Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
201100088/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2007 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2006 vastgesteld op nihil alsmede de aan haar uitbetaalde voorschotten huurtoeslag voor dat jaar teruggevorderd ten bedrage van € 1.783,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100088/1/H2.

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 december 2010 in zaak nr. 10-6011 in het geding tussen:

[appellante]

en

Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2007 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2006 vastgesteld op nihil alsmede de aan haar uitbetaalde voorschotten huurtoeslag voor dat jaar teruggevorderd ten bedrage van € 1.783,00.

Bij uitspraak van 9 december 2010, verzonden op 13 december 2010, heeft de rechtbank het beroep dat door [appellante] is ingesteld tegen het niet tijdig door de Belastingdienst nemen van een besluit op bezwaar gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en de Belastingdienst opgedragen om binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 13 januari 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellante] tegen het besluit van 19 december 2007 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen bij brieven van 10 mei 2011 en 3 mei 2011 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst ten onrechte geen besluit had genomen op het door [appellante] tegen het besluit van de Belastingdienst van 19 december 2007 ingediende bezwaar en dat dit alsnog diende te gebeuren.

2.2. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak voorbij is gegaan aan doel en strekking van de Wet op de huurtoeslag. Aangezien de Belastingdienst had verzuimd een besluit op het door haar ingediende bezwaar te nemen, is de rechtbank terecht tot de slotsom komen dat dit alsnog diende te gebeuren. De rechtbank hoefde in deze situatie niet aan behandeling van de inhoudelijke gronden van het beroep van [appellante] toe te komen.

2.3. [appellante] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank haar beroepschrift dat betrekking had op zowel de huurtoeslag over 2006 als op de huurtoeslag over 2007 in twee procedures heeft gesplitst en van haar tweemaal griffierecht heeft geheven. Gegeven dat de Belastingdienst per jaar dat [appellante] aanspraak maakt op huurtoeslag afzonderlijk, aan de hand van de voor dat jaar geldende omstandigheden dient te beoordelen of zij daarvoor in aanmerking komt, zijn de op die jaren betrekking hebbende besluiten geen samenhangende besluiten als bedoeld in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht waarvoor slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Bij besluit van 13 januari 2011 heeft de Belastingdienst, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellante] gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van [appellante] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellante], gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden. De Afdeling overweegt daartoe het volgende.

2.6. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), zoals deze gold ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, bestaat, indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende of zijn partner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen.

2.7. Niet in geschil is dat [appellante] in het jaar 2006 voordeel had uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Awir. De Belastingdienst heeft zich bij het besluit op bezwaar van 13 januari 2011 dan ook terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] gelet hierop niet in aanmerking komt voor huurtoeslag over dat jaar. Het betoog van [appellante] dat zij haar vermogen gebruikt om in haar levensonderhoud te voorzien en dat de daarover genoten rente in 2006 in dat jaar haar enige inkomsten zijn geweest, kan niet tot een ander oordeel leiden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 juli 2010, zaak nr. 200909538/1/H2) volgt uit artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag niet dat recht bestaat op huurtoeslag, indien wordt ingeteerd op het vermogen. Aangezien de Awir uitdrukkelijk regelt dat in het geval een aanvrager om huurtoeslag in een jaar voordeel uit sparen en beleggen heeft deze op die toeslag geen aanspraak heeft kan, anders dan [appellante] betoogt op dit punt niet worden gesproken van een lacune in de wet.

2.8. Het beroep dat [appellante], onder verwijzing naar de aan voormalig minister Herfkens uitgekeerde tegemoetkoming in haar woonlasten in het kader van haar werkzaamheden voor de Verenigde Naties, doet op het gelijkheidsbeginsel, kan niet slagen. Aangezien die tegemoetkoming is verstrekt op grondslag van een andere regeling en door een ander bestuursorgaan dan de Belastingdienst is geen sprake van gelijke gevallen.

2.9. Het beroep tegen het besluit van de Belastingdienst van 13 januari 2011 is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de Belastingdienst van 13 januari 2011 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011

47.