Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5177

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
201008938/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Cruquius 2009" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 1
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2011-09-18
Milieurecht Totaal 2012/5626
BR 2011/187 met annotatie van H.J. Breeman en R.J.G. Bäcker
M en R 2012/9 met annotatie van Claassen-Dales
JOM 2011/698
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008938/1/R1.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heembeton B.V., gevestigd te Harderwijk, en anderen,

3. [appellant sub 3], wonend te Zandvoort,

4. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Dura Vermeer Vastgoed B.V., gevestigd te Houten, en Dura Vermeer Onroerend Goed B.V., gevestigd te Zoetermeer, (hierna tezamen en in enkelvoud: Dura Vermeer),

5. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], wonend te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]),

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Cruquius 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2010, Heembeton en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2010, Dura Vermeer bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2010, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Heembeton en anderen, [appellant sub 3] en Dura Vermeer hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellanten sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

[belanghebbende] heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2011, waar [appellanten sub 1], Heembeton en anderen, vertegenwoordigd door ing. R.H. van Berkel en F.D. Polman, bijgestaan door mr. W. van Galen, advocaat te Utrecht, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. D. Elmhassani, advocaat te Haarlem, Dura Vermeer, vertegenwoordigd door ing. G.J. van Driel en ing. R. van Lieshout, bijgestaan door mr. D.A. Cleton, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. H.J.M. van Schie, advocaat te Schiphol-Rijk, en de raad, vertegenwoordigd door J. Monster en ing. C.M.M. Blankestijn, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem, en ing. R.A.O. Gijsel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

[appellant sub 5]

2.1. [appellant sub 5] komt op tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Oude Kruisweg 38a te Cruquius. Hij voert aan dat deze bestemming zal leiden tot een belemmering van de bedrijfsvoering van zijn manege aan de [locatie 1].

Voorts komt [appellant sub 5] op tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie-Manege" aan de [locatie 1]. Hij voert aan dat de op de verbeelding opgenomen grens van die bestemming ten onrechte verder van de Kruisweg is gelegd.

2.1.1. Niet in geschil is dat [appellant sub 5] geen zienswijze tegen het ontwerpplan heeft ingediend. [appellant sub 5] stelt dat hem dit niet kan worden verweten, nu hij opkomt tegen gewijzigd vastgestelde onderdelen van het plan. Daartoe wijst hij erop dat op grond van de verbeelding van het ontwerpplan voor het perceel Kruisweg 38a een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 7 meter waren toegestaan, terwijl op grond van de verbeelding van het vastgestelde plan een goothoogte van 6 meter en een bouwhoogte van 9 meter zijn toegestaan. Volgens [appellant sub 5] ontstaat hierdoor een groter geluidgevoelig oppervlak. Verder is volgens [appellant sub 5] in het vastgestelde plan het bestemmingsvlak van de manege verder van de Oude Kruisweg geschoven.

2.1.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.1.3. Anders dan [appellant sub 5] betoogt, blijkt uit de verbeelding van het ontwerpplan en de verbeelding van het vastgestelde plan niet van een wijziging in het bestemmingsvlak van de bestemming "Recreatie-Manege" aan de [locatie 1].

Ten aanzien van de gewijzigd vastgestelde goot- en bouwhoogte van de woning Oude Kruisweg 38a valt gelet op hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd met betrekking tot de geluidsbelasting op de gevel van die woning, niet uit te sluiten dat [appellant sub 5] daardoor in een ongunstiger positie is gekomen dan op grond van het ontwerpplan.

Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 5] slechts ontvankelijk voor zover het de gewijzigd vastgestelde goot- en bouwhoogte van de woning Oude Kruisweg 38a betreft, en voor het overige niet-ontvankelijk.

2.1.4. In het deskundigenbericht is vermeld dat de woning aan de Oude Kruisweg 38a is gelegen op 5 meter afstand van de manege. Voorts is aangegeven dat nu de piekgeluiden van de manege worden veroorzaakt door paardenhoeven op verhardingen, de bepalende geluidsbronnen zich dicht bij de grond bevinden. Volgens het deskundigenrapport is in een dergelijk geval de geluidsbelasting op 7 of 9 meter lager dan die op 5 meter, omdat de afstand tussen de geluidsbron en de ontvangende gevel groter is. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de toename van de toegestane goot- en bouwhoogte van de woning aan de Oude Kruisweg 38a nauwelijks gevolgen zal hebben voor de geluidsbelasting op die woning dan wel de bedrijfsvoering van [appellant sub 5].

2.1.5. Gelet op de conclusie in het deskundigenbericht, acht de Afdeling niet aannemelijk dat [appellant sub 5] door de gewijzigde vaststelling van het plan ernstig in zijn belangen wordt geraakt. Voor zover [appellant sub 5] heeft betoogd dat vanwege de geluidsbelasting een scherm met een hoogte van 1,8 meter aanwezig is waardoor alleen de eerste bouwlaag wordt afgeschermd, ziet de Afdeling daarin geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de geluidsproductie door het stappen van paarden op een afstand van 22 meter plaatsvindt en volgens het deskundigenbericht de geluidsbelasting, nu de geluidsbron zich dicht bij de grond bevindt, hoger op de gevel minder is dan laag op de gevel, vanwege de grotere afstand tot de bron. Gelet hierop wordt [appellant sub 5] niet gevolgd in zijn standpunt dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten naar de gevolgen van de verhoging van de toegestane goot- en bouwhoogte voor de woning Oude Kruisweg 38a. Voor zover [appellant sub 5] stelt dat aan het bedrijf te strenge geluidgrenswaarden zijn opgelegd in de maatwerkvoorschriften, kan dat in deze procedure niet aan de orde komen. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.1.6. Het beroep van [appellant sub 5] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

[appellanten sub 1]

2.2. [appellanten sub 1] komen op tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en "Tuin" voor hun perceel [locatie 2].

2.2.1. [appellanten sub 1] voeren aan dat ten onrechte de bestaande bebouwing op het perceel niet als zodanig is bestemd, omdat deze buiten het toegekende bouwvlak is gelegen. Voorts betogen zij dat de voorgenomen zijdelingse uitbreiding van de woning waarvoor een bouwaanvraag is ingediend niet is opgenomen op de verbeelding. Deze uitbreiding is door [appellanten sub 1] gewenst, omdat de op de eerste verdieping gelegen achterste slaapkamer alleen via de voorste beschikbaar is, en zij deze kamers afzonderlijk bereikbaar willen maken.

2.2.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat een bouwvlak van 12 meter diep voor deze woningen toereikend wordt geacht en dat de daarbuiten gelegen bestaande bebouwing als zodanig is bestemd door artikel 20.3 van de planregels. Voorts heeft de raad gesteld dat na de vaststelling van het plan op de aanvraag om een omgevingsvergunning beslist zal worden. De raad stelt dat hij in dit plan nog geen voorziening heeft opgenomen voor het beoogde bouwplan van [appellanten sub 1], omdat hij dit later wil bezien en geen ongewenste precedenten wil scheppen.

2.2.3. In het bestemmingsplan is aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Wonen" met de aanduiding "twee-aaneen" toegekend.

Ingevolge artikel 20, lid 20.2.1, onder g, van de planregels, dienen gebouwen binnen een bouwvlak te worden gebouwd, met uitzondering van aan- en uitbouwen en bijgebouwen.

Ingevolge artikel 20, lid 20.3, voor zover thans van belang, geldt in afwijking van het voorgaande voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die zijn of kunnen worden gebouwd krachtens een voor het tijdstip van ter visie leggen van het ontwerp van het bestemmingsplan aangevraagde bouwvergunning dat

a. indien en voor zover de bestaande maatvoering, afstanden en/of oppervlaktes van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, de voorgeschreven maxima overschrijden, de bestaande maatvoering als maximum geldt;

b. indien de bestaande situering afwijkt van deze regels, is ook de bestaande situering toegestaan.

2.2.4. De Afdeling stelt vast dat de bestaande bebouwing als zodanig is bestemd door opname van het bouwvlak met een diepte van 12 meter en door middel van artikel 20, lid 20.3 van de planregels.

Wat betreft de door [appellanten sub 1] gewenste uitbreiding moet worden geconcludeerd dat de raad, door deze niet in het plan op te nemen, het verzoek daartoe impliciet en zonder motivering heeft afgewezen. Nu de aanvraag reeds bekend was ten tijde van het vaststellen van het plan, ziet de Afdeling niet in dat daarmee bij de vaststelling van het plan geen rekening kon worden gehouden. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan bij uitstek het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd en is deze kaderstellend voor verdere ruimtelijke besluitvorming. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad door te volstaan met een verwijzing naar de te nemen beslissing ten aanzien van de concrete aanvraag na afloop van de planprocedure, niet toereikend gemotiveerd waarom aan het verzoek van [appellanten sub 1] tot het toestaan van uitbreidingsmogelijkheden op hun perceel bij de vaststelling van het plan geen medewerking kon worden verleend.

2.2.5. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 2], voor zover nader aangeduid op bij deze uitspraak behorende kaart nr. I. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.2.6. Voorts komen [appellanten sub 1] op tegen de aan de percelen aan de Oude Spaarneweg achter de [locatie 2] en [locatie 3] toegekende bestemmingen "Wonen" en "Tuin".

[appellanten sub 1] betogen dat het op die percelen opgenomen bouwvlak te dicht bij hun woning is voorzien. Daartoe voeren zij aan dat realisering van een bouwhoogte van 9 meter bij hun woning een beperking van zonlicht en privacy met zich zal brengen. Verder wordt volgens hen bebouwing op slechts 0,25 meter van hun tuin mogelijk gemaakt, waardoor onderhoudswerkzaamheden aan hun schuur niet meer zullen kunnen worden verricht.

2.2.7. De raad brengt naar voren dat de bouwhoogte van 9 meter gelet op de maat-schaalverhouding van de bebouwing in de directe omgeving aanvaardbaar kan worden geacht. Verder meent de raad dat voldoende ruimte beschikbaar blijft achter de schuur van [appellanten sub 1] voor het onderhoud daarvan. Daarbij stelt de raad dat over het gebruik van de ruimte achter de schuur privaatrechtelijke afspraken met de nieuwe eigenaar kunnen worden gemaakt.

2.2.8. Voor het perceel aan de Oude Spaarneweg is ingevolge het plan bij de bestemming "Wonen" een bouwhoogte van 9 meter toegestaan. Het bouwvlak op dit perceel is voorzien op ongeveer 1 meter van de erfgrens met het perceel van [appellanten sub 1]. Daartussen is de bestemming "Tuin" voorzien. Ingevolge artikel 17, lid 17.2.1, onder a, van de planregels, mogen bij de bestemming "Tuin" aan- en uitbouwen worden geplaatst vòòr de voorste bouwgrens die geldt voor de op de aangrenzende gronden gelegen woning. Op grond van artikel 17, lid 17.2.1, onder d, dient de afstand van de aanbouw tot de zijdelingse bouwperceelsgrens minimaal 0,25 meter te zijn.

2.2.9. Volgens het deskundigenbericht is de kortste afstand tussen de woning van [appellanten sub 1] en het voorziene bouwvlak 11 meter. Voorts is vermeld dat er in de winter enige schaduwhinder in de tuin en het achterste gedeelte van de woning van [appellanten sub 1] zou kunnen optreden als gevolg van het plan.

2.2.10. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorziene bouwvlak met een toegestane bouwhoogte van 9 meter achter de woning van [appellanten sub 1] niet tot een ernstige inbreuk op hun woon- en leefklimaat leidt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat gelet op het deskundigenbericht vermindering van zonlicht als beperkt kan worden aangemerkt. Voorts is daarbij van belang dat gelet op de afstand van 11 meter geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat een ernstige inbreuk op de privacy van [appellanten sub 1] zal ontstaan door realisering van het plan, waarbij mede in aanmerking wordt genomen de tussenliggende bebouwing op hun perceel.

2.2.11. De raad heeft zich voorts gelet op de afstand van 1 meter tussen de perceelsgrens van [appellanten sub 1] en het daarachter voorziene bouwvlak in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende ruimte beschikbaar zal blijven voor het onderhoud van de schuur. Dat bij de bestemming "Tuin" tussen het bouwvlak en de woning van [appellanten sub 1] op grond van het bestemmingsplan aan- en uitbouwen en bouwwerken geen gebouwen zijn toegestaan tot 0,25 meter van de erfgrens maakt dat niet anders. Ingevolge artikel 27, aanhef en onder f, van de planregels, zijn van de uitsluiting van de aanvullende werking van de Bouwverordening op grond van artikel 9, tweede lid, van de Woningwet, uitgezonderd de voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van de ruimte tussen bouwwerken. Bij verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen zal derhalve in zoverre moeten worden voldaan aan de gemeentelijke Bouwverordening. Dat voor het betreden van de gronden afspraken moeten worden gemaakt met de eigenaar van de gronden is niet een gevolg van onderhavig bestemmingsplan, maar van het door [appellanten sub 1] realiseren van een schuur op de perceelsgrens.

2.2.12. In hetgeen [appellanten sub 1] in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Heembeton en anderen

2.3. Het beroep van Heembeton en anderen ziet op de percelen Bennebroekerdijk 218 tot en met 244A, waarop zij een recht van opstal hebben en/of welke percelen zij (doen) exploiteren. Op gronden aan de Bennebroekerdijk 220-228 is een mobiele betoncentrale vergund, met kantoor- en laboratoriumruimte. De overige gronden zijn in gebruik ten behoeve van de stalling alsmede op- en overslag van materiaal in bedrijfsgebouwen en in de open lucht, kantoren, een archiefruimte en laboratoria. Op deze percelen rust in het plan de bestemming "Bedrijventerrein - 4". Verder rust op een strook ten oosten van de Ringvaart de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering". Voorts zijn aan gronden aan de Bennebroekerdijk 220-228 de aanduidingen "geluidzone - gezoneerd industriegebied" en "specifieke vorm van bedrijf - Wet geluidhinder-inrichting (hierna: Wgh-inrichting)" toegekend. Voorts rusten op de aansluitend aan de bestemming "Bedrijventerrein - 4" gelegen gronden de bestemmingen "Water" en "Verkeer", met gedeeltelijk de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overslaginstallatie".

2.4. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, zijn de voor "Bedrijventerrein - 4" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijfsactiviteiten die vallen in ten hoogste categorie 4.2. van de Lijst van Bedrijfstypen behorende bij het bestemmingsplan, [..] met dien verstande dat Wgh-inrichtingen alleen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - Wet geluidhinder-inrichting";

b. kantoren ten dienste van binnen het bestemmingsvlak gevestigde bedrijven ter plaatse van de aanduiding "kantoor";

[..].

Ingevolge artikel 8, lid 8.2.1, aanhef en onder e, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen dat de oppervlakte van bijbehorende administratieve ruimte per bedrijf niet meer dan 30% van de bedrijfsvloeroppervlakte mag zijn; in afwijking hiervan is ter plaatse van de aanduiding "maximum vloeroppervlakte; bruto" ten hoogste de aangegeven bruto vloeroppervlakte toegestaan ten dienste van het bijbehorend binnen het bestemmingsvlak gevestigde bedrijf.

2.5. Heembeton en anderen betogen dat in het plan ten onrechte de vergunde kantoren, archiefhal, loodsen en laboratoriumruimte niet als zodanig zijn bestemd.

2.5.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de kantoren, archiefhal, loodsen en laboratoriumruimte onderdeel uitmaken van de toegestane bedrijven en dat het afzonderlijk vermelden van de bij de bedrijven toegestane activiteiten tot een te rigide regeling zou leiden. Verder geeft de raad aan dat artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder b, in de planregels is opgenomen om apart van de overige bebouwing gerealiseerde kantoorgebouwen afzonderlijk te bestemmen.

2.5.2. Niet in geschil is dat de bedrijven van Heembeton en anderen vallen binnen de op grond van artikel 8, lid 8.1, onder a, van de planregels bij de bestemming "Bedrijventerrein - 4" toegestane categorieën van bedrijven. De door Heembeton en anderen genoemde kantoren, archiefhal, loodsen en laboratoriumruimte kunnen, zoals de raad heeft aangegeven, als inherent aan de aldus toegestane bedrijfsactiviteiten worden aangemerkt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze bij de bedrijfsvoering behorende onderdelen van de bedrijven afzonderlijk had moeten opnemen in de doeleindenomschrijving van artikel 8, lid 8.1. Heembeton en anderen kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat uit artikel 8, lid 8.1, onder b, van de planregels, volgt dat kantoren alleen ter plaatse van de aanduiding "kantoor" zijn toegestaan. Daartoe neemt de Afdeling in aanmerking dat gelet op de redactie van artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a en b, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 8.2.1, aanhef en onder e, volgt dat artikel 8, lid 8.1, onder b, alleen ziet op kantoren die afzonderlijk van de overige bedrijfsbebouwing worden opgericht.

In het deskundigenrapport is evenwel aangegeven dat ook op het terrein van Heembeton en anderen kantoren als zelfstandige gebouwen aanwezig zijn, namelijk op het perceel Bennebroekerdijk 218 en op het perceel Bennebroekerdijk 244. Uit de systematiek van artikel 8, lid 8.1, van de planregels, volgt dat dergelijke kantoren alleen zijn toegestaan bij de aanduiding "kantoor". Nu de raad de kantoren van Heembeton en anderen als zodanig heeft willen bestemmen en de aanduiding "kantoor" niet voor deze gebouwen op de verbeelding is opgenomen, acht de Afdeling het bestreden besluit in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden daarvan te betrachten zorgvuldigheid.

2.6. Voorts betogen Heembeton en anderen dat ter hoogte van de ten behoeve van de bedrijvigheid ter plaatse van de bestemming "Water" aanwezige overslaginstallatie slechts een strook van 7 meter met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overslaginstallatie" is voorzien. Volgens hen steekt de portaalkraan ongeveer 11,5 meter boven het water uit, zodat de op de verbeelding opgenomen strook van 7 meter niet toereikend is.

2.6.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat is beoogd de gehele portaalkraan als zodanig te bestemmen.

2.6.2. Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor overslag van grondstoffen en/of materiaal ter plaatse van de specifieke aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overslaginstallatie".

Ingevolge artikel 19, lid 19.2.2, mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer zijn dan 3 meter, met dien verstande dat voor zover de gronden nader zijn aangeduid als "specifieke vorm van bedrijf - overslaginstallatie" de hoogte maximaal 23 meter mag zijn.

2.6.3. Niet in geschil is dat de strook met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overslaginstallatie" op de verbeelding een breedte van 7 meter bedraagt, terwijl de portaalkraan 11,5 meter over het water reikt. Reeds omdat door de raad is erkend dat is beoogd de bestaande situatie als zodanig te bestemmen, verdraagt het plan zich in zoverre niet met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.7. Heembeton en anderen betogen verder dat de onderlinge rangorde van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" en de bestemmingen "Bedrijventerrein - 4", "Verkeer" en "Water" onvoldoende duidelijk is. Voorts maken volgens hen de artikelen 25, lid 25.2 en lid 25.4, van de planregels inbreuk op bestaande rechten en zijn deze in strijd met artikel 39 van de planregels.

2.7.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de dubbelbestemming is gelegd overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen en dat uit artikel 25 van de planregels blijkt dat dubbelbestemming voorgaat. In een voorkomend geval zouden de overgangsbepalingen van artikel 39 van de planregels van toepassing zijn, aldus de raad.

2.7.2. Ingevolge artikel 25, lid 25.1, van de planregels, zijn de als "Waterstaat-Waterkering" aangegeven gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor waterkering en waterbeheersing.

Ingevolge artikel 25, lid 25.2, onder b, mag niet worden gebouwd ten behoeve van de voor deze gronden andere aangewezen bestemmingen (lees: indien) als gevolg daarvan de waterkerende functie van de gronden wordt verminderd of teniet wordt gedaan.

Ingevolge artikel 25, lid 25.4, mag er geen gebruik worden gemaakt van opstallen en/of gronden ten behoeve van de voor deze gronden andere aangewezen bestemmingen indien als gevolg daarvan de waterkerende functie van de gronden wordt verminderd of teniet gedaan.

2.7.3. De Afdeling is van oordeel dat gelet op artikel 25, lid 25.2 en lid 25.4, geen onduidelijkheid bestaat over de voorrang tussen de op het perceel rustende bestemmingen "Bedrijventerrein - 4", "Water" en "Verkeer" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering", nu daarin is aangegeven dat er niet mag worden gebouwd dan wel gebruik worden gemaakt van de opstallen en/of gronden indien als gevolg daarvan de waterkerende functie van de gronden wordt verminderd of teniet gedaan. Indien sprake is van een vermindering of teniet doen van de waterkerende functie prevaleert aldus de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering". Niet is gebleken dat het huidige gebruik van de gronden en opstallen en de vergunde bouwmogelijkheden in strijd met deze bestemming komen. Voorts bieden artikel 25, lid 25.3 en lid 25.4 (lees 25.5), van de planregels de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 25, lid 25.2 en lid 25.4, mits door de waterbeheerder schriftelijk is verklaard dat daartegen uit oogpunt van waterbeheersing en onderhoud geen bezwaar bestaat. Voor zover Heembeton en anderen zouden kunnen worden belemmerd in hun uitbreidingsmogelijkheden door het toekennen van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat de raad hieraan in redelijkheid een zwaarder gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die door deze bestemming worden beschermd.

2.8. Heembeton en anderen betogen voorts dat ten onrechte op een te beperkt deel van hun gronden Wgh-inrichtingen zijn toegelaten.

2.8.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperking van de gebruiksmogelijkheden van de gronden van Heembeton en anderen is ingegeven door de transformatie van het bedrijventerrein in de afgelopen jaren, waarbij op gronden waar eerder bedrijven waren gevestigd, thans winkels en woningen zijn gerealiseerd.

2.8.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat op grond van het vorige bestemmingsplan en het zonebesluit uit 1990 op alle gronden die Heembeton en anderen in gebruik hebben en de overige delen van het bedrijventerrein Wgh-inrichtingen konden worden gevestigd, zodat in zoverre sprake is van een beperking van de gebruiksmogelijkheden van de gronden.

2.8.3. Ingevolge artikel 1 van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh), wordt onder industrieterrein verstaan: terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken.

Ingevolge deze bepaling wordt onder inrichting verstaan: inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, wordt in deze wet onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

2.8.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij afweging van de belangen in redelijkheid aan de gronden van Heembeton en anderen met de bestemming "Bedrijventerrein - 4", anders dan ten behoeve van de betonmortelcentrale, kunnen besluiten geen bestemming toe te kennen die het mogelijk maakt Wgh-inrichtingen te vestigen. Daarbij heeft de raad in redelijkheid een groter belang kunnen toekennen aan de transformatie van het bedrijventerrein naar een toename van winkels en woningen dan aan eventuele uitbreidingen van Heembeton en anderen ten aanzien van activiteiten die een belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, waartoe thans niet is gebleken van concrete plannen.

Volgens de layout van de inrichting zoals deze bij de stukken is opgenomen, zijn echter meerdere onderdelen daarvan, waaronder de loswal, buiten de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - Wgh-inrichting" gelegen. Door de raad is niet betwist dat niet alle gronden waarop de geluidproducerende onderdelen van de inrichting zijn voorzien als zodanig zijn bestemd. Deze onderdelen moeten echter worden aangemerkt als een onlosmakelijk onderdeel van een inrichting die in belangrijke mate geluidhinder kan veroorzaken, als bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Voor zover de raad stelt dat het niet noodzakelijk is om alle geluidproducerende delen van de inrichting als Wgh-inrichting te bestemmen, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op de definitie van een industrieterrein zoals in artikel 1 van de Wgh is opgenomen en de definitie van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dat de Wgh door de Crisis- en herstelwet zodanig is gewijzigd dat de raad meer vrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzing van een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wgh, maakt, anders dan de raad stelt, niet dat daardoor geluidproducerende delen van de Wgh-inrichting buiten de begrenzing van het industrieterrein kunnen worden gelaten. De Afdeling acht het besluit in zoverre dan ook in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.9. Heembeton en anderen betogen verder dat de in artikel 28, lid 28.3, en artikel 29, lid 29.3, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheden onvoldoende objectief begrensd zijn en zullen leiden tot het wegbestemmen van hun bedrijven.

2.9.1. De raad heeft aangegeven dat deze wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen voor het geval de betrokken bedrijven deze gronden hebben verlaten.

2.9.2. Ingevolge artikel 28, lid 28.3, en artikel 29, lid 29.3, van de planregels, is het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer met toepassing van artikel 3.6 van de 'Wro' bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen in die zin dat de begrenzing van de aanduiding "geluidzone - gezoneerd industrieterrein" respectievelijk de aanduiding "geluidzone industrie" wordt gewijzigd of dat deze aanduiding wordt verwijderd.

2.9.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

2.9.4. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

2.9.5. In de artikelen 28, lid 28.3, en 29, lid 29.3, van de planregels zijn geen voorwaarden opgenomen waaraan de uitoefening van de wijzigingsbevoegdheden dient te voldoen. Dat, naar de raad stelt, is beoogd aan deze bepalingen alleen toepassing te geven in het geval de thans gevestigde bedrijven deze gronden hebben verlaten, volgt niet uit deze bepalingen. De Afdeling is van oordeel dat artikel 28, lid 28.3, en artikel 29, lid 29.3, van de planregels, niet door voldoende objectieve normen zijn begrensd.

2.10. Voor zover Heembeton en anderen in het beroepschrift verder hebben verwezen naar de inhoud van de zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Heembeton en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit in zoverre onjuist zou zijn.

2.11. Het beroep ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Wonen" en "Tuin" aan de Bennebroekerdijk 205 en 206 hebben Heembeton en anderen ter zitting ingetrokken.

2.12. In hetgeen Heembeton en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor wat betreft het plandeel voor de gronden van Heembeton en anderen aan de Bennebroekerdijk 218 tot en met 244A met de bestemming "Bedrijventerrein - 4", alsmede voor wat betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" en met de bestemming "Water" ter hoogte van de gronden waarop de portaalkraan aanwezig is, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart nr. II. Voorts ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, wat betreft artikel 28, lid 28.3, en artikel 29, lid 29.3, van de planregels. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro te worden vernietigd.

2.13. In hetgeen Heembeton en anderen overigens hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond.

[appellant sub 3]

2.14. [appellant sub 3] komt op tegen de in het plan aan zijn perceel aan de [locatie 3 toegekende bestemming "Bedrijf - 3".

2.15. [appellant sub 3] betoogt dat aan zijn perceel een bestemming ten behoeve van volumineuze detailhandel had moeten worden toegekend, net zoals aan andere percelen aan de Woonboulevard Cruquius. [appellant sub 3] brengt daarbij naar voren dat het pand sinds de verhuizing van de drukkerij leegstaat en dat door diverse partijen belangstelling is getoond om op deze plaats volumineuze detailhandel te vestigen. [appellant sub 3] brengt daarbij naar voren dat het standpunt van de raad dat toename van het detailhandelsareaal in het gebied vanwege de verkeerssituatie niet mogelijk is, in strijd is met de Integrale nota detailhandel 2009 - Haarlemmermeer (hierna: de detailhandelsnota), waarin is opgenomen dat in beginsel volumineuze detailhandel op Cruquius wordt toegestaan. Voorts brengt [appellant sub 3] naar voren dat zijn verzoek niet vergelijkbaar is met andere verzoekers die een bestemming ten behoeve van volumineuze detailhandel willen, omdat zijn perceel deel uitmaakt van de woonboulevard. Voorts is volgens [appellant sub 3] ten onrechte geen onderzoek gedaan naar mogelijke verkeerstoename door toekenning van een bestemming ten behoeve van volumineuze detailhandel aan zijn perceel. Daarbij wijst [appellant sub 3] op de vroegere verkeersstroom ten gevolge van de drukkerij. Verder voert hij aan dat de raad uitgaat van een onbeperkt verzorgingsgebied en een onbeperkt aantal extra bezoekers, maar dat gelet op het huidige aanbod is te verwachten dat de bezoekersstroom zich inmiddels heeft gestabiliseerd. Het verzoek ziet op een uitbreiding van het detailhandelsareaal met 1000 m², hetgeen op het bestaande areaal slechts een percentage van 1,4 is. [appellant sub 3] wijst er voorts op dat in het gebied andere detailhandelsvestigingen worden gedoogd, hetgeen volgens hem niet te rijmen is met de detailhandelsstop op de woonboulevard zoals aan hem wordt tegengeworpen. Ten slotte wijst [appellant sub 3] erop dat hij beschikt over 25 parkeerplaatsen op eigen grond, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de parkeernorm zoals gesteld in de detailhandelsnota.

2.15.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de maximale invulling van het volumineuze detailhandelsgebied op deze locatie is bereikt. Daarbij brengt de raad naar voren dat de verkeerssituatie op de Spaarneweg en de verlengde Spaarneweg op vrijdagen, zaterdagen en koopzondagen een toename van het detailhandelsareaal niet toelaat. Ook betoogt de raad dat niet in voldoende parkeerruimte kan worden voorzien. Voorts stelt de raad dat [appellant sub 3] niet heeft aangetoond dat er voldoende marktruimte is voor een detailhandelsvestiging zoals door hem gewenst op zijn perceel. Ten slotte geeft de raad aan dat meerdere verzoeken zijn gedaan om uitbreiding van het detailhandelsareaal met in totaal 20.000 m², zodat hij vreest voor precedentwerking bij toewijzing van het verzoek van [appellant sub 3].

2.15.2. Op grond van artikel 6 van de planregels is op gronden met deze bestemming alleen ondersteunende detailhandel toegestaan.

In het pand was een drukkerij gevestigd die in 2010 naar het bedrijventerrein Cruquius-Zuid is verhuisd. Het perceel heeft een omvang van ongeveer 1000 m². Op het perceel staat een bedrijfsgebouw met een grondvloeroppervlak van ongeveer 480 m² in twee bouwlagen, zodat het totale brutovloeroppervlak ongeveer 960 m² bedraagt. In het voorgaande plan had het gehele gebied rondom het perceel van [appellant sub 3] de bestemming "Handel en nijverheid I", waarna het gebied is ontwikkeld naar een woonboulevard, waarbij het huidige detailhandelsareaal ongeveer 70.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte beslaat.

2.15.3. In het deskundigenbericht is vermeld dat het perceel van [appellant sub 3] in visueel opzicht deel uitmaakt van de woonboulevard. Voorts is daarin vermeld dat de zelfstandige verkeersaantrekkende werking van een meubelwinkel met een brutovloeroppervlak van nog geen 1000 m² in het niet zal vallen bij de verkeersaantrekkende werking van een woonboulevard met ruim 70.000 m² verkoopvloeroppervlak. Daarbij wordt aangegeven dat een bedrijf met ondergeschikte detailhandel, zoals toegestaan op grond van de planregels, mogelijk zelfs een grotere verkeersaantrekkende werking zou kunnen hebben. Verder volgt uit het deskundigenrapport dat gelet op de op het perceel beschikbare ruimte voor 25 parkeerplaatsen in beginsel zou kunnen worden voldaan aan de in de detailhandelsnota opgenomen parkeernorm van 1 parkeerplaats per 50 m² bedrijfsvloeroppervlak.

2.15.4. In de detailhandelsnota is opgenomen dat de ontwikkeling van perifere en grootschalige detailhandelsvestigingen niet mag leiden tot verzwakking van de winkelstructuur en idealiter wordt geïntegreerd in de bestaande centra. Indien aantoonbaar marktruimte bestaat en vestiging binnen bestaande centra niet mogelijk is (door de bedrijfsomvang, beperkte autobereikbaarheid en bevoorradingsmogelijkheden) wordt nieuwvestiging toegestaan op bedrijventerrein Cruquius, de alternatieve winkelconcentratie voor perifere en grootschalige detailhandelsvestigingen. Verder is opgenomen dat de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van parkeergelegenheid bij woonboulevard Cruquius op piekmomenten (enkele uren op zaterdag en koopzondagen en feestdagen) als probleem worden ervaren.

2.15.5. Gelet op hetgeen [appellant sub 3] naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad niet toereikend heeft gemotiveerd dat aan diens perceel niet een bestemming ten behoeve van volumineuze detailhandel, zoals door [appellant sub 3] gewenst, wordt toegekend. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat gelet op de verkeersbewegingen die een bedrijf ter plaatse kan genereren en die de bestaande volumineuze detailhandel in de directe omgeving met zich brengt, door de raad onvoldoende is gemotiveerd waarom het toekennen van een bestemming ten behoeve van volumineuze detailhandel uit een oogpunt van verkeersafwikkeling niet aanvaardbaar kan worden geacht. Daarbij wordt betrokken dat de bereikbaarheid van de meubelboulevard mede wordt beïnvloed door bezoekers die op zoek zijn naar een parkeerplaats, en uit het deskundigenrapport volgt dat gelet op de op het perceel beschikbare ruimte voldoende parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Voorts is van belang dat het perceel van [appellant sub 3] is gelegen aan de kop van de woonboulevard en daar visueel deel van uitmaakt, en dit het enige direct aan de Spaarneweg gelegen perceel aan de zijde van de meubelboulevard is waarop volumineuze detailhandel niet is toegestaan. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt door de raad dat hij vanwege vrees voor precedentwerking een bestemming ten behoeve van volumineuze detailhandel aan het perceel van [appellant sub 3] diende te onthouden. Voor zover de raad heeft gesteld dat het aan [appellant sub 3] is om aan te tonen dat er marktruimte bestaat voor het realiseren van volumineuze detailhandel op zijn perceel, oordeelt de Afdeling dat concurrentieverhoudingen geen ruimtelijk relevant aspect zijn en dat niet is gebleken dat de door [appellant sub 3] gewenste bestemming zou leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau ter plaatse.

2.15.6. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Dura Vermeer

2.16. Dura Vermeer is gevestigd aan de Spaarneweg, waar aanwezig zijn Dura Vermeer Autobeheer, een materieeldienst van Dura Vermeer Infrastructuur, een timmerfabriek van Dura Vermeer Bouw Haarlemmermeer met een daarbij behorende kantoorruimte, en een betonmortelcentrale van Holcim. Deze gronden zijn bestemd als "Bedrijventerrein - 4". Voorts rusten daarop, voor zover hier van belang, de aanduidingen "geluidzone - gezoneerd industriegebied" en "specifieke vorm van bedrijf - Wgh-inrichting", behoudens op gronden in het noordelijke deel van het terrein langs de Spaarneweg. Voorts is een strook van ongeveer 85 meter breed aan de oostelijke zijde van het bedrijfsterrein bestemd als "Wro-zone - wijzigingsgebied 1".

2.17. Dura Vermeer voert aan dat ten onrechte op het oostelijk deel van haar gronden alleen een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van detailhandel in vervoer- en transportmiddelen en aanverwante producten en bedrijfsactiviteiten is opgenomen en dat voor het westelijke deel van haar gronden geen wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van perifere en/of volumineuze detailhandel is opgenomen. Dura Vermeer wil een ruimere detailhandelsbestemming om flexibele ontwikkelingsmogelijkheden op het terrein te hebben. Daarbij wijst zij erop dat in de detailhandelsnota het bedrijventerrein Cruquius is aangewezen als concentratiegebied voor perifere en/of volumineuze detailhandel en dat dit ook past binnen de detailhandels- en leisurevisie van de provincie Noord-Holland van 9 februari 2009. Dura Vermeer stelt dat voor zover de raad meer perifere en/of volumineuze detailhandel op het terrein niet aanvaardbaar acht vanwege de verkeerssituatie ter plaatse, hiertoe voorwaarden aan de wijzigingsbevoegdheid kunnen worden verbonden.

2.17.1. Ingevolge artikel 33, lid 33.1, van de planregels, voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders onder toepassing van artikel 3.6 van de Wro ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 1" de bestemming wijzigen in de bestemming "Gemengd - 2", waarbij de gronden onder meer bestemd zijn voor detailhandel in vervoers- en transportmiddelen ((motor)voertuigen, waaronder boten, en kampeermiddelen).

2.17.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat aan Dura Vermeer door middel van de voorziene wijzigingsbevoegdheid reeds een groot oppervlak aan detailhandelsmogelijkheden is geboden en dat het toestaan van een groter oppervlak mede uit het oogpunt van verkeersbelasting niet haalbaar is. Voorts heeft de raad gesteld dat voorwaarden ten aanzien van de verkeersafwikkeling zouden zien op toekomstige ontwikkelingen die onvoldoende concreet zijn.

2.17.3. De Afdeling ziet in hetgeen Dura Vermeer heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad aan haar gronden ruimere wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van perifere en/of volumineuze detailhandel had moeten toekennen. De stelling van Dura Vermeer dat Cruquius is aangewezen als perifere en/of volumineuze detailhandelslocatie is juist, doch op het perceel van Dura Vermeer is reeds een wijzigingsbevoegdheid voorzien voor meer dan 12.000 m² waarmee een aanzienlijke toename van perifere detailhandel mogelijk wordt gemaakt. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat de infrastructuur op de Spaarneweg en de verlengde Spaarneweg op vrijdagen, zaterdagen en koopzondagen reeds zwaar belast is. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bestemming ten behoeve van perifere en/of volumineuze detailhandel zoals en in de mate door Dura Vermeer gewenst een grotere verkeersaantrekkende werking heeft in met name de reeds zwaar belaste periode, zodat een verdere toename van perifere en/of volumineuze detailhandel niet verantwoord wordt geacht. Gelet op de structuur van het bedrijventerrein en de daarbij behorende ontsluitingen, is niet aannemelijk geworden dat binnen de planperiode een aanzienlijke verkeerstoename door het toestaan van verdergaande perifere en/of volumineuze detailhandel in de door Dura Vermeer gewenste omvang op een verantwoorde wijze zou kunnen worden afgewikkeld. Het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid met nadere eisen aan de afwikkeling van verkeer heeft de raad dan ook niet als realiseerbaar binnen de planperiode kunnen aanmerken.

2.18. Voorts betoogt Dura Vermeer dat een groter bouwvlak had moeten worden toegekend richting de Spaarneweg, omdat nu een stuk grond overblijft dat naast de bestaande bebouwing in wezen niet benut kan worden.

2.18.1. De raad heeft naar voren gebracht dat de grens van het bouwvlak langs de Spaarneweg is afgestemd op de situatie die is ontstaan na de bouw van het hoofdkantoor van Dura Vermeer en de huidige ligging van de Spaarneweg. Voorts is vanwege de cultuurhistorische waarde van het terrein van Fort Cruquius een afstand van 30 meter tot het bouwvlak aangehouden. Verder heeft de raad erop gewezen dat deze strook in het vorige plan ook buiten het bouwvlak lag.

2.18.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre een groter bouwvlak aan het perceel van Dura Vermeer had moeten toekennen. Daartoe neemt zij in aanmerking dat hoewel het overgebleven deel van het bouwvlak slechts beperkte mogelijkheden biedt, niet is gebleken dat zij daardoor ernstig in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd. Voorts is niet gebleken dat thans concrete plannen bestaan voor het realiseren van bebouwing op deze plaats. Ook wordt van belang geacht dat aan het perceel reeds een bouwvlak met een aanzienlijke omvang is toegekend.

2.19. Dura Vermeer betoogt voorts dat de omvang van het gezoneerde industriegebied in het plan ten onrechte is verkleind en gelijk dient te worden gelaten aan die in het voorgaande plan. Volgens Dura Vermeer vallen haar gronden in het noordelijke van het terrein langs de Spaarneweg nu ten onrechte buiten het gezoneerde industrieterrein, zodat daar geen Wgh-inrichtingen zijn toegelaten. Daarbij betoogt Dura Vermeer dat ten onrechte niet alle gronden die tot de inrichting behoren als gezoneerd industrieterrein zijn aangemerkt. Dura Vermeer betoogt verder dat volgens haar gelet op het vorenstaande in de geluidsrapporten van M+P raadgevend adviseurs "Akoestisch onderzoek Woningbouwplan Spaarneweg 10 te Cruquius" van 27 maart 2009 en het "Akoestisch onderzoek nieuwbouwlocaties en bestaande woningen te Cruquius" van 15 december 2009 van een onjuist uitgangspunt bij de berekening van de geluidsbelasting op de buiten het gezoneerde industrieterrein gelegen geluidgevoelige objecten is uitgegaan. Volgens haar had voor meerdere objecten een besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden moeten worden vastgesteld. Dura Vermeer wijst er daarbij op dat opvallend is dat alleen bij de woning Coby Riemersmalaan 23 in Heemstede volgens de rapporten de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en niet bij de nabijgelegen woningen. Verder wijst zij erop dat de geluidsbelasting op het nabijgelegen woonwagencentrum niet juist is berekend, nu uit een door M+P voor haar bedrijf opgesteld geluidrapport van 29 januari 2008 in het kader van de vergunningverlening voor de betonmortelcentrale tot een hogere belasting werd gekomen.

2.19.1. De raad heeft naar voren gebracht dat de woning Coby Riemersmalaan 23 dichter bij het gezoneerde industrieterrein ligt dan de andere woningen waarvoor geen hogere grenswaarden zijn vastgesteld. Verder heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat nu het industrieterrein is verkleind tot die gronden waarop zich Wgh-inrichtingen bevinden, de geluidsbelasting bij de omliggende woningen waarvoor geen hogere grenswaarden zijn vastgesteld onder de voorkeursgrenswaarde blijft. Voorts heeft de raad onder verwijzing naar de nadere reactie van M+P van 1 maart 2010 aangegeven dat bepalend voor de geluidsbelasting die in het door Dura Vermeer genoemde rapport van 29 januari 2008 is opgenomen, de kraan op de loswal is, doch dat deze loswal buiten de grenzen van het industrieterrein is gelegen en dus niet mag worden meegenomen in de geluidsberekening.

2.19.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat op de strook grond aan de noordzijde van het terrein van Dura Vermeer langs de Spaarneweg bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die in verband staan met de betonmortelcentrale, bestaande uit storttrechters die door middel van een transportband (via een onderdoorgang in de Bennebroekerdijk) in verbinding staan met een loswal aan de Ringvaart. In het deskundigenbericht wordt vastgesteld dat uit figuur 2b van de brief van M+P van 1 maart 2010 volgt dat in het akoestisch onderzoek alleen de geluidbronnen binnen de begrenzing van het gezoneerde industrieterrein zijn betrokken en niet is gerekend met de geluidbronnen op het vergunde terreingedeelte richting de Ringvaart. Volgens het deskundigenbericht zijn deze activiteiten onlosmakelijk verbonden met de inrichting.

2.20. Uit de stukken blijkt en ter zitting is bevestigd dat de bedrijfsactiviteiten op het noordelijk deel van het terrein aan de Spaarneweg, bestaande uit storttrechters die door middel van een transportband in verbinding staan met de loswal aan de Ringvaart, behoren bij de betonmortelcentrale. Dit deel van de inrichting moet dan ook worden aangemerkt als een onlosmakelijk onderdeel van een inrichting die in belangrijke mate geluidhinder kan veroorzaken als bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Op deze gronden rust ingevolge het plan evenwel niet de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - Wgh-inrichting". Aldus is niet de gehele inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Wgh, als zodanig bestemd. Voor zover de raad stelt dat het niet noodzakelijk is om alle geluidproducerende delen van de inrichting als Wgh-inrichting te bestemmen, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op de definitie van een industrieterrein zoals in artikel 1 van de Wgh is opgenomen en de definitie van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dat de Wgh door de Crisis- en herstelwet zodanig is gewijzigd dat de raad meer vrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzing van een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wgh, maakt, anders dan de raad stelt, niet dat daardoor geluidproducerende delen van de Wgh-inrichting buiten de begrenzing van het industrieterrein kunnen worden gelaten. De Afdeling acht het besluit in zoverre dan ook in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.20.1. Bij de vaststelling van de geluidsbelasting op geluidgevoelige objecten ten gevolge van het bestemmingsplan is de raad uitgegaan van het gezoneerde industrieterrein zoals aangegeven op de verbeelding. Mede gelet op het vorenstaande zijn daarbij evenwel niet alle geluidproducerende bij de inrichting behorende onderdelen betrokken. Niet in geschil is dat deze onderdelen en de daarbij behorende geluidsproductie, indien deze bij de vaststelling van de geluidsbelasting ten gevolge van het plan worden betrokken, tot een hogere totale belasting op geluidgevoelige objecten kunnen leiden.

2.20.2. In het geluidrapport van M+P van 15 december 2009, dat in opdracht van de gemeente Haarlemmermeer is opgesteld, is tevens voor bepaalde geluidgevoelige objecten de geluidsbelasting ten gevolge van het gehele bedrijventerrein, inclusief de niet als zodanig in onderhavig plan bestemde onderdelen en de daarbij behorende geluidsproductie, berekend. In paragraaf 6.2 van dit rapport is vermeld dat in de berekening van de geluidsbelasting van het gehele bedrijventerrein voor 16 woningen en een woonwagenstandplaats in Heemstede hogere geluidgrenswaarden moeten worden vastgesteld. Deze woningen, aan de Coby Riemersmalaan en het Vrouwenpad en de woonwagenstandplaats zijn gelegen buiten onderhavig bestemmingsplangebied. Bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan dient de raad inzichtelijk te maken wat de totale belasting ten gevolge van de inrichting is, inclusief de niet als zodanig in onderhavig plan bestemde onderdelen en de daarbij behorende geluidsproductie, waarbij indien nodig hogere grenswaarden voor de buiten het plangebied gelegen geluidgevoelige objecten moeten worden vastgesteld.

2.20.3. Wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Spaarneweg 10 blijkt uit het rapport van M+P van 27 maart 2009 dat wat betreft de geluidsbelasting ten gevolge van het industrieterrein Cruquius is gerekend met de geluidproductie van het gehele bedrijventerrein en niet met alleen de in onderhavig bestemmingsplan als industrieterrein bestemde delen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat vanwege de geluidsproductie van de inrichting van Dura Vermeer bij dat plandeel niet zal kunnen worden voldaan aan de vastgestelde geluidgrenswaarden.

2.20.4. Ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Wonen" aan het Laantje van Peetoom is niet inzichtelijk gemaakt dat bij het als zodanig bestemmen van de inrichting van Dura Vermeer en met inachtneming van de geluidsproductie van de inrichting, bij dit plandeel aan de geldende grenswaarden kan worden voldaan. Gelet hierop acht de Afdeling het besluit in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.20.5. Op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein - 4" aan de Bennebroekerdijk 210, 211, 215, 216, 222, 242 en 243 zijn zeven woningen met de aanduiding "bedrijfswoning" voorzien. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt wat de geluidsbelasting ten gevolge van de totale geluidproductie van de Wgh-inrichtingen op de zeven woningen zal zijn. Nu thans niet inzichtelijk is gemaakt dat bij het als zodanig bestemmen van de inrichting van Dura Vermeer en met inachtneming van de geluidsproductie van de inrichting, aan de geldende grenswaarden zal kunnen worden voldaan, acht de Afdeling dit plandeel in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.20.6. In hetgeen Dura Vermeer heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - 4" en "Verkeer" aan de Spaarneweg en de Ringvaart in het noordelijke deel van de gronden van Dura Vermeer, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart nr. III, is vastgesteld in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Voorts ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" aan het Laantje van Peetoom zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart IV en het plandeel ten aanzien van de zeven woningen met de aanduiding "bedrijfswoning" op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein - 4" aan de Bennebroekerdijk 210, 211, 215, 216, 222, 242 en 243 is vastgesteld in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.20.7. Het beroep van Dura Vermeer is voor het overige ongegrond.

Opdracht

2.21. In het belang van partijen zal de Afdeling een termijn stellen waarbinnen de raad met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit tot vaststelling van de vernietigde plandelen dient te nemen.

Proceskosten

2.22. Wat betreft Heembeton en anderen, [appellant sub 3] en Dura Vermeer dient de raad op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft [appellanten sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 5] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] niet-ontvankelijk behoudens ten aanzien van de goot- en bouwhoogte van de woning Oude Kruisweg 38a;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 1], het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heembeton B.V. en anderen en het beroep van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Dura Vermeer Vastgoed B.V. en Dura Vermeer Onroerend Goed B.V. gedeeltelijk en het beroep van [appellant sub 3] geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlemmermeer van 8 juli 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Cruquius 2009" voor zover dit betreft:

a) het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 2], voor zover nader aangeduid op bij deze uitspraak behorende kaart nr. I;

b) het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - 4" voor de gronden van de gronden van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heembeton B.V. en anderen aan de Bennebroekerdijk 218 tot en met 244A;

c) het plandeel met de bestemming "Water" en "Verkeer" ter hoogte van de gronden van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heembeton B.V. en anderen aan de Bennebroekerdijk 218 tot en met 244A, zoals aangeven op de bij deze uitspraak behorende kaart II;

d) de artikelen 28, lid 28.3, en 29, lid 29.3, van de planregels;

e) het plandeel met de bestemming "Bedrijf - 3" aan de [locatie 4];

f) het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - 4" en "Verkeer" aan Spaarneweg en de Ringvaart in het noordelijke deel van de gronden van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Dura Vermeer Vastgoed B.V. en Dura Vermeer Onroerend Goed B.V., zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart nr. III;

g) het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - 4" en de functieaanduiding "bedrijfswoning" voor de aan de Bennebroekerdijk 210, 211, 215, 216, 222, 242 en 243 gelegen bedrijfswoningen;

h) het plandeel met de bestemming "Wonen" aan het Laantje van Peetoom, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart IV;

IV. draagt de raad van de gemeente Haarlemmermeer op om binnen 12 maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen de plandelen zoals genoemd onder III opnieuw vast te stellen;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] voor zover ontvankelijk ongegrond;

verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heembeton B.V. en anderen en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Dura Vermeer Vastgoed B.V. en Dura Vermeer Onroerend Goed B.V. voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Haarlemmermeer tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heembeton B.V. en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de raad van de gemeente Haarlemmermeer tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Haarlemmermeer tot vergoeding van bij de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Dura Vermeer Vastgoed B.V. en Dura Vermeer Onroerend Goed B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Haarlemmermeer aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heembeton B.V. en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3] en € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Dura Vermeer Vastgoed B.V. en Dura Vermeer Onroerend Goed B.V., met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

444.

<HR>

Kaart I

<HR>

Kaart II

<HR>

Kaart III

<HR>

Kaart IV