Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5185

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
201011808/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2008 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2011/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011808/1/H2.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hengelo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) van 10 november 2010 in zaak nr. 09/484 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2008 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 8 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.A.P. Langhout, en het college, vertegenwoordigd door M.S. van Dijk en J.B.M. Nijhof, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kent het college, voor zover een belanghebbende ten gevolge van een vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van die bepaling dient te worden onderzocht of als gevolg van de vrijstelling een wijziging van het planologische regime heeft plaatsgevonden, waardoor de verzoeker in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende vrijstelling en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan van dat uitgangspunt worden afgeweken.

2.3. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van planschade ten gevolge van een door het college bij besluit van 8 september 2003 krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO verleende vrijstelling van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Hasseler Es (Middelhoek Zuid)" (hierna: het bestemmingsplan), met gebruik waarvan bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een GSM-mast met installatie nabij zijn perceel.

Het college heeft het verzoek voor advies voorgelegd aan de schadebeoordelingscommissie. Deze heeft op 11 augustus 2008 geadviseerd dat de aanwezigheid van de GSM-mast voor [appellant] geen planologisch nadeliger situatie oplevert, omdat hij onder de vigeur van het bestemmingsplan evenmin van vrij uitzicht over het desbetreffende onbebouwde terrein was verzekerd. Het college heeft dat advies aan het besluit van 30 september 2008 ten grondslag gelegd.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het advies van de schadebeoordelingscommissie niet had mogen volgen, omdat het op een onjuiste planvergelijking is gebaseerd, daarin ten onrechte wordt geconcludeerd dat een brug en, in de nabijheid van de perceelsgrens, een rij gebouwen met onbeperkte nokhoogte tot de mogelijkheden van het bestemmingsplan behoren en ten onrechte wordt uitgegaan van aannames. Ook is volgens [appellant] ten onrechte voorbijgegaan aan zijn stelling dat de GSM-mast bij westenwind hinderlijk gebrom veroorzaakt.

2.4.1. Burgemeester en wethouders mogen bij het besluit op een verzoek om planschadevergoeding van het advies van een door hen geraadpleegde deskundige uitgaan, indien uit dit advies blijkt, welke feiten en omstandigheden eraan ten grondslag zijn gelegd en de conclusies ervan zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies bestaan.

2.4.2. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, biedt geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies. Omdat [appellant] heeft verzocht om vergoeding van planschade die het gevolg is van het vrijstellingsbesluit, is in het advies een vergelijking gemaakt tussen enerzijds het bestemmingsplan en anderzijds het vrijstellingsbesluit. Dat is juist. Dat de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan ook na het nemen van het vrijstellingsbesluit nog verwezenlijkt kunnen worden, betekent, anders dan [appellant] betoogt, niet dat in het advies een onjuiste planvergelijking is gemaakt.

2.4.3. De stelling dat het advies uitgaat van aannames geeft evenmin aanleiding tot het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college het niet mocht volgen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de daadwerkelijke hoogte van de mast en de afstand daarvan tot het perceel van [appellant] relatief weinig verschillen van de hoogte en afstand, waarvan in het advies wordt uitgegaan. Verder heeft de schadebeoordelingscommissie nader onderzoek naar het door [appellant] gestelde geruis van de GSM-mast niet nodig geacht, omdat de mogelijke overlast die daarvan uitgaat de geluidsoverlast van het verkeer op de nabijgelegen druk bereden Deurningerstraat niet zal overtreffen. Het standpunt van de commissie dat niet aannemelijk is dat het geruis van de GSM-mast zo ernstig is, dat het van invloed zal zijn op de aankoopbeslissing van een objectieve koopgegadigde en daarmee op de koopprijs, is niet onbegrijpelijk. [appellant] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

2.4.4. De schadebeoordelingscommissie heeft onderzocht of ingevolge het bestemmingsplan bouwwerken zouden hebben mogen worden opgericht die voor [appellant] eenzelfde mate van uitzichtverstoring en omgevingsverslechtering zouden hebben opgeleverd als de GSM-mast. De commissie heeft dat terecht aannemelijk geacht, omdat ter plaatse een brug en gebouwen met een forse nokhoogte mogen worden gerealiseerd, waarbij het uitzichtverlies gelijk is aan dat van de GSM-mast. Anders dan [appellant] stelt, is de commissie niet uitgegaan van de mogelijkheid tot het realiseren van een rij gebouwen met onbeperkte nokhoogte. Voorts heeft de rechtbank [appellant] terecht en op goede gronden niet gevolgd in zijn betoog dat realisatie van een brug met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten moet worden geacht. Dat een dergelijke brug het uitzicht van [appellant] op de GSM-mast niet ontneemt, is niet van belang. De commissie heeft terecht doorslaggevend geacht dat onder de werking van het bestemmingsplan bouwwerken zouden hebben mogen worden opgericht die voor [appellant] eenzelfde mate van uitzichtverstoring en omgevingsverslechtering tot gevolg zouden hebben als de GSM-mast.

2.5. Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank het advies terecht niet onzorgvuldig tot stand gekomen geacht of geoordeeld dat het anderszins zodanige gebreken bevat, dat de besluitvorming daarop niet kon worden gebaseerd.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

18-686.