Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
201012909/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2008 heeft het college aan [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de inpandige verbouwing van het pand op het perceel [locatie] te Barneveld (hierna: het perceel) ongedaan te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012909/1/H1.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Renswoude,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 november 2010 in zaak nr. 09/3422 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2008 heeft het college aan [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de inpandige verbouwing van het pand op het perceel [locatie] te Barneveld (hierna: het perceel) ongedaan te maken.

Bij besluit van 10 juli 2009 heeft het college het door [appellante] onder meer daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] tegen het besluit van 10 juli 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. B.H.M. Karens, advocaat te Ede, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Hoekstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het geding heeft, zoals ter zitting door [appellante] is bevestigd, uitsluitend betrekking op de last onder dwangsom.

2.2. Op het perceel is het bedrijfsgedeelte van de boerderij, te weten de deel, verbouwd, waardoor acht slaapkamers zijn verwezenlijkt ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke werknemers.

2.3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet, zoals deze wet luidde ten tijde van belang, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, is, in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb), wordt onder bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1˚ de verandering geen betrekking heeft op de draagconstructie;

2˚ de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid;

3˚ het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van bouwvergunningsvrij bouwen, omdat de aangebrachte veranderingen volgens [appellante] zijn aan te merken als veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb. [appellante] stelt dat de deel sinds jaar en dag niet meer wordt gebruikt voor de oorspronkelijke agrarische bedrijfsdoeleinden. [appellante] stelt voorts dat, nu ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2000", zoals gewijzigd bij de "Wijziging Scherpenzeelse weg V" (hierna: het wijzigingsplan), op het perceel de bestemming "Woning" rust, door de inpandige verbouwing geen functieverandering plaatsvindt. Bovendien is in het bestemmingsplan de bestemming "Woning" niet gespecificeerd, aldus [appellante].

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607776/1), moet voor de toepasselijkheid van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb de term "van niet-ingrijpende aard" niet alleen in bouwkundige zin, maar ook in stedenbouwkundige zin worden opgevat. Bij dit laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de verandering op de omgeving heeft een rol.

2.4.2. De rechtbank heeft terecht in hetgeen door [appellante] is aangevoerd geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel, dat sprake is van een wijziging van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb. De inpandige verandering van de deel is ingrijpend, nu daar onder meer slaapkamers zijn gerealiseerd, waardoor het gedeelte van de boerderij dat voor bewoning wordt gebruikt aanmerkelijk is uitgebreid. Daarnaast is van belang dat het gebruik tengevolge van de inpandige verandering verandert van zelfstandige bewoning door een gezin in bewoning door een groep werknemers. Dat in een gedeelte van de deel reeds een washok en kantoor aanwezig waren, zoals [appellante] stelt, kan niet leiden tot het oordeel dat geen verandering van het gebruik van de deel heeft plaatsgevonden.

[appellante] heeft voorts niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk gemaakt, dat de verbouwing onder het overgangsrecht van het ter plaatse geldende bestemmingsplan valt.

Het betoog faalt.

2.5. Nu, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.2 is overwogen, voor de inpandige verbouwing van het pand een bouwvergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet is vereist en vast staat dat deze ontbreekt, was het college bevoegd handhavend op te treden.

2.6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Bij besluiten van 19 januari 2009 en 16 februari 2009 heeft het college geweigerd bouwvergunning te verlenen voor de illegale verbouwing. Nu deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden en derhalve van de rechtmatigheid ervan dient te worden uitgegaan, heeft de rechtbank terecht overwogen dat reeds daarom geen concreet zicht op legalisering bestaat. Ook overigens zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan tot het oordeel dient te worden gekomen, dat van handhaving dient te worden afgezien.

2.8. Het betoog van [appellante] tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat de last onvoldoende duidelijk is geformuleerd, faalt eveneens. Voor [appellante] was voldoende duidelijk dat de inpandige verbouwing van zowel de begane grond als de verdieping van de voormalige deel tot woon- en verblijfsruimte ongedaan gemaakt diende te worden. Het voor deze verbouwing reeds in de deel aanwezige kantoor en washok behoeven niet te worden verwijderd.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

374-700.