Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
201012296/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2009 heeft het college aan [belanghebbende] bouwvergunning verleend voor het veranderen van de inrichting en het gebruik van afhaalcentrum, naar afhaalcentrum met restaurant op het perceel [locatie] te Delfgauw.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/695
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012296/1/H1.

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 november 2010 in zaak nr. 10/2070 in het geding tussen:

[wederpartij] wonend te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2009 heeft het college aan [belanghebbende] bouwvergunning verleend voor het veranderen van de inrichting en het gebruik van afhaalcentrum, naar afhaalcentrum met restaurant op het perceel [locatie] te Delfgauw.

Bij besluit van 19 februari 2010 heeft het college, naar aanleiding van het bezwaar van [wederpartij], besloten het besluit van 22 september 2009 niet te herroepen.

Bij uitspraak van 10 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 februari 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 december 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2011, waar het college, vertegenwoordigd door R. van den Bosch, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. S. van der Eijk, advocaat te Wateringen, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het reeds gerealiseerde bouwplan voorziet in het gedeeltelijk vernieuwen van een afgebrand pand op het perceel dat in gebruik was als Chinees afhaalcentrum en zal worden gebruikt als shoarma/grillroom met afhaalfunctie en restaurant.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Delfgauw" rust op het perceel de bestemming "Winkels met woningen". Het bouwplan is hiermee in strijd.

2.3. De rechtbank heeft overwogen, en dat is ook niet in geschil, dat zowel het bouwovergangsrecht als het gebruiksovergangsrecht uit het bestemmingsplan niet van toepassing is en dat het besluit op bezwaar van 19 februari 2010 reeds hierom dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hiertoe heeft zij overwogen dat, tenzij nader onderzoek van het college alsnog aan het licht brengt dat eigen schuld niet aan de orde is, niet vanwege een calamiteit bouwvergunning kan worden verleend. Daarbij heeft de rechtbank onder meer opgemerkt dat gelet op het uitzonderingskarakter van de calamiteitenjurisprudentie, overmacht niet kan worden aangenomen en dat in dat geval verlening van een bouwvergunning niet mogelijk is.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand heeft gelaten. Daartoe voert het aan dat voor het bepalen of sprake was van een calamiteit de schuldvraag niet relevant is. Voorts voert het college aan dat bij de herbouw na een calamiteit het voorgenomen gebruik niet bij de toetsing dient te worden betrokken.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 november 2002 in zaak nr. 200106021/1), mag, buiten het geval van overgangsrecht, in geval een bouwwerk door een calamiteit is tenietgegaan, dit worden herbouwd. Deze jurisprudentie heeft een uitzonderingskarakter en dient beperkt te worden uitgelegd. De strekking daarvan is dat een belanghebbende als gevolg van een calamiteit niet in een slechtere, maar ook niet in een betere positie mag komen te verkeren. Dit betekent onder meer dat er slechts sprake kan zijn van herbouw van verloren gegane bebouwing, indien de oppervlakte van het nieuw op te richten bouwwerk nagenoeg gelijk is aan die van het vroegere bouwwerk en ook de aard en de omvang daarvan overeenstemt met die van de vroegere bebouwing. Los van de vraag of dit ongeschreven calamiteitenrecht hier van toepassing is, faalt een beroep op dit calamiteitenrecht reeds omdat het nieuw opgerichte bouwwerk naar de aard niet meer overeenstemt met die van de door de brand verloren gegane bebouwing. Immers, ten behoeve van de inrichting van het pand als shoarma/grillroom met restaurantfunctie zijn onder meer een toiletgroep, een rokersruimte en een restaurantgedeelte aangebracht. De rechtbank heeft onder deze omstandigheden derhalve terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand gelaten.

Gelet hierop behoeft hetgeen het college heeft aangevoerd over het gebruik geen bespreking.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp een griffierecht van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) wordt geheven;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011

414-712.