Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4611

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
201012510/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van [appellant] om medewerking te verlenen aan vrijstelling voor de bouw van een agrarische bedrijfswoning bij zijn agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012510/1/H1.

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nibbixwoud, gemeente Medemblik

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 november 2010 in zaak nr. 09/81 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van [appellant] om medewerking te verlenen aan vrijstelling voor de bouw van een agrarische bedrijfswoning bij zijn agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 november 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en het overige ongegrond verklaard en het besluit van 24 juni 2008 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 11 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 17 november 2008 in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2011, waar [appellant] vergezeld van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, en het college, vertegenwoordigd door A. van het Ende, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] komt op tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 2003" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden en wonen c.a.".

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en, voor zover hier van belang, woningen.

Ingevolge artikel 11, derde lid, onder a, mag ter plaatse van elke met een rond omcirkeld huisnummer aangegeven woning op de kaart ten hoogste één woning worden gebouwd.

Ingevolge artikel 11, derde lid, onder c, mogen in de agrarische bebouwingsvakken, voor zover hier van belang, agrarische bedrijfsgebouwen, kassen en agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Ingevolge artikel 11, derde lid, onder e, mogen op de overige gronden, voor zover hier van belang, geen bouwwerken worden gebouwd.

In de onder artikel 11, derde lid, onder g, opgenomen tabel is het bedrijf aan de Wijzend ten oosten van [locatie 2] aangeduid als volwaardig agrarisch bedrijf zonder woning en is aangegeven dat dit bedrijf hoort bij [locatie 2]. Tussen haakjes is aangeven het adres: [locatie 3].

2.3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. [locatie] is op de plankaart geen omcirkeld huisnummer als bedoeld in artikel 11, derde lid, onder a, van de planvoorschriften. Het perceel kent wel een agrarische bebouwingsvak waar ingevolge artikel 11, derde lid, onder c, van de planvoorschriften slechts agrarische bedrijfsgebouwen, kassen en agrarische bouwwerken geen gebouw zijnde mogen worden gebouwd. Op de overige gronden mogen ingevolge sub e van voormeld artikellid geen bouwwerken worden gebouwd.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beoogde bedrijfswoning moet worden aangemerkt als een tweede bedrijfswoning en heeft miskend dat de woning op het perceel [locatie 2] niet bij het agrarisch bedrijf van [appellant]s behoort. Daartoe voert hij aan dat de woning op [locatie 2], waarvoor op 24 augustus 1982 aan [belanghebbende] vrijstelling en bouwvergunning is verleend, niet met terugwerkende kracht kan worden toegerekend aan zijn bedrijf.

2.4.1. Voor de woning op [locatie 2] heeft het college op 24 augustus 1982 vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [belanghebbende], die destijds samen met [appellant] één bedrijf voerde. Later is het bedrijf gesplitst in een kwekerij en een hoveniersbedrijf. In artikel 11, derde lid, onder g, van de planvoorschriften, in samenhang bezien met de plankaart, is aangegeven dat de woning die op de plankaart is aangeduid met [locatie 2] behoort bij het agrarisch bedrijf van [appellant]. Met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan is derhalve reeds vastgelegd dat de woning op [locatie 2] van [belanghebbende] aan het bedrijf van [appellant] wordt toegerekend. Voor zover [appellant] zich daarmee niet kan verenigen, had hij tegen het bestemmingsplan rechtsmiddelen moeten aanwenden. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat reeds een bedrijfswoning aanwezig is bij het bedrijf van [appellant] en dat het bouwplan voorziet in de bouw van een tweede bedrijfswoning.

Het betoog faalt.

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen weigeren. Hij voert daartoe aan dat er geen gemeentelijk (vrijstellings)beleid is nu het college slechts verwijst naar de verouderde antidubbeltelbepaling van het bestemmingsplan en het provinciaal beleid. Bovendien is het provinciaal beleid waarnaar het college verwijst, verouderd nu sinds 29 september 2009 een ander beleid geldt. Verder voert hij aan dat ook al kon het college het beleid toepassen, de bouw van de woning alsnog mogelijk is omdat de goede ruimtelijke ordening daaraan niet in de weg staat.

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zijn belangen onjuist zijn afgewogen. Daartoe voert hij aan dat hij toezicht op zijn bedrijf moet houden. Dat kan op afstand niet eenvoudig en kostenefficiënt worden gerealiseerd, aldus [appellant].

2.5.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te weigeren heeft kunnen komen.

2.5.2. Anders dan [appellant] betoogt, voert het college wel een beleid bij de verlening van vrijstellingen. Het vrijstellingsbeleid van het college is erop gericht om het provinciale beleid te volgen en de antidubbeltelbepaling uit het bestemmingsplan strikt te handhaven. Het provinciaal beleid van 29 september 2009 waar [appellant] naar verwijst dateert van na het besluit op bezwaar zodat het college - wat daar ook van zij - dit beleid niet kon toepassen. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat het college als beleidsuitgangspunt de antidubbeltelbepaling uit het bestemmingsplan niet strikt kon handhaven of dat deze bepaling verouderd zou zijn. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de antidubbeltelbepaling in artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht is gesteld om in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Overigens heeft het college ter zitting toegelicht dat de raad van de gemeente Medemblik op 11 oktober 2010 een nieuw bestemmingsplan "Landelijk gebied 2010" heeft vastgesteld waarin wederom is opgenomen dat aan het bedrijf van [appellant] een bedrijfswoning wordt toegerekend en [appellant] daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend.

In hetgeen [appellant] aanvoert met betrekking tot het toezicht houden op zijn bedrijf wordt voorts geen grond gezien voor het oordeel dat het college het belang van het tegengaan van verdere toename van woningen in de bouwlinten niet zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van [appellant].

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid van het verlenen van vrijstelling kon afzien.

De betogen falen.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Daartoe voert hij aan dat de twee door hem genoemde bedrijven, firma Fresiakwekerij Mol en Wijzend 35, wel vrijstelling hebben verkregen voor een tweede bedrijfswoning.

2.6.1. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de door [appellant] genoemde gevallen niet met zijn geval vergelijkbaar zijn. Nu [appellant] in hoger beroep niet heeft aangevoerd waarom de desbetreffende overwegingen onjuist, dan wel onvolledig zijn, faalt het betoog.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrecht geen proceskostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend.

2.7.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moet maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen.

2.7.2. Bij het besluit op bezwaar heeft het college de weigering vrijstelling te verlenen gehandhaafd en derhalve is er geen sprake van herroeping van het bestreden besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft terecht de tijdens de bezwaarfase gemaakte kosten niet in de proceskostenveroordeling betrokken.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011

414-712.