Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
201008378/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Boshoverweg-Jankushofstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008378/1/R2.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Weert,

2. [appellant sub 2], wonend te Weert,

3. [appellant sub 3], wonend te Weert,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Weert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Boshoverweg-Jankushofstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2010, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en Limbra Ontwikkeling BV hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2011, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.L.M.G. Creemers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Limbra Ontwikkeling BV, vertegenwoordigd door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt de ontwikkeling van 17 patiowoningen op het perceel [locatie] mogelijk.

2.2. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] kunnen zich niet verenigen met het plan. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] voeren hiertoe aan dat het plan een te grote bouwhoogte mogelijk maakt. Het plan is volgens hen niet goed ruimtelijk onderbouwd en uitvoering ervan leidt tot een aantasting van het woongenot door een inbreuk op de privacy, beperking van het uitzicht en beperking van lichtinval. Daarbij vrezen zij het verzakken van de eigen woning en waardevermindering hiervan. [appellant sub 2] betoogt dat het plan ruimtelijk niet passend is en vreest verkeersoverlast als gevolg van het plan.

2.3. Op het perceel waar de patiowoningen zijn voorzien rust de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 4.2, lid 4.2.2 onder b, van de planregels, zijn binnen het bouwvlak, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - patio' uitsluitend patiowoningen toegestaan.

Ingevolge artikel 4.2, lid 4.2.2 onder e, mogen de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte'.

Ingevolge artikel 4.2, lid 4.2.2 onder g, mogen hoofdgebouwen over maximaal 65 m2 worden afgedekt met een kap.

2.4. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van vrijheid toe bij het aanwijzen van bestemmingen en het geven van regels die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Volgens de raad sluit het nu ontwikkelde plan aan op de overwegende woonfunctie in de omgeving en is het zodanig opgebouwd dat het zo min mogelijk invloed heeft op deze omgeving. Bijna alle woningen in het gebied worden namelijk ontsloten door middel van een binnen het plangebied te realiseren weg. Daarnaast zijn de woningen zodanig gesitueerd dat de ruimtelijke beleving van de omgeving zo min mogelijk wordt aangetast, aldus de plantoelichting. De raad neemt hierbij in aanmerking dat naar aanleiding van de ingediende zienswijzen de mogelijkheid voor een kap ten opzichte van het ontwerpplan is beperkt. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene bebouwing, gelet op de ligging van het perceel in een woongebied, passend kan worden geacht in de omgeving en dat realisering van de woningen uit stedenbouwkundig en functioneel oogpunt niet bezwaarlijk is.

2.4.1. Niet valt uit te sluiten dat door realisering van de voorziene woningen het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] in enige mate zal worden aangetast, in de vorm van enige vermindering van uitzicht, privacy en lichtinval. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat de bouw van de woningen op deze plek tot een onaanvaardbare aantasting hiervan leidt. Daarbij betrekt de Afdeling het feit dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat en het feit dat rekening is gehouden met omwonenden door de mogelijkheden voor een kap ten opzichte van het ontwerpplan te verkleinen, waardoor op 65% in plaats van 100% van de bebouwingsoppervlakte een bouwhoogte van 7,20 m mogelijk is, op een afstand van ten minste 15 m van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3]. Voor het overige is een bouwhoogte van

3,5 m toegestaan. Eventueel toe te voegen dakkapellen en dakramen komen op een afstand van ten minste 20 m van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3]. Het standpunt van de raad dat het hierbij gaat om toelaatbare bouwhoogtes in een woongebied, is door [appellant sub 1] en [appellant sub 3] onvoldoende weerlegd. Ter zitting is nog gebleken dat de mogelijkheid voor het toevoegen van dakkapellen en dakramen door de initiatiefnemer, door middel van een kwalitatieve verplichting, ter waarborging van de privacy van omwonenden, zal worden beperkt tot de voorzijde van de patiowoningen.

2.4.2. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. De vrees van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] voor verzakking van hun woningen door de bouw heeft geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Dit betoog moet derhalve buiten beschouwing blijven.

2.4.3. Niet in geschil is dat realisering van de woningen leidt tot enige toename van het verkeer. Volgens de raad zal de bouw echter slechts een geringe verkeerstoename tot gevolg hebben, die bovendien voldoende kan worden afgewikkeld op de bestaande straten en de binnen het plangebied te realiseren weg. [appellant sub 2] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad op dit punt van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid van heeft mogen uitgaan dat de verkeersafwikkeling niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeersoverlast.

2.4.4. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang bij verwezenlijking van de woningen zwaarder weegt dan de belangen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bij behoud van de bestaande situatie.

2.5. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

271-706.