Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
201107123/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2010 heeft het dagelijks bestuur geweigerd [wederpartij] vergunning te verlenen voor het innemen van ligplaats met haar [woonboot] aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: de ligplaats).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107123/2/H3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost (hierna: het dagelijks bestuur),

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 20 mei 2011 in zaak nr. 10/6168 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2010 heeft het dagelijks bestuur geweigerd [wederpartij] vergunning te verlenen voor het innemen van ligplaats met haar [woonboot] aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: de ligplaats).

Bij besluit van 9 november 2010 heeft het het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 7 juli 2010 herroepen en het dagelijks bestuur opgedragen [wederpartij] vergunning te verlenen voor het innemen van de ligplaats.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft het de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 juli 2011, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. C.R. Waal, werkzaam in dienst van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door E.P. Blaauw, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het dagelijks bestuur heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat [wederpartij] geen erfpachtovereenkomst heeft gesloten voor het innemen van de ligplaats en het niet de verwachting heeft dat dat op korte termijn zal gebeuren. Het voert als beleid dat geen ligplaatsvergunningen worden verleend, maar was bereid een motie van de raad van het voormalige stadsdeel Zeeburg dat [wederpartij] in aanmerking komt voor een ligplaatsvergunning in ruil voor een marktconforme vergoeding voor de ligplaats uit te voeren.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft verzocht de aangevallen uitspraak te schorsen, omdat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: de Verordening) en het verlenen van een ligplaatsvergunning aan [wederpartij], zonder dat een erfpachtovereenkomst is gesloten, onwenselijke precedentwerking zal hebben voor vergelijkbare gevallen. Volgens hem ziet de term "ordening" in artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet op de ordening op het water en heeft de rechtbank miskend dat het ontbreken van overeenstemming over de financiële vergoeding die het dagelijks bestuur van [wederpartij] wenst te ontvangen voor het pachten van de desbetreffende ligplaats die ordening betreft. De rechtbank heeft hem bovendien ten onrechte opgedragen aan [wederpartij] vergunning voor het innemen van de ligplaats te verlenen, aldus het dagelijks bestuur.

2.2.1. Niet staat op voorhand vast dat de aangevallen uitspraak in het bodemgeschil onverkort in stand zal blijven, althans dat geconcludeerd zal worden dat de gevraagde vergunning niet geweigerd mocht worden. Naar voorlopig oordeel heeft de rechtbank aan de term "ordening" in artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening een te beperkte uitleg gegeven.

Verder is aannemelijk dat andere aanvragen voor een ligplaatsvergunning, waarbij evenmin een erfpachtovereenkomst is gesloten voor de desbetreffende ligplaats, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel ingeval deze vergunning wordt verleend zullen moeten worden gehonoreerd. Een eventuele vernietiging van de aangevallen uitspraak leidt er in dat geval niet toe dat die vergunningen niet blijven bestaan.

2.3. Onder die omstandigheden bestaat aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2011 in zaak nr. 10/6168;

II. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost het voor de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening verschuldigde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

195-622.