Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5205

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
201102767/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 3] en [locatie 1] Loenen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102767/1/R2.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Loenen, gemeente Apeldoorn,

en

de raad van de gemeente Apeldoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 3] en [locatie 1] Loenen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2011, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [appellant] en bijgestaan door mr. P.R. Meurs, en de raad, vertegenwoordigd door T. van Essen en M.G.J. Beimer, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan strekt tot verplaatsing van de woning [locatie 1], ten behoeve van de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf op [locatie 2].

Bij het bestreden besluit is het plan in zoverre gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan dat de vervangende locatie voor de woning is verplaatst van de westzijde van [locatie 3] naar de locatie direct ten oosten van [locatie 3].

Procedureel

2.2. [appellant] en anderen betogen dat de raad het plan ten onrechte gewijzigd heeft vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan, nu hiermee de bouw van een woning ten oosten van [locatie 3] wordt mogelijk gemaakt. Zij voeren daartoe aan dat bij de voorbereiding van het plan een onjuiste en onzorgvuldige procedure is gevolgd.

2.2.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van het plan wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen.

Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan. Deze afwijkingen, die met name betrekking hebben op de locatie van het plandeel "Wonen" in verband met de vervanging van de woning [locatie 1], zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. De Afdeling betrekt daarbij dat de ruimtelijke uitstraling van het plan door de wijzigingen niet is veranderd, gezien de omstandigheid dat sprake is gebleven van ligging naast reeds bestaande bebouwing in een weiland. De Afdeling is van oordeel dat niet gehandeld is in strijd met de wettelijke bestemmingsplanprocedure en ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij betrekt de Afdeling dat het voeren van overleg met omwonenden en het bieden van inspraak geen onderdeel uitmaken van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het al dan niet bieden van inspraakmogelijkheden heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

Het betoog van [appellant] en anderen van formele aard faalt.

Inhoudelijk

2.3. [appellant] en anderen betogen verder dat het plandeel met de bestemming "Wonen" ten oosten van [locatie 3] een inbreuk op de privacy oplevert vanwege een belemmering van het uitzicht. Daarnaast worden volgens [appellant] en anderen de natuurwaarden van de omgeving aangetast, heeft de bestemming gevolgen voor de verkeersveiligheid en zijn alternatieve locaties voorhanden. Tot slot is volgens [appellant] en anderen ten onrechte doorslaggevend belang gehecht aan de belangen van de indieners van de zienswijzen.

2.4. De raad is van oordeel dat de wijzigingen die hij heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerpplan deugdelijk zijn gemotiveerd en binnen de vrijheid van de raad vallen. Verder is hij van oordeel dat het plan geen onevenredige aantasting van het woongenot van [appellant] en anderen tot gevolg heeft.

2.5. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, waaronder begrepen begeleid wonen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor recreatieve zorgverblijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie'.

Ingevolge artikel 1, lid 1.47, wordt onder 'recreatief zorgverblijf' een recreatieverblijf (binnen maatschappelijke doeleinden) ten behoeve van mensen met een functionele beperking verstaan.

Ingevolge artikel 1, lid 1.56, wordt onder 'verblijfsrecreatie' verstaan een recreatief verblijf, waarbij overnacht wordt in kampeermiddelen, recreatiewoningen en/of recreatieverblijven.

2.5.1. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. De stichting Stichting Baron van Hugenpoth tot Aerdt (hierna: de stichting) is eigenaar van zowel het perceel [locatie 1], als het perceel [locatie 3] en de direct ten oosten en westen daarvan gelegen percelen. De stichting heeft verzocht om verplaatsing van de huidige woning [locatie 1] naar het perceel direct ten oosten van [locatie 3].

Bij de keuze van een bestemming dient de raad een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Bij het zoeken naar een geschikte locatie voor de verplaatsing van de woning [locatie 1] is blijkens de plantoelichting rekening gehouden met landschappelijke kwaliteiten en milieuzoneringen. In verband met de openheid van het landschap is als uitgangspunt genomen dat het erf van de nieuwe woning zal aansluiten op een ander bestaand erf en dat de nieuwe woning aan de openbare weg komt. Op basis hiervan heeft de raad twee locaties mogelijk geacht, te weten direct ten westen respectievelijk direct ten oosten van [locatie 3]. In tegenstelling tot hetgeen [appellant] en anderen betogen is het verschil in landschappelijke kwaliteiten tussen de westzijde en de oostzijde volgens de raad dusdanig gering, dat hij doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de voorkeur voor de oostzijde van zowel de stichting als de huidige bewoner van [locatie 3]. Realisering van een woning aan de oostzijde van [locatie 3] vindt plaats in een weiland en heeft daarom geen direct effect op de landschapswaarden van het gebied ten zuiden van [locatie 3], aldus de raad. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad onvoldoende alternatieve locaties in de afweging van belangen heeft betrokken en dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen onaanvaardbare aantasting van landschappelijke en natuurwaarden ontstaat.

De Afdeling acht aannemelijk dat door realisering van de voorziene woning aan de oostzijde van [locatie 3] het uitzicht van [appellant] en anderen in enige mate zal worden beperkt. [appellant] en anderen hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op hun privacy. Daarbij betrekt de Afdeling het feit dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat, alsmede de afstand tussen de woningen van [appellant] en anderen en het betreffende plandeel, die ten minste 140 meter bedraagt. De stelling van [appellant] en anderen dat de aanduiding 'verblijfsrecreatie', waarmee vakantiewoningen voor mensen met een functionele beperking mogelijk worden gemaakt, zorgt voor een extra aantasting in de privacy, geeft de Afdeling geen aanleiding anders te concluderen, nu deze niet nader is onderbouwd en de aanduiding de verplaatsing van een reeds bestaande planologische mogelijkheid betreft.

Realisering van de voorziene woning leidt niet of nauwelijks tot toename van het verkeer, nu het uitsluitend gaat om het verplaatsen van reeds bestaande planologische mogelijkheden en deze voldoende kan worden afgewikkeld op de bestaande straten, aldus de raad. [appellant] en anderen hebben niet gemotiveerd aangegeven waarom in dit geval sprake zou zijn van een toename van het verkeer en dat dit tot problemen zou leiden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor de verwachting dat de verkeerssituatie onevenredig zal verslechteren door de komst van de voorziene woning.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de bezwaren van [appellant] en anderen niet zodanig ernstig zijn dat de raad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de ontwikkeling van de in het plan voorziene woning aan de oostzijde van [locatie 3].

2.6. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

271-706.