Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR5034

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2011
Datum publicatie
15-08-2011
Zaaknummer
201103793/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / redelijk vooruitzicht op verwijdering / etnisch Armeniërs uit Azerbeidzjan

De rechtbank heeft zich bij haar oordeelsvorming onder meer gebaseerd op een brief van 7 november 2005 van het Ministerie van Justitie, die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar uitspraak van 1 juli 2008 in zaak nr. 08/19252. Deze brief gaat vergezeld van een tweetal rapporten van 1 april 2004. De informatie uit die rapporten dateert derhalve van voor de brieven van 28 april en 21 juni 2004, die voor de Afdeling bij haar uitspraak van 26 augustus 2008 aanleiding hebben gevormd voor het oordeel dat iedere Azerbeidzjaanse staatsburger het recht heeft terug te keren naar Azerbeidzjan ongeacht de etniciteit van betrokkene en etniciteit geen rol speelt bij documentafgifte. De brief van 7 november 2005 kan derhalve geen aanleiding vormen voor een ander oordeel in deze, zodat in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2008 geen aanleiding bestaat bij voorbaat aan te nemen dat de autoriteiten van Azerbeidzjan niet bereid zijn een reisdocument te verstrekken, indien de desbetreffende vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het door hen te verrichten onderzoek niet frustreert. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat een redelijk vooruitzicht voor de betrokken vreemdeling op verwijdering naar Azerbeidzjan ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103793/1/V3

Datum uitspraak: 4 augustus 2011

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 23 maart 2011 in zaak nr. 11/6713 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2011 is de vreemdeling met ingang van 22 februari 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 30 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief stelt de minister dat, aangezien de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) de etniciteit van de vreemdeling niet registreert, hij geen inzage kan geven in de afgifte van laissez passer (hierna: lp) aan etnische Armeniërs van Azerbeidzjaanse nationaliteit. Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2008 in zaak nr. 200805191/1 (www.raadvanstate.nl) blijkt volgens de minister ook dat de registratie van etniciteit niet vereist is nu dit geen rol speelt bij de afgifte van documenten. Nu door de autoriteiten van Azerbeidzjan lp worden verstrekt, kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering van de vreemdeling naar Azerbeidzjan ontbreekt. Onder die omstandigheden bestaat volgens de minister voor hem geen aanleiding aan te tonen dat sinds 2005 een verandering is opgetreden in de afgifte van lp door de autoriteiten van Azerbeidzjan aan etnische Armeniërs, zoals door de rechtbank wordt verlangd.

2.1.1. De rechtbank heeft zich bij haar oordeelsvorming onder meer gebaseerd op een brief van 7 november 2005 van het Ministerie van Justitie, die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar uitspraak van 1 juli 2008 in zaak nr. 08/19252. Deze brief gaat vergezeld van een tweetal rapporten van 1 april 2004. De informatie uit die rapporten dateert derhalve van voor de brieven van 28 april en 21 juni 2004, die voor de Afdeling bij haar uitspraak van 26 augustus 2008 aanleiding hebben gevormd voor het oordeel dat iedere Azerbeidzjaanse staatsburger het recht heeft terug te keren naar Azerbeidzjan ongeacht de etniciteit van betrokkene en etniciteit geen rol speelt bij documentafgifte. De brief van 7 november 2005 kan derhalve geen aanleiding vormen voor een ander oordeel in deze, zodat in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2008 geen aanleiding bestaat bij voorbaat aan te nemen dat de autoriteiten van Azerbeidzjan niet bereid zijn een reisdocument te verstrekken, indien de desbetreffende vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het door hen te verrichten onderzoek niet frustreert. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat een redelijk vooruitzicht voor de betrokken vreemdeling op verwijdering naar Azerbeidzjan ontbreekt. De grief slaagt derhalve.

2.2. Aan de tweede grief komt geen zelfstandige betekenis toe.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het vooroverwogene voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 23 maart 2011 in zaak nr. 11/6713;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. Snijders

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2011

205

Verzonden: 4 augustus 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser