 in zaak nr. 201102129/1/V2; www.raadvanstate.nl), gaat het er bij de toetsing of een aanvraag terecht in de AA-procedure is afgewezen om of het desbetreffende besluit binnen acht dagen op zorgvuldige wijze is genomen.

2.4.2. Gelet op het onder 2.1.5. en 2.3.3. overwogene, heeft de minister niet in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel door de asielaanvraag van de vreemdeling in het kader van de AA-procedure af te wijzen. De beroepsgrond faalt.

2.5. Aan de hiervoor niet besproken bij de voorzieningenrechter voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de voorzieningenrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de voorzieningenrechter bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld.

Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 23 december 2010 in zaak nr. 10/41428;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter,

mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van

mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

418-606.

Verzonden: 17 augustus 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser