Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5184

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
201011186/1/H1 en 201011265/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor het gebruik van het pand op het perceel [locatie] te Brunssum ten behoeve van nader in dit besluit genoemde vormen van detailhandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011186/1/H1 en 201011265/1/H1.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1A] h.o.d.n. Gamma Brunssum, gevestigd te Meerssen,

[appellante sub 1B], gevestigd te Brunssum,

[appellante sub 1C], gevestigd te Meerssen,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Praxis

Doe-het-Zelf Center B.V., gevestigd te Brunssum,

(hierna tezamen: [appellante sub 1] en andere)

2. de Vereniging Woonboulevard Heerlen, gevestigd te Heerlen,

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 13 oktober 2010 in zaak nrs. 08/337 en 08/369 in de gedingen tussen:

[appellante sub 1] en andere, en

de Vereniging Woonboulevard Heerlen

en

het college van burgemeester en wethouders van Brunssum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor het gebruik van het pand op het perceel [locatie] te Brunssum ten behoeve van nader in dit besluit genoemde vormen van detailhandel.

Bij twee onderscheiden uitspraken van 13 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante sub 1B] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, de door Gamma Brunssum, [appellante sub 1C], Praxis Doe-het-Zelf Center en de Vereniging Woonboulevard Heerlen daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 29 januari 2008 vernietigd voor zover daarin is overwogen dat aan de parkeernormen wordt voldaan en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [appellante sub 1] en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2010, en de Vereniging Woonboulevard Heerlen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2010, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 1] en andere hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 20 december 2010. De Vereniging Woonboulevard Heerlen heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 21 december 2010.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghoudster] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante sub 1] en andere en de Vereniging Woonboulevard Heerlen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gezamenlijk behandeld op 16 mei 2011, waar [appellante sub 1] en andere, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hardy, advocaat te Maastricht, de Vereniging Woonboulevard Heerlen, vertegenwoordigd door G.J.M. Hazelhof en bijgestaan door mr. H. Nijman, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.D. Lelieveld, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [vergunninghoudster] exploiteert sinds 1996 het [bedrijf] op het perceel dat is gelegen op het bedrijventerrein Emma. Omdat de detailhandelsactiviteiten van [bedrijf] niet als ondergeschikte nevenactiviteit van het groothandelsbedrijf kunnen worden aangemerkt, bestaat strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Emma". Teneinde deze strijdige bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] te legaliseren, heeft het college vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend voor het gebruik van het pand ten behoeve van detailhandel in:

- bouwmarkt en doe-het-zelf-artikelen (conform de definitie van het Hoofdbedrijf Detailhandel);

- huis-, tuin- en dierartikelen voor zover deze niet (volledig) passen binnen de definitie van bouwmarkt en doe-het-zelf-artikelen;

- artikelen die ook worden gebruikt in de bouwnijverheid, de landbouw, tuinbouw, bosbouw, ambachtelijke, industriële en daarmee verwant zijnde sectoren;

- werkkleding en werkschoenen;

- branchevreemde artikelen tot een maximum van 20% van de toegestane verkoopvloeroppervlakte.

Deze detailhandel heeft een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 4500 m².

2.2. [appellante sub 1] en andere betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellante sub 1B] niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij het besluit van 29 januari 2008 kan worden aangemerkt. Zij voeren daartoe aan dat [appellante sub 1B] als verhuurster van het pand aan Pijler 38, waarin de Gamma is gevestigd, een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang heeft.

2.2.1. Het betoog faalt. [appellante sub 1B] is geen exploitant of eigenaar van de op Pijler 38 gevestigde bouwmarkt, en evenmin is gebleken van een ander belang dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit van 29 januari 2008. Nu [appellante sub 1B] slechts een indirect belang heeft bij het besluit van 29 januari 2008, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante sub 1B] geen belanghebbende is bij dat besluit.

2.2.2. In aanmerking genomen dat Gamma Brunssum en Praxis Doe-het-Zelf Center grotendeels in hetzelfde marktsegment en binnen dezelfde klantenkring als [bedrijf] werkzaam zijn en niet is uitgesloten dat het besluit van 29 januari 2008 omzetverlies bij hen tot gevolg kan hebben, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat Gamma Brunssum en Praxis Doe-het-Zelf Center als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. Dit geldt evenzeer voor [appellante sub 1C] als eigenaar van Gamma Brunssum, nu zij rechtstreeks deelt in de omzet van Gamma Brunssum.

2.2.3. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in de uitspraak van 27 september 2006 in zaak nr. 200600505/1 kan het trekken van publiek naar de woonboulevard tot de gemeenschappelijke zakenbelangen van de Vereniging Woonboulevard Heerlen worden gerekend, en is dat belang een belang dat alle leden ervan aangaat, zodat sprake is van een collectief belang. De Vereniging Woonboulevard Heerlen is in deze procedure opgekomen voor de belangen van de woonboulevard Heerlen als geheel. Gelet op de geringe afstand van 4 km tussen de vestiging van [bedrijf] en de woonboulevard Heerlen en het feit dat de op de woonboulevard Heerlen gevestigde Gamma en Praxis grotendeels in hetzelfde marktsegment werkzaam zijn als [bedrijf], is niet uitgesloten dat de op de woonboulevard Heerlen gevestigde Gamma en Praxis ten gevolge van het besluit van 29 januari 2008 minder publiek zullen trekken. Gelet op de aantrekkende werking van deze winkels voor de woonboulevard, heeft de rechtbank het terecht niet ondenkbaar geacht dat het detailhandelsbedrijf van [bedrijf] bezoekers zal trekken ten koste van de woonboulevard Heerlen als geheel, zodat de Vereniging Woonboulevard Heerlen reeds hierom als belanghebbende bij het besluit van 29 januari 2008 kan worden aangemerkt.

2.3. Het standpunt van [vergunninghoudster] dat het hoger beroep van de Vereniging Woonboulevard Heerlen niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang, omdat het hoger beroep niet kan leiden tot het daarmee beoogde doel, te weten vernietiging van het besluit tot aanwijzing van het Emmaterrein als stedelijk dienstenterrein, wordt niet gevolgd. De Vereniging Woonboulevard Heerlen wil met het hoger beroep bereiken dat het besluit van 29 januari 2008, dat de detailhandelsactiviteiten van [bedrijf] mogelijk maakt, wordt vernietigd.

2.4. Nu [vergunninghoudster] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, kan het betoog van [appellante sub 1] en andere dat het procesbelang van [vergunninghoudster] hangende de procedure is vervallen, reeds daarom niet slagen. Voor zover [appellante sub 1] en andere hebben bedoeld te betogen dat het college het vrijstellingsbesluit niet had mogen nemen, omdat de vestiging van [bedrijf] op het Emmaterrein inmiddels is gesloten en derhalve geen gebruik zal worden gemaakt van de verleende vrijstelling en dit ten tijde van de aanvraag bekend moet zijn geweest bij [vergunninghoudster], slaagt dit evenmin. Nog daargelaten dat niet is gebleken dat het college ten tijde van het nemen van het besluit op de hoogte was van de sluiting van [bedrijf], bestaat geen reden om te twijfelen aan de ter zitting gegeven verklaring van [bedrijf] dat de vestiging weer geopend zal worden indien het vrijstellingsbesluit onherroepelijk is geworden.

2.5. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.5.1. Bij besluit van 12 juni 2007, gepubliceerd in het provinciaal blad van Limburg 2007/43, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg een lijst vastgesteld met categorieën van gevallen, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO (hierna: de provinciale lijst). Deze lijst is niet van toepassing voor projecten die in strijd zijn met de wet dan wel met het provinciaal of rijksbeleid.

2.5.2. Bij besluit van 22 september 2006 hebben provinciale staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: het POL 2006) vastgesteld.

In § 5.3.2 van het POL 2006 is vermeld dat er een goede balans dient te zijn tussen de winkelvoorzieningen in de binnenstad, de verzorgingsstructuur van wijken en buurten en grootschalige detailhandel op perifeer gelegen stedelijke dienstenterreinen. Volgens het POL 2006 bieden stedelijke dienstenterreinen uitsluitend ruimte aan detailhandelsfuncties voor minder frequent benodigde, doelgerichte aankopen, die moeilijk inpasbaar zijn in bestaande winkelgebieden vanwege volumineuze aard en dagelijkse bevoorrading. Gedacht is daarbij aan grotere winkels (1000 m² of meer) voor aankopen op het gebied van wonen, vervoer en outdoor. Voorts is vermeld dat op bedrijventerreinen, met uitzondering van een aantal genoemde categorieën, geen detailhandelsfuncties thuishoren. In § 5.2.2 is vermeld dat vestiging van nieuwe grootschalige functies op het gebied van detailhandel en grote stedelijke recreatieve voorzieningen op stedelijke dienstenterreinen zorgvuldig afgewogen moet worden om de kwaliteit van de binnensteden en een goede verzorgingsstructuur in wijken, buurten en kernen te waarborgen. Provinciale staten achten het gewenst dat in deze gevallen onder verantwoordelijkheid van de gemeente een economisch-effectenrapportage (hierna: EER) plaats vindt. Op basis van de resultaten en conclusies van zo'n rapportage zal het lokale bestuur zelf tot een afweging moeten komen of men de te verwachten effecten al dan niet wenst te accepteren. Blijkt uit de EER dat er gemeentegrensoverschrijdende effecten optreden dan is afstemming nodig met de betrokken gemeenten en (grensoverschrijdende) regio's.

2.5.3. De in het POL 2006 geschetste hoofdlijnen zijn uitgewerkt in de bij besluit van 19 december 2006 door het college van gedeputeerde staten vastgestelde "Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg deel I"(hierna: de Handreiking). Volgens de Handreiking is deel I daarvan formeel aan te merken als een door het college van gedeputeerde staten vastgestelde beleidsregel.

In de Handreiking is als aanvullende regel op het in het POL 2006 vervatte beleid met betrekking tot werklocaties onder meer gegeven dat detailhandelsfuncties niet zijn toegestaan op bedrijventerreinen, waarbij bestaande rechten worden gerespecteerd. Voorts is vermeld dat bij vestiging van nieuwe grootschalige functies op het gebied van detailhandel en stedelijke recreatieve voorzieningen een EER dient te worden opgesteld. Een EER is een hulpmiddel om in te schatten in hoeverre de kwaliteit van binnensteden en eventueel de verzorgingsstructuur in wijk, buurt of kern in geding is bij de ontwikkeling van nieuwe locaties, bij de vestiging van concrete initiatieven op nieuwe/bestaande locaties of bij substantiële uitbreiding van bestaande vestigingen. Op basis van de resultaten en conclusies van de EER zal het lokale bestuur zelf tot een afweging moeten komen of men de te verwachten effecten al dan niet wenst te accepteren. Blijkt uit de EER dat er gemeentegrensoverschrijdende effecten optreden, dan dient naast overleg met betrokken buurgemeenten, ook advies te worden ingewonnen bij de provincie. Bij substantiële landgrensoverschrijdende effecten is afstemming met de desbetreffende autoriteiten gewenst.

2.6. [appellante sub 1] en andere, zonder [appellante sub 1B] (hierna: [appellante 1] en andere), en de Vereniging Woonboulevard Heerlen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen. Zij voeren hiertoe aan dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] waarvoor vrijstelling is verleend niet in overeenstemming zijn met het provinciaal beleid, aangezien het Emmaterrein niet als stedelijk dienstenterrein kan worden gekwalificeerd.

[appellante 1] en andere wijzen er in dit verband op dat het Emmaterrein ingevolge het bestemmingsplan uitdrukkelijk is bestemd als "Bedrijventerrein" en dat de provincie een restrictief toelatingsbeleid voor detailhandel op het bedrijventerrein heeft gevoerd. Voorts voeren zij aan dat de provincie het Emmaterrein uitdrukkelijk als bedrijventerrein heeft aangemerkt in de beleidsregel "Programma Werklocaties Limburg 2020". [appellante 1] en andere zijn verder van mening dat, voor zover er al sprake is van een aanwijzing als stedelijk dienstenterrein, deze aanwijzing niet strookt met het detailhandelsbeleid van de plusregio Parkstad Limburg, dat uitbreiding van detailhandel niet toelaat, en dat de vaststelling van de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg op 2 november 2009 niet betekent dat daarmee instemming van omringende gemeenten is geformaliseerd. Bovendien dient bij de aanwijzing van het Emmaterrein als stedelijk dienstenterrein een EER te worden opgesteld, hetgeen niet is gebeurd, aldus [appellante 1] en andere.

De Vereniging Woonboulevard Heerlen voert aan dat het Emmaterrein ten tijde van het besluit van 29 januari 2008 niet was aangewezen als stedelijk dienstenterrein en voor zover het college het Emmaterrein wel als zodanig heeft aangewezen, dit niet op de juiste wijze is gebeurd. In dit verband wijst zij erop dat het Emmaterrein feitelijk is ingericht als bedrijventerrein en aanwijzing als stedelijk dienstenterrein niet binnen de kaders van het POL 2006 heeft plaats gevonden. De Vereniging Woonboulevard Heerlen voert verder aan dat aan de aanwijzing als stedelijk dienstenterrein in de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg geen betekenis toekomt, omdat dit dateert van na het besluit en derhalve is gebaseerd op de situatie waarin voor de detailhandelsactiviteiten van [bedrijf] reeds vrijstelling was verleend.

2.6.1. Nu detailhandelsfuncties volgens het POL 2006 en de Handreiking niet zijn toegestaan op een bedrijventerrein, is voor beantwoording van de vraag of het college bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen bepalend of het deel van het Emmaterrein waarop [bedrijf] is gevestigd, moet worden gekwalificeerd als bedrijventerrein dan wel als stedelijk dienstenterrein.

2.6.2. Anders dan de Vereniging Woonboulevard Heerlen heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat aan de kwalificatie als stedelijk dienstenterrein een formeel aanwijzingsbesluit vooraf dient te gaan. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het college van gedeputeerde staten bij brief van 2 december 2009 te kennen heeft gegeven dat een stedelijk dienstenterrein niet als zodanig door het college van gedeputeerde staten wordt aangewezen en dat gemeenten vrij zijn om een stedelijk dienstenterrein aan te wijzen, waarbij de vorm waarin dit gebeurt vrij is. Nu het college van gedeputeerde staten in dit verband geen leidende rol vervult, kan derhalve aan de omstandigheid dat het Emmaterrein in het provinciale "Programma Werklocaties Limburg 2020" van december 2008 is aangemerkt als bedrijventerrein en niet als stedelijk dienstenterrein, anders dan [appellante 1] en andere veronderstellen, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

2.6.3. Dat op het gedeelte van het Emmaterrein waar [bedrijf] is gevestigd, de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" rust, betekent evenmin dat dit gedeelte van het Emmaterrein als bedrijventerrein in de zin van het provinciaal beleid moet worden aangemerkt, nu het terrein mede is bestemd voor detailhandel. Het bestemmingsplan maakt naast de in artikel 5 van de planvoorschriften opgesomde vormen van detailhandel eveneens de vestiging van drie grote winkels op het gebied van doe-het-zelf en outdoor mogelijk, zodat de ter plaatse voorziene bedrijfsdoeleinden een uitdrukkelijk gemengd karakter hebben. Nu het Emmaterrein, behoudens de omvang van de Gamma, feitelijk is ingericht in overeenstemming met het bestemmingsplan en ter plaatse reeds drie grote winkelbedrijven met een omvang van meer dan 1000 m² verkoopvloeroppervlakte aanwezig zijn, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college dit deel van het Emmaterrein in het licht van de uiterlijke kenmerken ervan in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als een stedelijk dienstenterrein.

2.6.4. Doelstelling van een EER is om een prognose te maken van de door vestiging van nieuwe grootschalige detailhandelsfuncties of grote stedelijke recreatieve voorzieningen op een stedelijk dienstenterrein te verwachten economische effecten voor de regio, zodat het college op basis van de gerapporteerde effecten een zorgvuldig afgewogen besluit kan nemen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in strijd met het provinciaal beleid heeft gehandeld door in dit geval geen EER te laten uitvoeren, alvorens vrijstelling te verlenen voor de grootschalige detailhandelsactiviteiten van [bedrijf]. De detailhandelsactiviteiten van [bedrijf] vinden reeds gedurende meer dan tien jaar op het perceel plaats en de economische effecten ervan zijn derhalve feitelijk waarneembaar. Gebleken noch gesteld is dat bedoelde detailhandelsactiviteiten de kwaliteit van de binnenstad van Brunssum of de verzorgingsstructuur in de wijk, buurt of kern hebben aangetast, dan wel op enigerlei wijze de belangen van op het Emmaterrein gevestigde bedrijven negatief hebben beïnvloed. In dit verband wordt tevens van belang geacht dat [appellante 1] en andere de afgelopen tien jaar geen verzoek om handhaving bij het college hebben ingediend tegen de detailhandelsactiviteiten van [bedrijf]. Nu de raden van de betrokken gemeenten in de regio Parkstad Limburg op 2 november 2009 de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg hebben vastgesteld, waarin het Emmaterrein is aangemerkt als stedelijk dienstenterrein met een bovenlokale retailfunctie, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de detailhandelsactiviteiten van [bedrijf] negatieve economische effecten hebben gehad voor de gemeenten in de regio, althans dat het in het provinciaal beleid bedoeld overleg tussen gemeenten niet heeft plaats gevonden. Nu de economische effecten van de detailhandelsactiviteiten bekend zijn, heeft een EER geen toegevoegde waarde voor de besluitvorming van het college. Onder deze omstandigheden betreft het in ieder geval geen vestiging van een nieuwe grootschalige detailhandelsfunctie in de zin van het provinciaal beleid. De rechtbank heeft dan ook in dit geval terecht geen verplichting voor het uitvoeren van een EER aangenomen.

Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het project waarvoor vrijstelling van het bestemmingsplan is verzocht in strijd is met het provinciaal beleid. De betogen van [appellante 1] en andere en de Vereniging Woonboulevard Heerlen slagen niet.

2.7. [appellante 1] en andere en de Vereniging Woonboulevard Heerlen betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aan het besluit tot verlening van vrijstelling ten grondslag gelegde nota "Ruimtelijke onderbouwing [bedrijf]" van 26 maart 2007 een toereikende ruimtelijke onderbouwing bevat. Hiertoe voeren [appellante 1] en andere aan dat zware eisen aan de ruimtelijke onderbouwing dienen te worden gesteld, nu de voorziene detailhandelsactiviteiten van [bedrijf] niets van doen hebben met een groothandel in land- en tuinbouw en industriële artikelen en zelfs zien op branchevreemde artikelen, en derhalve een grote inbreuk maken op het bestaande planologisch regime. De Vereniging Woonboulevard Heerlen voert aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de vestiging van [bedrijf] distributieplanologisch aanvaardbaar is.

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 februari 2006 in zaak nr. 200501120/1), behoeven, naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie geringer is, minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan.

Niet in geschil is dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf], voor zover die bestaan uit groothandelsactiviteiten en de daaraan gekoppelde detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit, in overeenstemming zijn met artikel 5 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 31 mei 2001 in zaak nr. E01.98.0556, wordt iedere vorm van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van een groothandelsbedrijf in land- en tuinbouw en industriële artikelen toegelaten en kan in artikel 5 niet de beperkende voorwaarde worden gelezen dat de gevoerde detailhandelswaar in direct verband moet staan met het groothandelsbedrijf. Dit betekent dat de detailhandelsactiviteiten uitsluitend voor zover deze niet als ondergeschikte nevenactiviteit kunnen worden aangemerkt in strijd zijn met het bestemmingsplan. Gelet op de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan voor de detailhandelsfunctie reeds biedt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de voorziene extra detailhandelswaar, waaronder de van de [bedrijf] formule deel uitmakende branchevreemde artikelen, geen grote inbreuk op het geldende planologische regime maken.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft nagelaten een distributieplanologisch onderzoek in te stellen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juni 2009 in zaak nr. 200806342/1/H1), komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in een bepaalde sector geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van overaanbod en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar aan de vraag of voor de inwoners van de gemeente een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen. Bij een eventueel sluiten van een winkel voor tuinartikelen, doe-het-zelfartikelen en boerenbondartikelen, kunnen klanten hun geregelde inkopen doen bij [bedrijf], dan wel bij andere vestigingen in deze branchegroepen, die in Brunssum en Parkstad Limburg ruimschoots vertegenwoordigd zijn, zoals ook is bevestigd met de door het adviesbureau Droogh Trommelen en Partners opgestelde analyse van 24 augustus 2009. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat door de detailhandelsactiviteiten van [bedrijf], waarvoor vrijstelling is verleend, moet worden gevreesd voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de betreffende sector.

Gelet op vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De betogen van [appellante 1] en andere en de Vereniging Woonboulevard Heerlen slagen niet.

2.8. [appellante 1] en andere betogen terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op de in beroep aangevoerde grond dat de raad van Brunssum ten onrechte heeft verzuimd het bestemmingsplan, waaraan het college van gedeputeerde staten gedeeltelijk goedkeuring heeft onthouden, te repareren en in plaats daarvan het college vrijstelling voor de sinds 1998 aanwezige illegale bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] heeft verleend. Dit betoog leidt evenwel niet tot het daarmee beoogde doel. Dat de raad van Brunssum niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 30 van de WRO op hem rustende reparatieverplichting na de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2003 in zaak nr. 200204931/1 leidt niet tot vernietiging van het besluit tot verlening van vrijstelling. De WRO bepaalt niet dat geen vrijstelling mag worden verleend, zo lang niet is voldaan aan artikel 30 van de WRO. Niet is gebleken dat [appellante 1] en andere door de verlening van vrijstelling in hun belangen zijn geschaad, zodat van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen sprake is.

2.9. [appellante 1] en andere betogen verder dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de in beroep aangevoerde grond dat het besluit tot verlening van vrijstelling onduidelijkheden bevat wat betreft de maximaal toegestane verkoopvloeroppervlakte en de toegestane detailhandelsactiviteiten. Voorts wijzen [appellante 1] en andere er op dat zij in beroep ook hebben aangevoerd dat het college de aanvulling van de aanvraag om vrijstelling in strijd met artikel 3:14 van de Awb niet ter inzage heeft gelegd en dat de rechtbank hieraan ten onrechte voorbij is gegaan.

2.9.1. Dit betoog, dat eveneens terecht is voorgedragen, leidt evenmin tot het daarmee beoogde doel. Het Hoofdbedrijfschap Detailhandel formuleert verkoopvloeroppervlak bij een detailhandelsvoorziening als de in een winkel voorkomende voor de uitstalling en de verkoop van detailhandelsartikelen bedoelde oppervlakte. Gelet hierop wordt de oppervlakte van het magazijn niet meegenomen in de vaststelling van de verkoopvloeroppervlakte.

Anders dan [appellante 1] en andere betogen, zijn de met vrijstelling mogelijk gemaakte detailhandelsactiviteiten in het besluit tot verlening van vrijstelling voldoende concreet benoemd en kan hierover geen onduidelijkheid bestaan.

Ten slotte bestaat geen grond voor het oordeel dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 3:14 van de Awb. Anders dan waarvan [appellante 1] en andere uitgaan, heeft na de terinzagelegging van het ontwerp-besluit geen wijziging van de aanvraag om vrijstelling plaats gevonden. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft het college aanleiding gezien om aan [appellante 1] een verduidelijking van de voorgenomen detailhandelsactiviteiten te vragen en het ontwerp-besluit gewijzigd vast te stellen door hierin de voorgenomen detailhandelsactiviteiten concreet te beschrijven. Reeds omdat het college de informatie van [appellante 1] na de termijn van terinzagelegging van het ontwerp-besluit heeft ontvangen, kan van schending van artikel 3:14 van de Awb geen sprake zijn. Artikel 3:11 noch enige andere bepaling van afdeling 3.4 van de Awb verplicht het college er overigens toe om een gewijzigd ontwerp-besluit opnieuw ter inzage te leggen, alvorens het een definitief besluit neemt.

2.10. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

414-604.