Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
201003105/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Tappersheul" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003105/1/M3.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting G. Ribbius Peletier jr. tot behoud van het Landgoed Linschoten (hierna: de stichting), gevestigd te Linschoten, gemeente Montfoort,

appellant,

en

de raad van de gemeente Oudewater,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Tappersheul" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2011, waar de stichting, vertegenwoordigd door ing. P.A.J.H. Kindt, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.P.W. van den Berg en drs. ing. C.P. Quik, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan is door de raad vastgesteld ter actualisering van de planologische regeling van het bedrijventerrein Tappersheul te Oudewater en vervangt de bestemmingsplannen "Tappersheul I" uit 1992 en "Tappersheul II" uit 2000. Het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het bedrijventerrein in oostelijke richting en bevat ruimere bebouwingsmogelijkheden dan de vorige plannen.

2.2. De stichting richt zich tegen de in het bestemmingsplan toegestane bouwhoogte voor zover deze hoger is dan 8 meter. Volgens de stichting is deze verruiming van de bouwhoogtes ten opzichte van de oude bestemmingsplannen in strijd met de gebiedsvisie Linschoterwaard nu het een visuele aantasting van de omgeving van het landgoed Linschoten (hierna: het landgoed) tot gevolg heeft.

2.2.1. De raad acht de in het bestemmingsplan toegestane bouwhoogtes acceptabel. De verruiming van de bouwhoogte voor gebouwen van 8 meter naar 12 meter past volgens de raad binnen het landelijk en provinciaal beleid om bestaande bedrijventerreinen intensiever te benutten. Volgens de raad zijn de gevolgen voor de omgeving beperkt. De raad wijst er in dit verband op dat de vorige bestemmingsplannen het mogelijk maakten om met speciaal daartoe verleende toestemming te bouwen tot maximaal 15 meter. Ook wijst de raad op de groene inpassing van de bebouwing op het bedrijventerrein. Bij het verlenen van een ontheffing om te kunnen bouwen tot 15 meter wordt volgens de raad streng getoetst of het bouwwerk bedrijfseconomisch noodzakelijk is en worden voorwaarden gesteld aan de inpassing van het gebouw in de omgeving.

2.2.2. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De raad heeft in het aan de orde zijnde bestemmingsplan de bij recht toegestane bouwhoogte van 8 meter gewijzigd in 12 meter. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan voorziet in een groenstrook die als buffer dient tussen het bedrijvenpark en het landgoed. Uit de stukken en ter zitting is naar voren gekomen dat de raad en de stichting overeenstemming hebben bereikt over de wijze van beplanting van deze groenbuffer. Door de groenbuffer zal het zicht op het bedrijventerrein worden beperkt. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de bij recht toegestane bouwhoogte van 12 meter en de na ontheffingverlening toegestane bouwhoogte van 15 meter leiden tot een onevenredige visuele aantasting van de omgeving van het landgoed. Bij dit oordeel wordt betrokken dat in artikel 4.4, onder a, tweede lid, van de planregels is opgenomen dat bij de ontheffingverlening eisen kunnen worden gesteld aan de landschappelijke inpassing van de nieuwe bebouwing in de omgeving. Van strijd met de gebiedsvisie is niet gebleken, nu deze gebiedsvisie, wat daar verder ook van zij, betrekking heeft op het landelijk gebied tussen Montfoort, Linschoten, Woerden en Oudewater, waartoe onderhavig plangebied niet behoort.

2.3. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

163-678.