Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4623

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
201106799/1/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, aan de erven [overledene] onder oplegging van een dwangsom gelast een nader bodemonderzoek uit te voeren op de locatie [locatie] te Rotterdam (hierna: de locatie).

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 55
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/711
JBO 2011/65 met annotatie van H.J. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106799/1/H4.

Datum uitspraak: 5 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Spijkenisse

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, aan de erven [overledene] onder oplegging van een dwangsom gelast een nader bodemonderzoek uit te voeren op de locatie [locatie] te Rotterdam (hierna: de locatie).

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 augustus 2011, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. A. van Diermen, en het college, vertegenwoordigd door mr. V. Wiegman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [verzoeker] verzoekt primair om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na het besluit op bezwaar. Subsidiair verzoekt hij het bestreden besluit te schorsen totdat er uitspraak is gedaan in kort geding over de medewerking van de mede-erfgenamen aan het nader bodemonderzoek. Meer subsidiair verzoekt hij om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de uitspraak op het onderhavige verzoek.

2.2. Bij besluit van 9 maart 2006 is voor de locatie de ernst van het geval van bodemverontreiniging en de noodzaak tot spoedige sanering vastgesteld. Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het college vervolgens ingestemd met het door de erven [overledene] voor de locatie ingediende saneringsplan. Deze besluiten zijn onherroepelijk en staan in de onderhavige procedure niet meer ter discussie.

2.3. Aan de instemming met het saneringsplan is het voorschrift verbonden dat binnen één jaar na dagtekening van de beschikking nader onderzoek uitgevoerd dient te worden. Niet in geschil is dat nog geen nader bodemonderzoek is verricht, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.4. [verzoeker] stelt dat hij geen overtreder is, zodat de last onder dwangsom ten onrechte aan hem is opgelegd. Daarnaast voert hij aan dat hij de overtreding niet kan beëindigen, omdat hij daarvoor de medewerking van de mede-erfgenamen nodig heeft en hij met hen niet op goede voet staat.

2.4.1. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

2.4.2. Artikel 55b, eerste lid, van de Wet bodembescherming bepaalt dat, voor zover hier van belang, de eigenaar van een bedrijfsterrein waar een geval van ernstige verontreiniging is ontstaan, verplicht is de bodem te saneren. [verzoeker] stelt in zijn verzoekschrift dat hij voor een klein deel uitsluitend eigenaar van de locatie is en dat hij voor het overige deel, als één van de erven, mede-eigenaar is. Niet in geschil is dat de locatie een bedrijfsterrein betreft. Gelet op het vorenstaande gaat de voorzitter ervan uit dat de erven [overledene] als overtreder kunnen worden aangemerkt, zodat het college de last onder dwangsom in zoverre terecht aan de erven heeft opgelegd.

2.4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 september 2002 in zaak nr. 200202191/1), geldt als voorwaarde voor het opleggen van een last onder dwangsom dat de overtreder het in zijn macht moet hebben om aan de illegale situatie een einde te maken.

Naar het oordeel van de voorzitter is van onmacht aan de zijde van [verzoeker] met betrekking tot het voldoen aan de last onder dwangsom niet gebleken, nu hij als één van de erven opdracht kan verlenen voor het verrichten van nader bodemonderzoek. Dat de mede-erfgenamen vooralsnog niet hun medewerking verlenen aan deze opdracht, doet hier

- gelet op de civielrechtelijke verhoudingen tussen de erfgenamen - naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet aan af.

2.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6. [verzoeker] stelt dat concreet zicht op legalisatie bestaat, zodat het college van handhavend optreden behoorde af te zien. Hij verwijst in dat kader naar zijn verzoek tot intrekking van het besluit van 9 maart 2006 met betrekking tot de vaststelling van de ernst en spoed van de bodemverontreiniging. Ook stelt [verzoeker] dat er beslagen op zijn bankrekeningen zijn gelegd, waardoor hij de kosten van een bodemonderzoek niet kan dragen. Volgens hem zijn dit bijzondere omstandigheden op grond waarvan handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2.6.1. Het verzoek om intrekking van het besluit van 9 maart 2006 is door het college afgewezen en het bezwaar tegen die afwijzing is ongegrond verklaard. Onder die omstandigheid bestaat naar het oordeel van de voorzitter geen concreet zicht op legalisatie. Dat thans tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar een beroep aanhangig is gemaakt, is onvoldoende voor een ander oordeel.

Een - tijdelijke - betalingsonmacht bij [verzoeker], waarvan niet is gebleken dat hij die niet ongedaan kan maken, acht de voorzitter voorshands geen bijzondere omstandigheid die handhaving zodanig onevenredig maakt in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan moet worden afgezien. Ook voor het overige is van bijzondere omstandigheden die aan handhavend optreden in de weg staan vooralsnog niet gebleken.

2.7. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2011

457-628.