Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5175

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
201102183/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2008 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om hem een subsidie van € 25.000,00 te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102183/1/H2.

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 januari 2011 in zaak nr. 10/2014 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2008 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om hem een subsidie van € 25.000,00 te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, werkzaam bij de gemeente Nijmegen, en [wederpartij], bijgestaan door mr. L.M. Schelstraete, advocaat te Tilburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In het verweerschrift betoogt [wederpartij] dat het college de gronden van het hoger beroep niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend en dat het hoger beroep derhalve niet-ontvankelijk is.

2.1.1. Het college heeft in het hogerberoepschrift van 14 februari 2011 de gronden van het hoger beroep niet vermeld. Bij aangetekend verzonden brief van 17 februari 2011 is het gewezen op dit verzuim en tot en met 17 maart 2011 in de gelegenheid gesteld het te herstellen. Hierbij is vermeld dat, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het college heeft de gronden van het hoger beroep bij faxbericht van 16 maart 2011, derhalve binnen de gestelde termijn, ingediend.

Het betoog faalt.

2.2. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college de Investeringsregeling Ringstraten 2008 (hierna: de Investeringsregeling) vastgesteld.

Volgens artikel 1, aanhef en onder d, van de Investeringsregeling wordt onder midden- en kleinbedrijf verstaan: een bedrijf, niet zijnde een vereniging of stichting, waarbinnen minder dan 50 personen werkzaam zijn.

Volgens artikel 4 komen slechts degenen die eigenaar zijn van een pand in de ringstraten, er een onderneming voeren of diensten verlenen, voor subsidie in aanmerking. In het geval door subsidieaanvrager een bedrijf wordt gevoerd, moet dit voldoen aan de volgende criteria:

a. het bedrijf maakt geen deel uit van een (landelijke) keten met meer dan 50 werknemers;

b. het bedrijf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

c. Het bedrijf is gevestigd in de ringstraten of kan aantonen binnen drie maanden na subsidieverlening in één van de ringstraten te zijn gevestigd.

2.3. [wederpartij] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Simon Lévelt B.V. (hierna: Simon Lévelt) hebben op 1 januari 2008 een franchiseovereenkomst gesloten, waarbij Simon Lévelt aan Roestenburg voor vijf jaar het recht van franchise heeft verleend voor de exploitatie van een franchisebedrijf binnen het concept van Simon Lévelt in een pand aan de Lange Hezelstraat 47 te Nijmegen.

2.4. Aan het besluit van 27 april 2010 heeft het college ten grondslag gelegd dat het eenmansbedrijf van [wederpartij] deel uitmaakt van de landelijke groep of keten van Simon Lévelt, waarbij meer dan 50 werknemers werkzaam zijn, zodat hij op grond van artikel 4, aanhef en onder a, van de Investeringsregeling niet voor subsidie in aanmerking komt.

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat franchisenemers of werknemers van franchisenemers geen werknemers in de zin van artikel 4, aanhef en onder a, van de Investeringsregeling zijn. Daartoe voert het college met verwijzing naar artikel 1, aanhef en onder d, van de Investeringsregeling aan dat bij toepassing van artikel 4, aanhef en onder a, van belang is hoeveel personen bij een (landelijke) groep of keten werkzaam zijn.

2.5.1. [wederpartij] heeft in beroep erkend dat hij deel uitmaakt van de landelijke groep of keten van Simon Lévelt. Daarvan uitgaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft geweigerd de gevraagde subsidie te verlenen. Gelet op de artikelen 1, aanhef en onder d, en 4, aanhef en onder a, van de Investeringsregeling, gelezen in onderlinge samenhang en verband, zijn werknemers in de zin van artikel 4, aanhef en onder a, niet slechts diegenen die in dienst van Simon Lévelt arbeid verrichten, maar tevens diegenen die, bijvoorbeeld als franchisenemers of weknemers van franchisenemers, deel uitmaken van de landelijke groep of keten van Simon Lévelt. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Voorts heeft het college afdoende gemotiveerd dat, gezien het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 1 december 2008 en het aantal franchisenemers, bij de landelijke groep of keten van Simon Lévelt meer dan 50 werknemers werkzaam zijn.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 27 april 2010 alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 januari 2011 in zaak nr. 10/2014;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011

452.